Hoofdstuk 3. Verblijf
Artikel 8
De vreemdeling heeft in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf:
op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14;
op grond van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20, of een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen als bedoeld in artikel 45a indien op het aan de vreemdeling verschafte document, bedoeld in artikel 9, geen aantekening als bedoeld in artikel 45c, eerste lid, is geplaatst;
op grond van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28;
op grond van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen als bedoeld in artikel 45a indien op het aan de vreemdeling verschafte document, bedoeld in artikel 9, de aantekening, bedoeld in artikel 45c, eerste lid, is geplaatst;
als gemeenschapsonderdaan zolang deze onderdaan verblijf houdt op grond van een regeling krachtens het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie dan wel de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;
in afwachting van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in:
artikel 14, terwijl bij of krachtens deze wet dan wel op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is beslist, of
artikel 28, terwijl de vreemdeling overeenkomstig artikel 10, eerste lid, van de Procedureverordening het recht heeft om op het grondgebied van Nederland te verblijven totdat op de aanvraag is beslist, tenzij artikel 10, derde of vierde lid, van de Procedureverordening van toepassing is;
in afwachting van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 20 en 45a, of tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14, of een wijziging ervan, terwijl bij of krachtens deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is beslist;
in afwachting van:
de beslissing op een bezwaarschrift of een beroepschrift dat geen betrekking heeft op de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28, terwijl bij of krachtens deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op het bezwaarschrift of het beroepschrift is beslist; of
de beslissing op een bezwaarschrift of beroepschrift, terwijl overeenkomstig artikel 68, tweede of vierde lid, van de Procedureverordening sprake is van een recht om op het grondgebied van Nederland te blijven dan wel op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting of overdracht van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op het bezwaarschrift of het beroepschrift is beslist;
gedurende de vrije termijn, bedoeld in artikel 12, zolang het verblijf van de vreemdeling bij of krachtens artikel 12 is toegestaan;
indien tegen de uitzetting beletselen bestaan als bedoeld in artikel 64;
gedurende de periode waarin de vreemdeling door Onze Minister in de gelegenheid wordt gesteld aangifte te doen van overtreding van artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht;
indien de vreemdeling verblijfsrecht ontleent aan het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije;
indien de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 niet in behandeling is genomen op grond van artikel 30 terwijl hij in afwachting is van de feitelijke overdracht naar een verantwoordelijke lidstaat in de zin van de Asiel- en migratiebeheerverordening.
Artikel 9
Lid 1
Onze Minister verschaft aan de vreemdeling, die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder a, b en d, f tot en met h en j tot en met m, en aan de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder e, en gemeenschapsonderdaan is als bedoeld in artikel 1, sub 2°, 4° en 6°, een document of schriftelijke verklaring, waaruit het rechtmatig verblijf blijkt.
Lid 2
Onze Minister verschaft aan de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder c, de verblijfstitel waaruit het rechtmatig verblijf blijkt, bedoeld in:
artikel 24 van de Kwalificatieverordening, indien de vreemdeling de vluchtelingenstatus of subsidiairebeschermingsstatus heeft;
artikel 23, eerste lid, van de Kwalificatieverordening, indien de vreemdeling verblijf heeft als gezinslid van een vreemdeling die de vluchtelingenstatus of subsidiairebeschermingsstatus heeft, als bedoeld in artikel 29b;
artikel 13, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn, indien de vreemdeling verblijf heeft als bedoeld in artikel 29c, als gezinslid van een vreemdeling die de vluchtelingenstatus heeft; of
het eerste lid, indien de vreemdeling verblijf heeft als bedoeld in artikel 29d, als gezinslid van een vreemdeling die de subsidiairebeschermingsstatus heeft.
Lid 3
De geldigheidsduur van de verblijfstitel, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, vangt aan op de datum van verlening van de verblijfsvergunning asiel, bedoeld in artikel 44, tweede lid, en heeft een initiële geldigheidsduur van drie jaar. Wanneer de geldigheidsduur verstrijkt, kan deze met drie jaar worden verlengd.
Lid 4
De geldigheidsduur van de verblijfstitel, bedoeld in het tweede lid, onderdelen b, c en d, vangt aan op de datum van de verlening van de verblijfsvergunning asiel, bedoeld in artikel 44, tweede lid, en verstrijkt op dezelfde datum als waarop de verblijfstitel van de vreemdeling die de vluchtelingenstatus of de subsidiairebeschermingsstatus heeft, verstrijkt, en kan worden verlengd zolang de geldigheidsduur van de verblijfstitel die is afgegeven aan de vreemdeling die de vluchtelingenstatus of subsidiairebeschermingsstatus heeft, niet is verstreken.
Lid 5
Onze Minister verschaft aan de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder e, en gemeenschapsonderdaan is als bedoeld in artikel 1, sub 1°, 3° en 5° een document, waaruit het rechtmatig verblijf blijkt, indien de vreemdeling het duurzaam verblijfsrecht heeft verkregen als bedoeld in artikel 16 van Richtlijn nr. 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) 1612/68 en tot intrekking van Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PbEU L 158).
Lid 6
Onze Minister verschaft desgevraagd een dergelijk document of schriftelijke verklaring aan de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder i.
