Artikel 3a:25a Wet op het financieel toezicht
Lid 1
De Nederlandsche Bank kan, indien na toepassing van artikel 3A:21 op basis van een voorlopige waardering als bedoeld in artikel 20, tiende lid, van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, onderscheidenlijk artikel 36, negende lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, uit de definitieve waardering, bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, onderscheidenlijk artikel 3A:17, zesde lid, 3A:18, vijfde lid of 3A:19, tweede lid, blijkt dat met een beperktere vermindering van de hoofdsom van een kernkapitaalinstrument, eigendomsinstrument, relevant kapitaalinstrument of een in aanmerking komend passivum als bedoeld in het tweede lid van artikel 3A:21 had kunnen worden volstaan, de hoofdsom verhogen in overeenstemming met de definitieve waardering.
Lid 2
Indien de Nederlandsche Bank op grond van het eerste lid besluit tot verhoging van de hoofdsom van een kernkapitaalinstrument, eigendomsinstrument, relevant kapitaalinstrument of een in aanmerking komend passivum als bedoeld in het tweede lid van artikel 3A:21 die zij aanvankelijk had verminderd tot nihil, is vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van dat besluit artikel 3A:25, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.