Artikel 2:21 Wet op het financieel toezicht

Lid 1

De Nederlandsche Bank verleent op aanvraag een vergunning als bedoeld in artikel 2:20, eerste lid, indien de aanvrager aantoont dat hij in de staat van zijn zetel bevoegd is tot de uitoefening van zijn bedrijf en dat zal worden voldaan aan het bepaalde ingevolge:

  1. artikel 3:8 met betrekking tot de geschiktheid van de in dat artikel bedoelde personen;

  2. artikel 3:9 met betrekking tot de betrouwbaarheid van de in dat artikel genoemde personen;

  3. artikel 3:10, eerste en tweede lid, met betrekking tot het beleid met betrekking tot de integere bedrijfsuitoefening;

  4. artikel 3:17, eerste en tweede lid, met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering;

  5. artikel 3:21 met betrekking tot het minimum aantal personen dat het dagelijks beleid van het bijkantoor bepaalt en de plaats van waaruit zij hun werkzaamheden verrichten;

  6. artikel 3:46 met betrekking tot het prudentieel toezicht in de staat van de zetel;

  7. artikel 3:53, eerste en derde lid, met betrekking tot het minimum eigen vermogen;

  8. artikel 3:57, eerste en tweede lid, met betrekking tot de solvabiliteit;

  9. artikel 3:63, eerste en tweede lid, met betrekking tot de liquiditeit; en

  10. artikel 3:75 met betrekking tot een afzonderlijke boekhouding,

met dien verstande dat voor de toepassing van de onderdelen a tot en met d en i in de genoemde artikelen voor «een bank in Nederland» telkens moet worden gelezen: «het bijkantoor in Nederland van een bank met zetel in een staat die geen lidstaat is».

Lid 2

De aanvraag van de vergunning geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.

Lid 3

De Nederlandsche Bank kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van het eerste lid, aanhef en onderdeel c of d, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die de in het eerste lid genoemde artikelen beogen te bereiken anderszins worden bereikt.

Recente uitspraken

Art. 2:21 Wft is sinds 2019 in 4 uitspraken op wetboek.org gekoppeld, met name door Hoge Raad en Rb. Amsterdam.

  • ECLI:NL:HR:2020:1276 — 10-07-2020 Hoge Raad
    Prejudiciële vraag (art. 392 Rv). Vermogensrecht. Financieel recht. Is vordering van een bank uit geldlening overdraagbaar aan een niet-bank? Art. 3:83 lid 1 BW. Inhoud gecedeerde vordering. Art. 6:142 en 6:144 BW. Zorgplichten bank. Zorgplichten niet-bank. Verweermiddelen…
  • ECLI:NL:HR:2020:1274 — 10-07-2020 Hoge Raad
    Prejudiciële vraag (art. 392 Rv). Vermogensrecht. Financieel recht. Is vordering van een bank uit geldlening overdraagbaar aan een niet-bank? Art. 3:83 lid 1 BW. Inhoud gecedeerde vordering. Art. 6:142 en 6:144 BW. Zorgplichten bank. Zorgplichten niet-bank. Verweermiddelen…
  • ECLI:NL:RBAMS:2019:3918 — 29-05-2019 Rb. Amsterdam
    Prejudiciële vragen over overdraagbaarheid vordering van bank op niet-bank. Eisers in twee zaken (waarvan dit er een is) zijn cliënten van F. Van Lanschot Bankiers N.V. Op 30 september 2015 heeft Promontoria de zakelijke vastgoedleningen, die waren ondergebracht bij de Afdeling…
  • ECLI:NL:RBAMS:2019:3916 — 29-05-2019 Rb. Amsterdam
    Prejudiciële vragen over overdraagbaarheid vordering van bank op niet-bank. Eisers in twee zaken (waarvan dit er een is) zijn cliënten van F. Van Lanschot Bankiers N.V. Op 30 september 2015 heeft Promontoria de zakelijke vastgoedleningen, die waren ondergebracht bij de Afdeling…

Bron: Rechtspraak.nl — uitspraken bevatten verwijzingen naar dit artikel.