Lid 7
Bij de aanvraag van een beschikking anders dan op grond van deze wet legt de vreemdeling desgevraagd een kopie van het document of de schriftelijke verklaring over, dat wordt aangemerkt als een bescheid als bedoeld in artikel 4:3, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Lid 8
Onze Minister kan regels stellen over:
de bescheiden, bedoeld in het eerste, zesde en zevende lid, en kan daarbij modellen vaststellen voor de documenten en de schriftelijke verklaring;
de geldigheidsduur van de verblijfstitel, bedoeld in het tweede lid;
de gevallen waarin de verblijfstitel, bedoeld in het tweede lid, in afwijking van het derde en vierde lid, een kortere geldigheidsduur dan drie jaren heeft;
de administratieve formaliteiten voor verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfstitel, bedoeld in het tweede lid, ter uitvoering van:
artikel 24, vierde lid, van de Kwalificatieverordening met betrekking tot onderdeel a;
artikel 23, tweede lid, van de Kwalificatieverordening met betrekking tot onderdeel b;
artikel 13, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn met betrekking tot onderdeel c;
de administratieve formaliteiten voor verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfstitel, bedoeld in het tweede lid, onderdeel d; of
de vergoeding, bedoeld in artikel 24, derde lid, van de Kwalificatieverordening.
Lid 9
Het verstrijken van de geldigheidsduur van de verblijfstitel heeft niet tot gevolg dat de verblijfsvergunning asiel vervalt indien deze op dat moment niet is ingetrokken.
Artikel 9a
Vervallen
Artikel 10
Lid 1
De vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft, kan geen aanspraak maken op toekenning van verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen bij wege van een beschikking van een bestuursorgaan. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op de bij de wet of algemene maatregel van bestuur aangewezen ontheffingen of vergunningen.
Lid 2
Van het eerste lid kan worden afgeweken indien de aanspraak betrekking heeft op het onderwijs, de verlening van medisch noodzakelijke zorg, de voorkoming van inbreuken op de volksgezondheid, of de rechtsbijstand aan de vreemdeling.
Lid 3
De toekenning van aanspraken geeft geen recht op rechtmatig verblijf.
Artikel 11
Lid 1
De aanspraken van de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft zijn in overeenstemming met de aard van het verblijf. Tenzij bij of krachtens het wettelijk voorschrift waarop de aanspraak is gegrond anders is bepaald, is daarbij het tweede lid van toepassing.
Lid 2
De vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, kan aanspraken maken op voorzieningen, verstrekkingen en uitkeringen, indien hij:
rechtmatig verblijf heeft, als bedoeld in artikel 8, onder a, tot en met e en l;
rechtmatig verblijf heeft, als bedoeld in artikel 8, onder f, g, h, en een aanspraak wordt toegekend bij of krachtens de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers, dan wel bij of krachtens een ander wettelijk voorschrift, waarin aanspraken van deze vreemdelingen zijn neergelegd;
rechtmatig verblijf heeft, als bedoeld in artikel 8, onder i tot en met k, voor de aanspraken die uitdrukkelijk aan deze vreemdelingen zijn toegekend.
Lid 3
Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de bij wet of algemene maatregel van bestuur aangewezen ontheffingen of vergunningen.
Lid 4
Het COA, bedoeld in artikel 2 van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers, is bevoegd de vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, de verplichting op te leggen deel te nemen aan cursussen gericht op het verwerven van mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal en kennis van de Nederlandse maatschappij als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Wet inburgering 2021.
Lid 5
Indien het COA een verplichting als bedoeld in het vierde lid heeft opgelegd en de vreemdeling deze verplichting niet of onvoldoende nakomt, is het COA bevoegd materiële voorzieningen te beperken of in te trekken.
Lid 6
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gegeven over:
de aard en omvang van de op te leggen maatregelen;
de voorwaarden die aan inperking of intrekking van de voorzieningen kunnen worden verbonden;
de duur van de maatregelen;
de gevolgen voor de vreemdeling, indien deze alsnog voldoet aan de opgelegde verplichtingen.
Artikel 12
Lid 1
Het is aan de vreemdeling die bij binnenkomst heeft voldaan aan de verplichtingen waaraan een persoon bij grensoverschrijding is onderworpen, gedurende een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen termijn toegestaan in Nederland te verblijven, zolang hij:
de bij of krachtens deze wet gestelde regels in acht neemt;
beschikt over voldoende middelen om te voorzien zowel in de kosten van zijn verblijf in Nederland als in die van zijn reis naar een plaats buiten Nederland waar zijn toegang gewaarborgd is;
geen arbeid voor een werkgever verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen;
geen gevaar oplevert voor de openbare orde of de nationale veiligheid.
Lid 2
De termijn, bedoeld in het eerste lid, wordt ten hoogste op 360 dagen bepaald. Voor bij algemene maatregel van bestuur te onderscheiden categorieën van vreemdelingen kunnen verschillende termijnen worden vastgesteld.
Artikel 13
Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning wordt slechts ingewilligd indien:
internationale verplichtingen daartoe nopen;
met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang is gediend, of
klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen.
Artikel 14
Lid 1
Onze Minister is bevoegd:
de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen;
de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur ervan in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen;
een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd op aanvraag of ambtshalve te wijzigen wegens veranderde omstandigheden;
een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in te trekken;
ambtshalve een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd te verlenen dan wel de geldigheidsduur ervan te verlengen.
Lid 2
Onze Minister verleent de houder van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf binnen twee weken nadat deze zich overeenkomstig artikel 54, eerste lid, onder e, heeft aangemeld, ambtshalve een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder dezelfde beperking als die waaronder de machtiging tot voorlopig verblijf is verleend.
