Artikel 3:9b Wet op het financieel toezicht
Lid 1
Een bank draagt, met inachtneming van artikel 91 bis, eerste tot en met vierde lid, er zorg voor dat de bij de bank werkzame medewerkers met een sleutelfunctie geschikt zijn en hun betrouwbaarheid buiten twijfel staat.
Lid 2
De betrouwbaarheid van de hoofden van de internecontrolefuncties en de financieel directeur werkzaam bij een onderneming als bedoeld in artikel 91 bis, vijfde lid, van de richtlijn kapitaalvereisten staat buiten twijfel wanneer dat eenmaal door een toezichthouder voor de toepassing van deze wet is vastgesteld, zolang niet een wijziging in de relevante feiten of omstandigheden een redelijke aanleiding geeft tot een nieuwe beoordeling. Artikel 3:9, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Lid 3
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld betreffende de geschiktheid van een persoon als bedoeld in het eerste lid.