Artikel 3:9 Wet op het financieel toezicht
Lid 1
Het beleid van een afwikkelonderneming, betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, entiteit voor risico-acceptatie, bank, kredietunie, premiepensioeninstelling, verzekeraar of wisselinstelling met zetel in Nederland wordt bepaald of mede bepaald door personen wier betrouwbaarheid buiten twijfel staat. Indien binnen de financiële onderneming een orgaan is belast met toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de financiële onderneming, wordt dit toezicht gehouden door personen wier betrouwbaarheid buiten twijfel staat. De in dit lid bedoelde betrouwbaarheidseis is van overeenkomstige toepassing op personen werkzaam onder verantwoordelijkheid van een kredietunie of verzekeraar met zetel in Nederland, die een leidinggevende functie vervullen direct onder het echelon van de beleidsbepalers en verantwoordelijk zijn voor natuurlijke personen wier werkzaamheden het risicoprofiel van de onderneming wezenlijk kunnen beïnvloeden.
Lid 2
De betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in het eerste lid staat buiten twijfel wanneer dat eenmaal door een toezichthouder voor de toepassing van deze wet is vastgesteld, zolang niet een wijziging in de relevante feiten of omstandigheden een redelijke aanleiding geeft tot een nieuwe beoordeling.
Lid 3
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop wordt vastgesteld of de betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in het eerste lid buiten twijfel staat en welke feiten en omstandigheden daarbij in aanmerking worden genomen alsmede met betrekking tot de misdrijven die, indien begaan door die persoon, met het oog op de belangen die de wet beoogt te beschermen, tot de vaststelling leiden dat de betrouwbaarheid van die persoon niet buiten twijfel staat. Bij het vaststellen of de betrouwbaarheid van een persoon, die het beleid van een bank bepaalt of mede bepaalt, buiten twijfel staat, wordt voldaan aan de eisen bedoeld in artikel 91 van de richtlijn kapitaalvereisten.
Lid 4
Het eerste lid is niet van toepassing op tijdelijk bewindvoerders aangesteld op grond van artikel 1:76a, en bijzondere bestuurders aangesteld op grond van artikel 3A:49.
Dit artikel verwijst naar:
Wordt genoemd in:
- Art. 1:46 Wft
- Art. 1:75a Wft
- Art. 2:3.0d Wft
- Art. 2:3.0i Wft
- Art. 2:3.0m Wft
- Art. 2:3b Wft
- Art. 2:3e Wft
- Art. 2:5 Wft
- Art. 2:7 Wft
- Art. 2:10b Wft
- Art. 2:12 Wft
- Art. 2:17 Wft
- Art. 2:21 Wft
- Art. 2:26b Wft
- Art. 2:26e Wft
- Art. 2:31 Wft
- Art. 2:37 Wft
- Art. 2:41 Wft
- Art. 2:49 Wft
- Art. 2:51 Wft
- Art. 2:54b Wft
- Art. 2:54e Wft
- Art. 2:54h Wft
- Art. 2:54j Wft
- Art. 2:54m Wft
Recente uitspraken
Art. 3:9 Wft is sinds 2009 in 3 uitspraken op wetboek.org gekoppeld, met name door Rb. Rotterdam en CBb.
- ECLI:NL:CBB:2009:BJ2293 — 20-05-2009 CBb
Wet op het financieel toezicht - ECLI:NL:RBROT:2024:7492 — 09-08-2024 Rb. Rotterdam
Financieel toezicht. DNB heeft terecht kosten in rekening gebracht voor het toetsen van de geschiktheid van een directeur van een beleggingsholding. DNB was niet gehouden om het verslag van de hoorzitting voorafgaand aan het bestreden besluit toe te zenden aan eiser. Tot slot… - ECLI:NL:RBROT:2015:1850 — 16-03-2015 Rb. Rotterdam
Handelt DNB onrechtmatig door (het voornemen) eiser te willen hertoetsen, in de zin van artikel 3:9 Wft, in zijn functie als [...] en […] te willen informeren over dat voornemen? Nee. Voorlopig oordeel dat sprake is van een redelijke aanleiding voor hertoetsing. Geen sprake van…
Bron: Rechtspraak.nl — uitspraken bevatten verwijzingen naar dit artikel.