Lid 3
Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder beperkingen, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de ambtshalve verlening, wijziging en verlenging, de beperkingen en de voorschriften.
Lid 4
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend voor ten hoogste vijf achtereenvolgende jaren. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning en de verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning.
Artikel 14a
Onze Minister besluit niet over de verlening, verlenging of intrekking van een gecombineerde vergunning dan nadat hij advies heeft gevraagd aan de instantie, bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Wet arbeid vreemdelingen. Deze instantie adviseert over de vraag of is voldaan aan de Wet arbeid vreemdelingen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, onder f, artikel 18, eerste lid, onder g en artikel 19. Onze Minister is niet verplicht om advies te vragen indien de verblijfsvergunning wordt geweigerd of ingetrokken op grond van een andere afwijzings- of intrekkingsgrond, bedoeld in artikel 16, 18 of 19.
Artikel 15
In de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 14, derde lid, wordt bepaald, dat de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14, kan worden verleend onder een beperking verband houdend met verblijf als familie- of gezinslid aan gezinsleden van Nederlanders en vreemdelingen die rechtmatig verblijven als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l.
Artikel 16
Lid 1
Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 kan worden afgewezen indien:
de vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd;
de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding;
de vreemdeling niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan dan wel, indien de persoon bij wie de vreemdeling wil verblijven, niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan;
de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid;
de vreemdeling niet bereid is om medewerking te verlenen aan een medisch onderzoek naar een ziekte aangewezen bij of krachtens de Wet publieke gezondheid, ter bescherming van de volksgezondheid of een medische behandeling tegen een dergelijke ziekte te ondergaan;
de vreemdeling voor een werkgever arbeid verricht, zonder dat aan de Wet arbeid vreemdelingen is voldaan;
de vreemdeling niet voldoet aan de beperking, verband houdende met het doel waarvoor hij wil verblijven;
de vreemdeling, die niet behoort tot een der categorieën, bedoeld in artikel 17, eerste lid, na verkrijging van rechtmatig verblijf in Nederland inburgeringsplichtig zou zijn op grond van de artikelen 3 en 4 van de Wet inburgering 2021 en niet beschikt over kennis op basisniveau van de Nederlandse taal en de Nederlandse maatschappij;
de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van een eerdere aanvraag tot het verlenen, verlengen of wijzigen van een visum of een verblijfsvergunning hebben geleid of zouden hebben geleid;
de vreemdeling in Nederland verblijf heeft gehouden, anders dan op grond van artikel 8.
ten behoeve van het verblijf van de vreemdeling geen verklaring van een referent is overgelegd als bedoeld in artikel 2a, tweede lid.
Lid 2
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de toepassing van de gronden, bedoeld in het eerste lid.
Lid 3
Het eerste lid, onder h, is niet van toepassing op de vreemdeling die de Surinaamse nationaliteit bezit en die met bij ministeriële regeling vastgestelde bescheiden heeft aangetoond in Suriname of Nederland lager onderwijs in de Nederlandse taal te hebben gevolgd.
Artikel 16a
Lid 1
De aanvraag tot het wijzigen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 kan worden afgewezen:
op de gronden, bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdelen b tot en met g en k; of
indien de vreemdeling niet heeft voldaan aan het bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen inburgeringsvereiste.
Lid 2
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de toepassing van de gronden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.
Lid 3
Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, worden in ieder geval regels gesteld omtrent de inhoud van het inburgeringstraject en het te behalen niveau, alsmede omtrent de vrijstellingen en ontheffingen.
Artikel 17
Lid 1
Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 wordt niet afgewezen wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf, indien het betreft:
de vreemdeling die de nationaliteit bezit van één der door bij regeling van Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Buitenlandse Zaken aan te wijzen landen;
de gemeenschapsonderdaan, voorzover niet reeds vrijgesteld op grond van een aanwijzing als bedoeld onder a;
de vreemdeling voor wie het gelet op diens gezondheidstoestand niet verantwoord is om te reizen;
de vreemdeling die slachtoffer of getuige-aangever is van mensenhandel;
de vreemdeling die onmiddellijk voorafgaande aan de aanvraag in het bezit was van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28;
de vreemdeling die tijdig een aanvraag heeft ingediend tot wijziging van een verblijfsvergunning;
de vreemdeling die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie;
een langdurig ingezetene uit een andere EU-lidstaat, dan wel diens echtgenoot of minderjarig kind ingeval het gezin reeds was gevormd in die andere lidstaat.
Lid 2
De voordracht voor een krachtens het eerste lid, onder g, vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet gedaan dan nadat een ontwerp in de Staatscourant is bekendgemaakt en aan een ieder de gelegenheid is geboden om binnen vier weken na de dag waarop de bekendmaking is geschied, wensen en bedenkingen ter kennis van Onze Minister te brengen. Gelijktijdig met de bekendmaking wordt het ontwerp aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd.
Artikel 17a
Lid 1
Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 wordt niet afgewezen met toepassing van artikel 16, eerste lid, onderdeel j, indien het betreft:
de vreemdeling die direct voorafgaand aan de aanvraag rechtmatig verblijf heeft gehad op grond van artikel 8, onder j;
de vreemdeling die in aanmerking komt voor verblijf onder een beperking als bedoeld in artikel 15;
de vreemdeling die minderjarig en alleenstaand is;
de vreemdeling die als slachtoffer of getuige-aangever als bedoeld in artikel 17, eerste lid, onder d, direct voorafgaand aan de aanvraag verblijf heeft gehad op grond van artikel 8, onder a, en in aanmerking komt voor verblijf onder een andere beperking.
