Artikel 1:75a Wet op het financieel toezicht
Lid 1
De toezichthouder of, al naar gelang de bevoegdheidsverdeling op grond van de artikelen 4 en 6 van de verordening bankentoezicht de Europese Centrale Bank, kan bij overtreding door een bank of beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3A:2, of overeenkomstig artikel 30 van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen door een EU-moederonderneming, van voorschriften gesteld bij of krachtens:
de artikelen 2:11, 2:15, 2:20, 2:25, 2:26, 2:96, 2:108, 2:110, 2:112, 2:114;
het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen, het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen of de verordening kapitaalvereisten; of
de artikelen 3 tot en met 7, 14 tot en met 17 en 24, 25 en 26 van de verordening markten voor financiële instrumenten;
de volgende maatregelen treffen ten aanzien van die bank of beleggingsonderneming:
vereisen dat een of meer van de in het in artikel 3:17, tweede lid, onderdeel c, onder 4°, bedoelde herstelplan vastgelegde regelingen of maatregelen worden uitgevoerd, of dat het herstelplan bijgewerkt wordt omdat de omstandigheden anders zijn dan bij vaststelling van het herstelplan, waarna regelingen of maatregelen uit het bijgewerkte herstelplan worden uitgevoerd;
voorschrijven dat de overtreding onderzocht wordt, maatregelen worden aangegeven om de overtreding te stoppen, een actieprogramma wordt opgesteld inclusief een tijdspad voor de tenuitvoerlegging van het actieprogramma;
voorschrijven dat bepaalde besluiten ter goedkeuring aan de algemene vergadering worden voorgelegd, of, indien daaraan niet binnen de gestelde termijn wordt voldaan, deze zelf daartoe bijeenroepen;
vereisen dat een of meer leden van het bestuur, de raad van commissarissen of van het hoger management uit hun functie worden ontheven of worden vervangen indien deze personen op grond van artikel 3:8, 3:9, 3:15, 3:21 of 4:9.0a voor de uitvoering van hun taken ongeschikt worden geacht;
voorschrijven dat een onderneming een plan opstelt voor het voeren van onderhandelingen met enkele of alle schuldeisers over de herstructurering van de schulden, al naar gelang van toepassing overeenkomstig het herstelplan;
vereisen dat de bedrijfsstrategie van de onderneming wordt aangepast;
vereisen dat de juridische of operationele structuur van de onderneming wordt gewijzigd; of
vereisen dat alle informatie aangeleverd wordt, onder meer via inspecties ter plaatse, die noodzakelijk is om het afwikkelingsplan bij te werken en om de mogelijke afwikkeling van de onderneming en de waardering van de activa en passiva van de onderneming op grond van artikel 3A:17, vijfde lid, 3A:18, vierde lid, onderscheidenlijk artikel 20 van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, voor te bereiden.
Lid 2
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien de overtreding in de nabije toekomst is wegens een snel verslechterende financiële toestand van de onderneming, te beoordelen met inachtneming van de voorwaarden, bedoeld in artikel 27 van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen.
Lid 3
De Nederlandsche Bank kan, met inachtneming van artikel 1:89 en de voorwaarden in artikel 39, tweede lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen voorschrijven dat een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3A:2, onderdeel b, die niet valt onder de werking van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, indien er sprake is van een situatie bedoeld in het eerste of tweede lid, contact opneemt met potentiële verkrijgers om de afwikkeling voor te bereiden.
Lid 4
Indien er sprake is van een significante verslechtering van de financiële positie van een bank of beleggingsonderneming, bij ernstige overtredingen van wetten, reglementen of van de statuten van de bank of beleggingsonderneming of ernstige administratieve onregelmatigheden, en de maatregelen uit het eerste lid de verslechtering niet kunnen keren, kan de Nederlandsche Bank de afzetting van het volledige hoger management, het bestuur of de raad van commissarissen van de bank of beleggingsonderneming, dan wel van individuele leden daarvan eisen.
Lid 5
Voor elke maatregel, bedoeld in het eerste lid, stelt de Nederlandsche Bank een gepaste termijn vast waarbinnen de maatregel voltooid moet zijn.
Dit artikel verwijst naar:
- 2:108 (Wft)
- 2:110 (Wft)
- 2:112 (Wft)
- 2:114 (Wft)
- 2:15 (Wft)
- 2:20 (Wft)
- 2:25 (Wft)
- 2:26 (Wft)
- 2:96 (Wft)
- 3:15 (Wft)
- 3:21 (Wft)
- 3:9 (Wft)
- 3A:18, vierde lid (Wft)
- 4:9.0a (Wft)
- artikel 1:89 (Wft)
- artikel 3:17, tweede lid, onderdeel c, onder 4° (Wft)
- artikel 3:8 (Wft)
- artikel 3A:17, vijfde lid (Wft)
- artikel 3A:2 (Wft)
- artikelen 2:11 (Wft)