Afdeling 3.6.2. Geconsolideerd toezicht op banken, beleggingsondernemingen, financiële holdings en gemengde financiële holdings

Artikel 3:274

Lid 1

Indien ingevolge deze afdeling op geconsolideerde basis toezicht wordt gehouden, wordt dit toezicht uitgeoefend overeenkomstig het bepaalde:

  1. ingevolge titel II van deel 1 van de verordening kapitaalvereisten, voor zover het banken en beleggingsondernemingen onder de verordening kapitaalvereisten betreft; of

  2. ingevolge titel II van deel 1 van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen, voor zover het beleggingsondernemingen in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen betreft.

Lid 2

Indien de Nederlandsche Bank op grond van artikel 8 van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen de toepassing van het groepskapitaalcriterium toestaat, betrekt zij in de uitoefening van haar toezicht op de naleving van dat artikel de beleggingsholding of gemengde financiële holding die deel uitmaakt van de betrokken groep.

Artikel 3:275

Lid 1

Tenzij die bevoegdheid op grond van de artikelen 4 en 6 van de verordening bankentoezicht aan de Europese Centrale Bank toekomt, houdt de Nederlandsche Bank op banken en beleggingsondernemingen onder de verordening kapitaalvereisten toezicht op geconsolideerde basis, indien dat voortvloeit uit de toepassing van artikel 111, eerste tot en met vijfde lid, van de richtlijn kapitaalvereisten, dan wel indien zij als consoliderende toezichthouder is aangewezen overeenkomstig artikel 111, zesde lid, van die richtlijn.

Lid 2

De Nederlandsche Bank houdt op beleggingsondernemingen in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen toezicht op geconsolideerde basis, of oefent het toezicht op het groepskapitaalcriterium als bedoeld in artikel 8 van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen uit, indien dat voortvloeit uit de toepassing van artikel 46, eerste tot en met vijfde lid, van de richtlijn prudentieel toezicht op beleggingsondernemingen, dan wel indien zij als consoliderende toezichthouder of toezichthouder op het groepskapitaalcriterium is aangewezen overeenkomstig artikel 46, zesde lid, van die richtlijn.

Lid 3

Alvorens de Nederlandsche Bank en de andere betrokken toezichthoudende instanties met betrekking tot het toezicht op geconsolideerde basis op een Nederlandse bank of op een beleggingsonderneming als bedoeld in het eerste lid toepassing geven aan artikel 111, zesde lid, van de richtlijn kapitaalvereisten, stelt de Nederlandsche Bank de in de tweede volzin van dat artikellid bedoelde ondernemingen in de gelegenheid hun zienswijze naar voren te brengen.

Lid 4

Alvorens de Nederlandsche Bank en de andere toezichthoudende instanties met betrekking tot een beleggingsonderneming als bedoeld in het tweede lid, voor de uitoefening van het toezicht op geconsolideerde basis, dan wel voor de uitoefening van het toezicht op het groepskapitaalcriterium als bedoeld in artikel 8 van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen, toepassing geven aan artikel 46, zesde lid, van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen, stelt de Nederlandsche Bank de in de tweede volzin van laatstgenoemd artikellid bedoelde ondernemingen in de gelegenheid hun zienswijze naar voren te brengen.

Artikel 3:276

Lid 1

De Nederlandsche Bank houdt, tenzij die bevoegdheid op grond van de artikelen 4 en 6 van de verordening bankentoezicht aan de Europese Centrale Bank toekomt, toezicht op Nederlandse moederbeleggingsondernemingen en Nederlandse moederbanken, in de mate en op de wijze als bepaald in deze afdeling, op basis van de geconsolideerde financiële positie. Dit toezicht omvat het toezicht op de naleving van het bepaalde ingevolge de artikelen 3:17, eerste en tweede lid, onderdeel c, 3:57, 3:62a en 3:96, eerste lid, onderdeel b.

Lid 2

De Nederlandsche Bank houdt, tenzij die bevoegdheid op grond van de artikelen 4 en 6 van de verordening bankentoezicht aan de Europese Centrale Bank toekomt, toezicht op beleggingsondernemingen onder de verordening kapitaalvereisten en Nederlandse banken die dochteronderneming zijn van een Nederlandse financiële moederholding of Nederlandse gemengde financiële moederholding, in de mate en op de wijze als bepaald in deze afdeling, op basis van de geconsolideerde financiële positie van de Nederlandse financiële moederholding of Nederlandse gemengde financiële moederholding. Dit toezicht omvat het toezicht op de naleving van het bepaalde ingevolge de artikelen 3:17, eerste en tweede lid, onderdeel c, 3:57, 3:62a en 3:96, eerste lid, onderdeel b.