Lid 2
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere categorieën worden aangewezen waarin de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, niet wordt afgewezen, op grond dat de toepassing van artikel 16, eerste lid, onder j, van een onevenredige hardheid zou kunnen getuigen.
Artikel 18
Lid 1
Een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 kan worden afgewezen indien:
de houder daarvan zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft gevestigd;
de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding;
de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid;
de vreemdeling niet meer zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan dan wel de persoon bij wie de vreemdeling verblijft niet meer zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan;
de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid;
niet wordt voldaan aan de beperking waaronder de vergunning is verleend of een voorschrift dat aan de vergunning is verbonden;
de vreemdeling voor een werkgever arbeid verricht, zonder dat aan de Wet arbeid vreemdelingen is voldaan;
ten behoeve van het verblijf van de vreemdeling geen verklaring van een referent is overgelegd als bedoeld in artikel 2a, tweede lid;
de vreemdeling niet heeft voldaan aan de inburgeringsplicht, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet inburgering 2021.
Lid 2
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de toepassing van de gronden, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 19
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan worden ingetrokken op de gronden bedoeld in artikel 18, eerste lid, met uitzondering van onderdeel b, en wordt ingetrokken indien aan de houder daarvan ambtshalve een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 3°, wordt verleend.
Artikel 20
Lid 1
Onze Minister is bevoegd:
de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen;
een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd in te trekken;
ambtshalve een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd te verlenen aan de vreemdeling wiens EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen op grond van artikel 45d is ingetrokken.
Lid 2
Een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd wordt niet onder beperkingen verleend. Aan de vergunning worden geen voorschriften verbonden.
Artikel 21
Lid 1
De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 van de vreemdeling die direct voorafgaande aan de aanvraag, gedurende vijf achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf heeft genoten als bedoeld in artikel 8, onder a, c, e, l, dan wel op grond van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen, kan slechts worden afgewezen indien de vreemdeling:
al of niet tezamen met het gezinslid bij wie hij verblijft, niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan;
onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de aanvraag tot het verlenen, wijzigen of verlengen zouden hebben geleid;
bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd, dan wel hem ter zake de maatregel, bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht, is opgelegd;
een gevaar vormt voor de nationale veiligheid;
zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft gevestigd;
op de dag waarop de aanvraag is ontvangen, een verblijfsrecht van tijdelijke aard heeft; of
niet heeft voldaan aan het bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen inburgeringsvereiste.
Lid 2
In afwijking van het eerste lid, wordt de aanvraag niet afgewezen op grond van het eerste lid, onder a, indien de vreemdeling gedurende een tijdvak van tien aaneengesloten jaren rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a of l, of op grond van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen heeft gehad.
Lid 3
In afwijking van het eerste lid, wordt de aanvraag niet afgewezen op grond van het eerste lid, onder a, indien de vreemdeling als minderjarige onder een beperking verband houdende met gezinshereniging rechtmatig verblijf heeft gehad en sindsdien zijn hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft verplaatst en inmiddels 18 jaar is, tenzij de gezinsband werd verbroken binnen een jaar na verlening van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14.
Lid 4
Indien de vreemdeling in Nederland is geboren dan wel reeds voor zijn vierde levensjaar in Nederland verbleef en sindsdien zijn hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft verplaatst en inmiddels 18 jaar is, kan de aanvraag in afwijking van het eerste lid slechts worden afgewezen op grond van het eerste lid, onder c of d. In afwijking van het eerste lid, behoeft het rechtmatig verblijf van de vreemdeling niet aaneengesloten te zijn. De aanvraag kan slechts worden afgewezen op grond van het eerste lid, onder c, indien de vreemdeling bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld voor een misdrijf als bedoeld in artikel 22b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht of een misdrijf uit de Opiumwet waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaar of meer is gesteld.
Lid 5
Onder een tijdvak als bedoeld in het eerste en tweede lid van dit artikel wordt verstaan een tijdvak onmiddellijk voorafgaande aan de dag waarop de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd is aangevraagd. Voor de berekening van het tijdvak wordt de periode van rechtmatig verblijf in Nederland vóór het bereiken van de achtjarige leeftijd buiten beschouwing gelaten.
Lid 6
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de gronden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met f. Daarbij kunnen andere gevallen dan bedoeld in het eerste tot en met vierde lid worden aangewezen waarin een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 kan worden verleend.
Lid 7
Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, onderdeel g, worden in ieder geval regels gesteld omtrent de inhoud van het inburgeringstraject en het te behalen niveau, alsmede omtrent de vrijstellingen en ontheffingen.
Artikel 21a
Vervallen
Artikel 22
Lid 1
De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 20, kan worden ingetrokken indien:
de houder daarvan zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft gevestigd;
de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de aanvraag tot het verlenen, wijzigen of verlengen zouden hebben geleid;
de houder daarvan bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd, dan wel hem terzake de maatregel, bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht, is opgelegd; of
de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid.
Lid 2
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de gronden, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 23
Lid 1
De aanvraag tot het verlenen, verlengen of wijzigen van een verblijfsvergunning wordt ingediend door de vreemdeling, zijn wettelijk vertegenwoordiger of zijn referent.
Lid 2
In afwijking van het eerste lid wordt de aanvraag in bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaalde gevallen ingediend door de vreemdeling, zijn wettelijk vertegenwoordiger of zijn erkende referent.
