Artikel 3:5 Wet op het financieel toezicht

Lid 1

Het is een ieder verboden in Nederland in de uitoefening van een bedrijf van het publiek opvorderbare gelden aan te trekken, ter beschikking te verkrijgen of ter beschikking te hebben.

Lid 2

Het eerste lid is niet van toepassing op:

  1. banken die een door de Europese Centrale Bank of de Nederlandsche Bank verleende vergunning hebben als bedoeld in artikel 2:11, eerste lid, of 2:20, en banken met zetel in een andere lidstaat die hun bedrijf uitoefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten naar Nederland en die hebben voldaan aan het in artikel 2:15 of 2:16 bepaalde met betrekking tot het verrichten van de werkzaamheden, bedoeld onder 1 in bijlage I bij de richtlijn kapitaalvereisten;

  2. banken met zetel in een andere lidstaat die een door de Europese Centrale Bank of de toezichthoudende instantie van die lidstaat verleende vergunning hebben voor het uitoefenen van hun bedrijf en die hebben voldaan aan de in die andere lidstaat geldende verplichtingen voor het verrichten van diensten naar een andere lidstaat;

  3. de lidstaten, alsmede de regionale of lokale overheden van de lidstaten;

  4. het aantrekken, ter beschikking verkrijgen of ter beschikking hebben van opvorderbare gelden als gevolg van het aanbieden van effecten in Nederland in overeenstemming met hetgeen in de prospectusverordening is bepaald; en

  5. entiteiten voor risico-acceptatie; en

  6. kredietunies met zetel in Nederland.

Lid 3

Bij ministeriële regeling kan vrijstelling worden geregeld van het eerste lid.

Lid 4

De Nederlandsche Bank kan op aanvraag, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van het eerste lid, indien de aanvrager aantoont dat de belangen die dit deel beoogt te beschermen voldoende worden beschermd. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld waaraan de houder van een ontheffing dient te voldoen en met betrekking tot het verlenen van de ontheffing.

Recente uitspraken

Art. 3:5 Wft is sinds 2007 in 33 uitspraken op wetboek.org gekoppeld, met name door Rb. Midden-Nederland, Hof Amsterdam en Hof 's-Hertogenbosch.

  • ECLI:NL:HR:2018:2343 — 18-12-2018 Hoge Raad
    Economische zaak. Verduistering geldbedragen (art. 321 Sr) en feitelijk leidinggeven aan medeplegen van overtreding voorschrift art. 82.1 Wet toezicht kredietwezen 1992 begaan door rechtspersoon. Bewijsklacht verduistering. Is oordeel Hof dat verdachte de geldbedragen 'anders…
  • ECLI:NL:CBB:2016:54 — 07-03-2016 CBb
    Boete Wft. Overtreding bankverbod. Feitelijk leidinggeven
  • ECLI:NL:CBB:2015:15 — 03-02-2015 CBb
    Opvorderbare gelden - verbod van artikel 3:5, eerste lid, Wft - ontheffing artikel 3:5, vierde lid, Wft - beleggersgiro's - DNB heeft redelijkerwijs tot de conclusie kunnen komen dat de waarborgen die de Stichting biedt onvoldoende zijn.
  • ECLI:NL:CBB:2008:BF8814 — 26-09-2008 CBb
    Wet toezicht effectenverkeer 1995
  • ECLI:NL:CBB:2007:BA7438 — 12-06-2007 CBb
    Wet toezicht kredietwezen 1992

Bekijk alle 33 uitspraken »

Bron: Rechtspraak.nl — uitspraken bevatten verwijzingen naar dit artikel.