Lid 3

De Nederlandsche Bank houdt toezicht op beleggingsondernemingen onder de verordening kapitaalvereisten en Nederlandse banken die dochteronderneming zijn van een financiële moederholding of gemengde financiële moederholding indien de Nederlandsche Bank toezicht houdt op deze beleggingsondernemingen of banken op geconsolideerde basis op grond van artikel 3:275. Het tweede lid, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing.

Lid 4

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de berekening van de solvabiliteit op geconsolideerde basis van de beleggingsondernemingen of banken, bedoeld in het eerste en tweede lid.

Artikel 3:276a

Lid 1

Indien de Nederlandsche Bank toezicht houdt op geconsolideerde basis overeenkomstig deze afdeling en de gemengde financiële holding onderworpen is aan gelijkwaardige bepalingen van zowel deze afdeling als afdeling 3.6.4, kan de Nederlandsche Bank, na overleg met de andere betrokken toezichthoudende instanties, besluiten alleen de relevante bepalingen van afdeling 3.6.4 op de gemengde financiële holding toe te passen.

Lid 2

Indien de Nederlandsche Bank toezicht houdt op geconsolideerde basis overeenkomstig deze afdeling en de gemengde financiële holding onderworpen is aan gelijkwaardige bepalingen van zowel deze afdeling als afdeling 3.6.3, kan de Nederlandsche Bank, in overeenstemming met de groepstoezichthouder van de in artikel 2, punt 8, onderdeel b, van de richtlijn financiële conglomeraten bedoelde verzekeringssector, besluiten alleen de relevante bepalingen van de belangrijkste sector als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de richtlijn financiële conglomeraten toe te passen.

Artikel 3:277

Lid 1

Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing op Nederlandse banken en op beleggingsondernemingen onder de verordening kapitaalvereisten, indien zij een moederonderneming hebben die een niet-Europese bank of een niet-Europese beleggingsonderneming is, of die een financiële holding of gemengde financiële holding is met zetel in een staat die geen lidstaat is, en indien:

  1. die banken of beleggingsondernemingen niet reeds zijn onderworpen aan toezicht dat gelijkwaardig is aan het toezicht op geconsolideerde basis, bedoeld in titel VII, hoofdstuk 3, van de richtlijn kapitaalvereisten; en

  2. De Nederlandsche Bank op basis van een overeenkomstige toepassing van artikel 3:275 verantwoordelijk zou zijn voor het toezicht op geconsolideerde basis op die beleggingsondernemingen of banken.

Lid 2

Indien twee of meer beleggingsondernemingen waaraan een vergunning is verleend uit hoofde van de richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014, niet zijnde beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 1, tweede of vijfde lid, van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen, een moederonderneming hebben met zetel in een staat die geen lidstaat is, beoordeelt de Nederlandsche Bank of deze beleggingsondernemingen zijn onderworpen aan toezicht dat gelijkwaardig is aan het toezicht op geconsolideerde basis, bedoeld in titel IV, hoofdstuk 3 van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen en deel één van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen, indien de Autoriteit Financiële Markten aan ten minste één van deze beleggingsondernemingen een vergunning heeft verleend als bedoeld in artikel 2:96.

Lid 3

Indien uit de in het tweede lid bedoelde beoordeling blijkt dat geen sprake is van toezicht dat gelijkwaardig is, kan de Nederlandsche Bank, indien zij op basis van een overeenkomstige toepassing van artikel 3:275 verantwoordelijk zou zijn voor het toezicht op geconsolideerde basis op de beleggingsondernemingen, vereisen dat een beleggingsholding of gemengde financiële holding wordt opgericht met zetel in een lidstaat, met het oog op de naleving van artikel 7 en 8 van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen.

Artikel 3:277a

Lid 1

Een Nederlandse bank of een beleggingsonderneming onder de verordening kapitaalvereisten, die een dochteronderneming is van een beleggingsonderneming of bank of als moederonderneming een financiële holding of gemengde financiële holding heeft, voldoet op gesubconsolideerde basis aan het bepaalde ingevolge de artikelen 3:17, eerste en tweede lid, onderdeel c, 3:573:62a en 3:96, eerste lid, onderdeel b, indien de beleggingsonderneming onder de verordening kapitaalvereisten, Nederlandse bank, de financiële holding of gemengde financiële holding:

  1. als dochteronderneming een beheerder heeft van een beleggingsinstelling of icbe, beleggingsonderneming, financiële instelling of bank met zetel in een staat die geen lidstaat is; of

  2. een deelneming houdt in een beheerder van een beleggingsinstelling of icbe, beleggingsonderneming, financiële instelling of bank met zetel in een staat die geen lidstaat is.