Lid 3
In afwijking van artikel 2:1, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en in afwijking van het eerste en tweede lid, wordt de aanvraag in bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaalde gevallen ingediend door de vreemdeling of zijn wettelijk vertegenwoordiger in persoon.
Artikel 24
Lid 1
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent:
de wijze van indiening en behandeling van een aanvraag;
het al dan niet in persoon door de vreemdeling, diens wettelijk vertegenwoordiger of diens referent verstrekken van gegevens welke van belang zijn voor de aanvraag;
de wijze waarop beschikkingen bij of krachtens deze wet ten aanzien van de vreemdeling gegeven, alsmede de bij of krachtens deze wet voorgeschreven kennisgevingen, mededelingen of berichten aan de vreemdeling, de referent of aan andere belanghebbenden worden bekendgemaakt. Daarbij kan worden bepaald, dat de bekendmaking van beschikkingen ook kan geschieden door middel van het toezenden of uitreiken van een document en door het stellen van aantekeningen in een daarbij aan te wijzen document.
Lid 2
De vreemdeling is, in door Onze Minister te bepalen gevallen en volgens door Onze Minister te geven regels, leges verschuldigd terzake van de afdoening van een aanvraag. Daarbij kan Onze Minister tevens bepalen dat de vreemdeling voor de afgifte van een document waaruit het rechtmatig verblijf blijkt leges verschuldigd is. Als betaling achterwege blijft, wordt de aanvraag niet in behandeling genomen dan wel het document niet afgegeven. Artikel 4:5, vierde lid, Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.
Artikel 24a
Lid 1
Gegevens en bescheiden worden niet verkregen van de vreemdeling of diens referent, voor zover:
Onze Minister die gegevens of bescheiden kan verkrijgen uit bij regeling van Onze Minister aan te wijzen administraties, tenzij hierdoor een goede uitvoering van de wet wordt belet, of
de aanvraag is ingediend door de erkende referent, en deze omtrent die gegevens en bescheiden eigen verklaringen heeft overgelegd.
Lid 2
De eigen verklaringen, bedoeld in het eerste lid, onder b, worden volledig en naar waarheid opgesteld.
Lid 3
De aanvrager verstrekt Onze Minister op diens verzoek en al dan niet in persoon alsnog de gegevens en bescheiden, die van belang zijn voor de beoordeling van de aanvraag. De aanvrager van een gecombineerde vergunning verstrekt Onze Minister de gegevens en bescheiden op basis waarvan kan worden beoordeeld of aan de Wet arbeid vreemdelingen is voldaan.
Lid 4
Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld omtrent de gegevens en bescheiden waarop het eerste lid, onder a, van toepassing is, en kunnen regels worden gesteld omtrent:
de administraties of delen daarvan waarvoor het eerste lid, onder a, tijdelijk niet van toepassing is;
de eigen verklaringen, bedoeld in het eerste lid, onder b;
de toepassing van het derde lid.
Artikel 25
Lid 1
Binnen 90 dagen wordt een beschikking gegeven op de aanvraag tot:
het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14;
het verlengen van de geldigheidsduur ervan;
het wijzigen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14;
het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20.
Lid 2
De termijn voor het geven van de beschikking, bedoeld in het eerste lid, kan ten hoogste voor zes maanden worden verlengd indien naar het oordeel van Onze Minister voor de beoordeling van de aanvraag advies van of onderzoek door derden of het openbaar ministerie, nodig is.
Lid 3
Onze Minister stelt de vreemdeling in kennis van de verlenging.
Lid 4
Indien de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 is ingediend door een langdurig ingezetene uit een andere lidstaat van de Europese Unie of diens gezinslid, wordt de beschikking in afwijking van het eerste lid gegeven binnen vier maanden, welke termijn in afwijking van het tweede lid in bijzondere gevallen verband houdende met de complexiteit van de aanvraag, voor ten hoogste drie maanden kan worden verlengd. Indien de langdurig ingezetene of het gezinslid krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht is uitgenodigd de aanvraag aan te vullen, wordt de beschikking gegeven binnen zeven maanden.
Lid 5
In afwijking van het eerste en tweede lid wordt de beschikking op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 onder een beperking verband houdend met verblijf als houder van de Europese blauwe kaart of overplaatsing binnen een onderneming bekend gemaakt binnen 90 dagen en kan die termijn niet worden verlengd.
Lid 6
In afwijking van het eerste en tweede lid wordt de beschikking op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 onder een beperking verband houdend met wetenschappelijk onderzoek, studie, lerend werken of uitwisseling in het kader van Europees vrijwilligerswerk bekendgemaakt binnen 60 dagen en kan die termijn niet worden verlengd.
Artikel 26
Lid 1
De verblijfsvergunning, die van rechtswege rechtmatig verblijf inhoudt, wordt verleend met ingang van de dag waarop de vreemdeling heeft aangetoond dat hij aan alle voorwaarden voldoet, maar niet eerder dan met ingang van de dag waarop de aanvraag is ontvangen.
Lid 2
De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 wordt verlengd met ingang van de dag waarop de vreemdeling heeft aangetoond dat hij aan alle voorwaarden voldoet, maar niet eerder dan met ingang van de dag na die waarop de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning waarvoor verlenging is gevraagd afloopt.
Lid 3
Indien de vreemdeling de aanvraag tot verlenging, dan wel de gegevens waaruit blijkt dat aan de voorwaarden wordt voldaan niet tijdig heeft ingediend en hem dit niet is toe te rekenen, kan de verblijfsvergunning worden verlengd met ingang van de dag na die waarop de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning waarvoor verlenging is gevraagd afloopt.