Lid 2

Indien de financiële holding of gemengde financiële holding als dochteronderneming zowel een beleggingsonderneming als een bank heeft, is het eerste lid slechts van toepassing op de bank.

Artikel 3:278

Vervallen

Artikel 3:278a

Vervallen

Artikel 3:278b

Lid 1

Indien de Nederlandsche Bank toezicht houdt op geconsolideerde basis op een Nederlandse EU-moederbeleggingsonderneming die op grond van artikel 1, tweede lid, van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen de vereisten van de verordening kapitaalvereisten toepast, Nederlandse EU-moederbank, een beleggingsonderneming onder de verordening kapitaalvereisten of Nederlandse bank die dochteronderneming is van een Nederlandse financiële EU-moederholding of Nederlandse gemengde financiële EU-moederholding:

  1. coördineert zij de vergaring en verspreiding van informatie aan de betrokken toezichthoudende instanties van andere lidstaten die relevant of essentieel is in normale omstandigheden en in noodsituaties;

  2. plant en coördineert zij de toezichtactiviteiten in normale omstandigheden en de samenwerking met de betrokken toezichthoudende instanties van andere lidstaten in het kader van de artikelen 3:18a, 3:74a en 3:111a; en

  3. plant en coördineert zij de toezichtactiviteiten bij de voorbereiding op en in noodsituaties.

Lid 2

De Nederlandsche Bank komt met de betrokken toezichthoudende instanties van andere lidstaten een gezamenlijke regeling overeen inzake de onderlinge coördinatie en samenwerking. In de regeling kunnen aanvullende taken voor de consoliderende toezichthouder worden vastgelegd.

Artikel 3:278c

Indien de Nederlandsche Bank op geconsolideerde basis toezicht houdt op een bank of op een beleggingsonderneming onder de verordening kapitaalvereisten, neemt zij de besluiten, bedoeld in artikel 113, eerste lid, onderdelen a en b, van de richtlijn kapitaalvereisten, in overeenstemming met de betrokken toezichthoudende instanties van andere lidstaten en neemt zij daarbij de in artikel 113, tweede lid, van de richtlijn bedoelde termijnen in acht.

Artikel 3:278d

Lid 1

Indien het overleg met de betrokken toezichthoudende instanties van andere lidstaten niet binnen de termijn, bedoeld in artikel 3:278c, tot overeenstemming heeft geleid, neemt de Nederlandsche Bank, indien zij toezicht houdt op dochterondernemingen van een EU-moederbeleggingsonderneming die op grond van artikel 1, tweede lid, van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen de vereisten van de verordening kapitaalvereisten toepast of EU-moederbank of een EU-moederholding op niet-geconsolideerde basis of op subgeconsolideerde basis, onverwijld een besluit op grond van de evaluatie bedoeld in artikel 3:18a, of de solvabiliteit van de dochteronderneming toereikend is gelet op haar financiële situatie en risicoprofiel.

Lid 2

De Nederlandsche Bank besluit over de toepassing van de artikelen 3:18a en 3:111a nadat zij de door de betrokken toezichthoudende instantie die toezicht houdt op geconsolideerde basis geuite standpunten en voorbehouden in aanmerking heeft genomen.

Lid 3

De Nederlandsche Bank actualiseert jaarlijks het besluit, bedoeld in het tweede lid.

Artikel 3:279

Lid 1

De Nederlandsche Bank kan, overeenkomstig artikel 28 van verordening (EU) nr. 1093/2010, met de toezichthoudende instantie van een andere lidstaat een overeenkomst sluiten om:

  1. het prudentieel toezicht, of onderdelen daarvan, op een bank met zetel in Nederland of een beleggingsonderneming onder de verordening kapitaalvereisten, met een moederonderneming met zetel in een andere lidstaat, over te dragen aan de toezichthoudende instantie van die lidstaat, indien deze het toezicht op de moederonderneming uitoefent; of

  2. het prudentieel toezicht, of onderdelen daarvan, op een bank of beleggingsonderneming die op grond van artikel 1, tweede lid, van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen de vereisten van de verordening kapitaalvereisten toepast, met zetel in de andere lidstaat en met een moederonderneming met zetel in Nederland, over te nemen van de toezichthoudende instantie van die lidstaat, indien de Nederlandsche Bank het toezicht op de moederonderneming uitoefent.

Lid 2

Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, onderdeel b, wordt de bank of beleggingsonderneming voor de uitoefening van het prudentieel toezicht door de Nederlandsche Bank gelijkgesteld met een bank of beleggingsonderneming met zetel in Nederland.

Lid 3

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste en tweede lid. Hierbij kunnen voorwaarden of beperkingen worden gesteld aan de overdracht of overname van het toezicht, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b.

Artikel 3:280

Lid 1

Indien een beleggingsonderneming met zetel in Nederland waaraan een vergunning als bedoeld in artikel 2:96 is verleend, of een Nederlandse bank een gemengde holding als moederonderneming heeft, oefent de Nederlandsche Bank toezicht uit op de intragroepsovereenkomsten en -posities met de gemengde holding en haar dochterondernemingen, tenzij die bevoegdheid op grond van de artikelen 4 en 6 van de verordening bankentoezicht aan de Europese Centrale Bank toekomt.

Lid 2

De beleggingsonderneming of bank zorgt voor de berekening en bewaking van haar intragroepsovereenkomsten en -posities met de gemengde holding en haar dochterondernemingen.

Lid 3

De beleggingsonderneming of bank dient periodiek binnen de daartoe vastgestelde termijnen een rapportage bij de Nederlandsche Bank of de Europese Centrale Bank in waarin zijn opgenomen significante intragroepsovereenkomsten en -posities met de gemengde holding en haar dochterondernemingen.

Lid 4

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de inhoud, de verstrekking, de modellen en de periodiciteit van de rapportage.

Lid 5

Indien uit de intragroepsovereenkomsten en -posities blijkt dat de financiële positie van de beleggingsonderneming of bank in gevaar is of zou kunnen komen, neemt de Nederlandsche Bank maatregelen jegens die beleggingsonderneming of bank.

Artikel 3:280a

Een Nederlandse financiële moederholding, Nederlandse gemengde financiële moederholding, Nederlandse financiële EU-moederholding, Nederlandse gemengde financiële EU-moederholding of een andere financiële holding of gemengde financiële holding met zetel in Nederland voor zover deze op gesubconsolideerde basis moet voldoen aan de prudentiële regels die ingevolge deze wet en de verordening kapitaalvereisten zijn gesteld, beschikt over een goedkeuring van de Europese Centrale Bank indien deze bevoegd is toezicht uit te oefenen op de holding op grond van de artikelen 4 en 6 van de verordening bankentoezicht, van de Nederlandsche Bank indien deze de in artikel 4, eerste lid, onderdeel 41, van de verordening kapitaalvereisten bedoelde consoliderende toezichthouder van de holding is, of van de toezichthoudende instantie van een andere lidstaat en de Nederlandsche Bank gezamenlijk indien de toezichthoudende instantie van een andere lidstaat de consoliderende toezichthouder van de holding is.

Artikel 3:280b

Lid 1

De Nederlandsche Bank verleent op aanvraag de goedkeuring bedoeld in artikel 3:280a indien de aanvrager aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde ingevolge:

  1. artikel 3:273a, eerste lid, onderdeel a, met betrekking tot de interne regelingen en de verdeling van taken;

  2. artikel 3:273a, eerste lid, onderdeel b, met betrekking tot de organisatiestructuur;

  3. artikel 3:273a, tweede lid, met betrekking tot het minimum aantal personen dat het dagelijks beleid bepaalt;

  4. de artikelen 3:271 en 3:272 met betrekking tot de geschiktheid en betrouwbaarheid van de in dat artikel bedoelde personen; en

  5. artikel 3:100, eerste lid, aanhef en onderdeel a tot en met f, indien de aanvraag een holding betreft die een gekwalificeerde deelneming in een bank houdt of voornemens is te houden waarvoor een of meerdere verklaringen van geen bezwaar overeenkomstig artikel 3:95, eerste lid, onderdeel b, zijn of worden aangevraagd.

Lid 2

De Nederlandsche Bank houdt bij de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, rekening met artikel 21 bis, derde lid, onderdeel b, van de richtlijn kapitaalvereisten.

Lid 3

De aanvraag wordt ingediend bij de Europese Centrale Bank, de Nederlandsche Bank of bij zowel de Nederlandsche Bank als de toezichthoudende instantie van een andere lidstaat al naar gelang de bevoegdheidsverdeling in artikel 3:280a, onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.