Artikel 27
Lid 1
De beschikking waarbij een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 of een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 wordt afgewezen, geldt als terugkeerbesluit, tenzij reeds eerder een terugkeerbesluit tegen de vreemdeling is uitgevaardigd en aan de daaruit voortvloeiende terugkeerverplichting niet is voldaan, en heeft van rechtswege tot gevolg dat:
de vreemdeling niet langer rechtmatig verblijf heeft tenzij er een andere rechtsgrond voor rechtmatig verblijf van toepassing is;
de vreemdeling Nederland uit eigen beweging dient te verlaten binnen de in artikel 62 gestelde termijn, bij gebreke waarvan de vreemdeling kan worden uitgezet, en
de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen, na ommekomst van de termijn waarbinnen de vreemdeling Nederland uit eigen beweging dient te verlaten, bevoegd zijn elke plaats te betreden, daaronder begrepen een woning, zonder de toestemming van de bewoner, teneinde de vreemdeling uit te zetten.
Lid 2
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien:
ingevolge artikel 24 of ingevolge artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht is besloten dat de aanvraag niet in behandeling wordt genomen;
het rechtmatig verblijf van rechtswege is geëindigd;
een verblijfsvergunning is ingetrokken of de geldigheidsduur ervan niet is verlengd.
Lid 3
De gevolgen, bedoeld in het eerste lid, treden niet in indien de vreemdeling bezwaar of beroep heeft ingesteld en de werking van de beschikking is opgeschort.
Lid 4
De beschikking, bedoeld in het eerste lid, kan tevens een inreisverbod inhouden.
Lid 5
In afwijking van het eerste lid, aanhef, geldt de beschikking waarbij een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 of een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 wordt afgewezen, niet als terugkeerbesluit, indien dat niet in overeenstemming is met de Terugkeerrichtlijn en het beginsel van non-refoulement.
Artikel 27a
Lid 1
Overeenkomstig artikel 4, eerste en derde lid, van de Procedureverordening is Onze Minister als beslissingsautoriteit en bevoegde autoriteit belast met de uitoefening van de taken en bevoegdheden die aan die autoriteiten worden toegekend door de Procedureverordening, de Asiel- en migratiebeheerverordening en de Kwalificatieverordening.
Lid 2
Overeenkomstig artikel 4, tweede lid, van de Procedureverordening zijn belast met de uitoefening van de daarin opgenomen taken en bevoegdheden:
Onze Minister;
Onze Minister van Justitie en Veiligheid;
de korpschef;
het Centraal Orgaan opvang asielzoekers;
de ambtenaren bedoeld in de artikelen 46, eerste lid, en 47, eerste lid.
Lid 3
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de toekenning van taken en bevoegdheden uit de Procedureverordening, de Asiel- en migratiebeheerverordening en de Kwalificatieverordening.
Artikel 28
Lid 1
Onze Minister is bevoegd:
de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel in te willigen, af te wijzen, niet in behandeling te nemen, niet-ontvankelijk te verklaren dan wel buiten behandeling te stellen;
een verblijfsvergunning asiel in te trekken;
ambtshalve een verblijfsvergunning asiel te verlenen aan:
het gezinslid van een vreemdeling die de vluchtelingenstatus heeft, die voldoet aan de in artikel 29c gestelde voorwaarden en die houder is van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf;
het gezinslid van een vreemdeling die de subsidiairebeschermingsstatus heeft, die voldoet aan de in artikel 29d gestelde voorwaarden en die houder is van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf; of
de langdurig ingezetene, afkomstig uit een andere EU-lidstaat en in het bezit van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14, indien de verantwoordelijkheid voor de afgifte van het reisdocument bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder d, van de Paspoortwet, aan de vreemdeling, is overgedragen aan Nederland op grond van de Europese Overeenkomst inzake de overdracht van verantwoordelijkheid met betrekking tot vluchtelingen van 16 oktober 1980 (Trb. 1981, 239).
Lid 2
De verblijfsvergunning die ambtshalve wordt verleend in de situatie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, subonderdelen 1° en 2°, wordt verleend binnen twee weken nadat de houder van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf zich overeenkomstig artikel 54, eerste lid, onderdeel e, heeft aangemeld.
Artikel 29
Lid 1
Overeenkomstig artikel 39, tweede lid, van de Procedureverordening kan Onze Minister een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 verlenen aan de vreemdeling die op grond van de hoofdstukken II en III, van de Kwalificatieverordening in aanmerking komt voor de vluchtelingenstatus, bedoeld in artikel 13 van de Kwalificatieverordening.
Lid 2
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel.
Artikel 29a
Lid 1
Overeenkomstig artikel 39, tweede lid, van de Procedureverordening kan Onze Minister een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 aan de vreemdeling verlenen die op grond van de hoofdstukken II en V, van de Kwalificatieverordening in aanmerking komt voor de subsidiairebeschermingsstatus, bedoeld in artikel 18 van de Kwalificatieverordening.
Lid 2
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel.
Artikel 29b
Lid 1
Onze Minister kan een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 aan de vreemdeling verlenen die overeenkomstig artikel 23, eerste lid, van de Kwalificatieverordening in aanmerking komt voor verblijf als gezinslid van een vreemdeling die de vluchtelingenstatus of de subsidiairebeschermingsstatus heeft.
Lid 2
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel.