Lid 4

De Nederlandsche Bank beslist op een aanvraag als bedoeld in het eerste lid met inachtneming van artikel 21 bis, tiende lid, van de richtlijn kapitaalvereisten uiterlijk binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag en maakt het besluit bekend aan de holding indien dat volgt uit artikel 21 bis, achtste of tiende lid, van de richtlijn.

Artikel 3:280c

Lid 1

De Nederlandsche Bank verleent, onder gelijktijdige aanwijzing van een bank die deel uitmaakt van dezelfde groep als de holding als verantwoordelijk voor de naleving van de vereisten die gelden op geconsolideerde basis, op aanvraag ontheffing van artikel 3:280a indien er naar haar oordeel geen belemmering is voor doeltreffend toezicht op geconsolideerde basis op de groep waarvan de holding deel uitmaakt en de aanvrager aantoont dat wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  1. de hoofdactiviteit van de financiële holding of de hoofdactiviteit van de gemengde financiële holding met betrekking tot banken of financiële instellingen is het verwerven van deelnemingen in dochterondernemingen;

  2. de financiële holding of gemengde financiële holding is niet aangewezen als een af te wikkelen entiteit in een van de af te wikkelen groepen van de groep in overeenstemming met de afwikkelingsstrategie bepaald door de bevoegde afwikkelingsautoriteit bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel 18, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen van de holding; en

  3. de financiële holding of gemengde financiële holding neemt geen bestuurs-, operationele of financiële beslissingen die invloed hebben op de groep of op de dochterondernemingen van de groep indien dat banken of financiële instellingen zijn.

Lid 2

De aanvraag wordt ingediend bij de Europese Centrale Bank, de Nederlandsche Bank, of bij de Nederlandsche Bank en de toezichthoudende instantie van een andere lidstaat al naar gelang de bevoegdheidsverdeling in artikel 3:280a, onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.

Lid 3

Indien niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden bedoeld in het eerste lid trekt de Nederlandsche Bank de ontheffing in.

Lid 4

De Nederlandsche Bank maakt een besluit als bedoeld in het eerste of derde lid bekend aan de holding indien dat volgt uit artikel 21 bis, achtste of tiende lid, van de richtlijn.

Artikel 3:280d

Indien een toezichthoudende instantie van een andere lidstaat de consoliderende toezichthouder is van een holding, als bedoeld in artikel 3:280a, neemt de Nederlandsche Bank de besluiten bedoeld in de artikelen 3:280b en 3:280c in overeenstemming met de consoliderende toezichthouder en met inachtneming van artikel 21 bis, achtste lid, van de richtlijn kapitaalvereisten.

Artikel 3:280e

Lid 1

Indien de Nederlandsche Bank de consoliderende toezichthouder is van een holding als bedoeld in artikel 21 bis, eerste lid, van de richtlijn kapitaalvereisten, met zetel in een andere lidstaat, kan zij, op aanvraag en in overeenstemming met de toezichthouder in de lidstaat waar de holding zijn zetel heeft, een besluit nemen als bedoeld in de artikelen 3:280b en 3:280c. Zij neemt daarbij artikel 21 bis, achtste lid, van die richtlijn in acht.

Lid 2

Indien de Europese Centrale Bank de consoliderende toezichthouder is van een holding als bedoeld in het eerste lid, omdat zij in de plaats is getreden van de Nederlandsche Bank op grond van de artikelen 4, 5 en 6 van de verordening, kan zij, op aanvraag en indien de holding zijn zetel heeft in een niet-deelnemende lidstaat uitsluitend in overeenstemming met de toezichthouder in die lidstaat, een besluit nemen als bedoeld in de artikelen 3:280b en 3:280c. Zij neemt daarbij artikel 21 bis, achtste lid, van die richtlijn in acht.

Artikel 3:280f

De Nederlandsche Bank of de Europese Centrale Bank neemt een besluit met betrekking tot een gemengde financiële holding als bedoeld in de artikelen 3:280b en 3:280c, met inachtneming van artikel 21 bis, negende lid, van de richtlijn kapitaalvereisten.

Artikel 3:280g

Lid 1

Een holding waaraan goedkeuring is verleend op grond van artikel 3:280b of waaraan ontheffing is verleend op grond van de artikel 3:280c meldt onverwijld wijzigingen aan de consoliderende toezichthouder met betrekking tot onderwerpen waarover bij of krachtens de artikelen 3:280b, derde lid, of 3:280c, tweede lid, opgave van gegevens is voorgeschreven. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de in acht te nemen procedures bij de melding.

Lid 2

Een holding waaraan ontheffing is verleend als bedoeld in het eerste lid is doorlopend in staat aan te tonen dat wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 3:280c, eerste lid.