Lid 3
Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op het verblijf van gezinsleden als bedoeld in artikel 9, zestiende lid, van de Hervestigingsverordening.
Artikel 29c
Lid 1
Onze Minister kan krachtens artikel 13 van de Gezinsherenigingsrichtlijn een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 verlenen aan de hierna te noemen gezinsleden van de vreemdeling die de vluchtelingenstatus heeft, indien deze op het tijdstip van binnenkomst van die vreemdeling behoorden tot diens gezin en zijn nagereisd binnen drie maanden nadat aan die vreemdeling de verblijfsvergunning asiel, bedoeld in artikel 28, is verleend, dan wel binnen die drie maanden door of ten behoeve van dat gezinslid een machtiging tot voorlopig verblijf is aangevraagd:
de meerderjarige echtgenoot;
het biologische of geadopteerde minderjarige kind;
de ouders, indien die vreemdeling een alleenstaande minderjarige is;
de minderjarige broer of zus, indien die vreemdeling een alleenstaande minderjarige is, die broer of zus gelijktijdig met een ouder, bedoeld in onderdeel c, de aanvraag heeft ingediend en ten laste komt van die ouder.
Lid 2
De verblijfsvergunning asiel wordt niet geweigerd indien de overschrijding van de in het eerste lid bedoelde termijn op grond van bijzondere omstandigheden objectief verschoonbaar is.
Lid 3
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel.
Artikel 29d
Lid 1
Onze Minister kan een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 verlenen aan de gezinsleden, genoemd in artikel 29c, eerste lid, van de vreemdeling die de subsidiairebeschermingsstatus heeft, indien dat gezinslid op het tijdstip van binnenkomst van die vreemdeling tot diens gezin behoorde.
Lid 2
De verblijfsvergunning asiel, bedoeld in het eerste lid, kan worden geweigerd, indien:
nog geen twee jaar zijn verstreken sinds de verlening van de verblijfsvergunning asiel, bedoeld in artikel 29a, aan de vreemdeling, bedoeld in het eerste lid;
de vreemdeling niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan;
de vreemdeling niet over huisvesting beschikt, waaronder mede wordt verstaan het verblijf op een doorstroomlocatie.
Lid 3
Het tweede lid, onderdelen b en c, is niet van toepassing indien de vreemdeling een alleenstaande minderjarige is.
Lid 4
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel. Daarbij wordt bepaald in welke gevallen een verblijfsvergunning asiel wordt verleend.
Artikel 30
Lid 1
Onze Minister neemt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28, overeenkomstig artikel 39, eerste lid, onderdeel a, van de Procedureverordening, niet in behandeling wanneer op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
Lid 2
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de toepassing van het eerste lid.
Artikel 30a
Lid 1
Onze Minister kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 niet-ontvankelijk verklaren in de gevallen, bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de Procedureverordening en verklaart de aanvraag niet-ontvankelijk in de gevallen, bedoeld in artikel 38, tweede lid, van de Procedureverordening.
Lid 2
Het besluit een aanvraag niet-ontvankelijk te verklaren, wordt voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens deze wet gelijkgesteld met een afwijzing.
Lid 3
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de toepassing van het eerste lid.
Artikel 30b
Lid 1
Onze Minister kan een ongegronde aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 overeenkomstig artikel 39, vierde lid, van de Procedureverordening afwijzen als kennelijk ongegrond, indien op het tijdstip van afronding van de behandeling een van de gevallen bedoeld in artikel 42, eerste en derde lid, van de Procedureverordening van toepassing is.
Lid 2
Onze Minister kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 afwijzen als kennelijk ongegrond, indien reeds is vastgesteld dat de vreemdeling niet in aanmerking komt voor internationale bescherming op grond van de Kwalificatieverordening, overeenkomstig:
artikel 40, vierde lid, van de Procedureverordening in de fase waarin de aanvraag expliciet wordt ingetrokken; of
artikel 41, eerste en vijfde lid, van de Procedureverordening op het ogenblik waarop de aanvraag impliciet wordt ingetrokken.
Lid 3
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de toepassing van dit artikel.
Artikel 30c
Lid 1
Onze Minister kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 buiten behandeling stellen als:
expliciet ingetrokken overeenkomstig artikel 40 van de Procedureverordening; of
impliciet ingetrokken overeenkomstig artikel 41 van de Procedureverordening.
Lid 2
Het besluit een aanvraag buiten behandeling te stellen, wordt voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens deze wet gelijkgesteld met een afwijzing.
Lid 3
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de toepassing van het eerste en tweede lid.
Artikel 31
Lid 1
Onze Minister kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 29, 29a of 29b, overeenkomstig artikel 39, derde lid, van de Procedureverordening afwijzen als ongegrond, indien de aanvrager op grond van de Kwalificatieverordening niet in aanmerking komt voor:
de vluchtelingenstatus, bedoeld in artikel 13 van de Kwalificatieverordening;
de subsidiairebeschermingsstatus, bedoeld in artikel 18 van de Kwalificatieverordening; of
verblijf als gezinslid, als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de Kwalificatieverordening.
Lid 2
Onze Minister kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 29c of 29d afwijzen, indien niet wordt voldaan aan de daarin gestelde voorwaarden.
Lid 3
Onze Minister kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 afwijzen als ongegrond, indien reeds is vastgesteld dat de vreemdeling niet in aanmerking komt voor internationale bescherming op grond van de Kwalificatieverordening, overeenkomstig:
artikel 40, vierde lid, van de Procedureverordening in de fase waarin de aanvraag expliciet wordt ingetrokken; of
artikel 41, eerste en vijfde lid, van de Procedureverordening op het ogenblik waarop de aanvraag impliciet wordt ingetrokken.
Lid 4
Een aanvraag van een gezinslid als bedoeld in artikel 29c, eerste lid, tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in de artikelen 29c of 29d, kan worden afgewezen, indien gezinshereniging mogelijk is in een derde land waarmee de vreemdeling die de vluchtelingenstatus of de subsidiairebeschermingsstatus heeft of het desbetreffende gezinslid bijzondere banden heeft.
Lid 5
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de toepassing van dit artikel.
Artikel 31a
Vervallen
Artikel 32
Lid 1
Onze Minister trekt de verblijfsvergunning asiel, bedoeld in artikel 29, in overeenkomstig de artikelen 65 en 66 van de Procedureverordening op grond van artikel 14 van de Kwalificatieverordening.
Lid 2
Onze Minister trekt de verblijfsvergunning asiel, bedoeld in artikel 29a, in overeenkomstig de artikelen 65 en 66 van de Procedureverordening op grond van artikel 19 van de Kwalificatieverordening.
Lid 3
Bij toepassing van het eerste, tweede of zesde lid, trekt Onze Minister gelijktijdig de verblijfsvergunning asiel, bedoeld in de artikelen 29b, 29c of 29d, in die is verleend aan het gezinslid van de vreemdeling wiens verblijfsvergunning asiel met toepassing van het eerste of tweede lid is ingetrokken of ten aanzien van wie toepassing is gegeven aan het zesde lid.
Lid 4
Onze Minister kan de verblijfsvergunning asiel, bedoeld in artikel 29b, voorts intrekken in de gevallen bedoeld in artikel 23, derde tot en met vijfde lid, van de Kwalificatieverordening.
Lid 5
Onze Minister kan de verblijfsvergunning asiel, bedoeld in de artikelen 29c en 29d voorts intrekken, indien:
de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen zouden hebben geleid;
de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid;
de gronden voor verlening, bedoeld in de artikelen 29c of 29d, zijn komen te vervallen;
het gezinslid niet of niet langer een werkelijk huwelijks- of gezinsleven onderhoudt met de vreemdeling die internationale bescherming geniet en die houder is van de verblijfsvergunning asiel, bedoeld in de artikelen 29 of 29a.
Lid 6
Bij de afsluiting, bedoeld in artikel 66, zesde lid, van de Procedureverordening, vermeldt Onze Minister dat in het dossier van de vreemdeling en vermeldt hij daarbij de rechtsgrond voor die afsluiting.
Lid 7
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over dit artikel.
Artikel 32a
Bij regeling van Onze Minister kunnen overeenkomstig artikel 64, eerste lid, van de Procedureverordening met het oog op de behandeling van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 landen als veilig derde land of als veilig land van herkomst worden aangewezen, voor zover dat andere landen zijn dan die welke op het niveau van de Unie als zodanig zijn aangewezen.
Artikel 33
Vervallen
Artikel 34
Vervallen
Artikel 35
Vervallen
Artikel 36
Lid 1
De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 wordt, in afwijking van artikel 2:1, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, ingediend door de vreemdeling of zijn wettelijk vertegenwoordiger.
Lid 2
Overeenkomstig artikel 19 van de Procedureverordening en artikel 21 van de Asiel- en migratiebeheerverordening worden bij regeling van Onze Minister regels gesteld over:
de erkenning of toelating van juridisch adviseurs of andere counselors die de vreemdeling tijdens de behandeling van de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 kosteloze juridische counseling verstrekken, bijstaan of vertegenwoordigen;
de accreditatie van niet-gouvernementele organisaties die deze vreemdeling juridische diensten of vertegenwoordiging bieden; en
de procedurele regels voor de indiening en behandeling van verzoeken om kosteloze juridische counseling en wettelijke vertegenwoordiging, waaronder regels over het uitsluiten of beperken daarvan.
Artikel 37
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden ter uitvoering van de Procedureverordening en de Asiel- en migratiebeheerverordening regels gesteld omtrent:
de wijze van indiening en behandeling van een aanvraag;
de procedure voor de behandeling van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28, indien dat noodzakelijk is ter uitvoering van de Procedureverordening of de Asiel- en migratiebeheerverordening;
de wijze waarop beschikkingen bij of krachtens deze wet ten aanzien van de vreemdeling gegeven, alsmede de bij of krachtens deze wet voorgeschreven kennisgevingen, mededelingen of berichten aan de vreemdeling of aan andere belanghebbenden worden bekendgemaakt. Daarbij kan worden bepaald, dat de bekendmaking van beschikkingen ook kan geschieden door middel van het toezenden of uitreiken van een document en door het stellen van aantekeningen in een daarbij aan te wijzen document.
Artikel 38
Lid 1
Indien de vreemdeling in de gelegenheid wordt gesteld zich omtrent de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning of het verlengen van de geldigheidsduur ervan te doen horen, wordt de vreemdeling gehoord in een taal waaraan de vreemdeling de voorkeur geeft, tenzij er een andere taal kan worden gebruikt die hij begrijpt en waarin hij helder kan communiceren.
Lid 2
Bij of direct na de indiening van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning wijst Onze Minister de vreemdeling erop dat hij elementen en bevindingen aannemelijk moet maken die hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere elementen en bevindingen, een rechtsgrond voor de verlening of verlenging van de vergunning vormen. Daarbij wordt hij erop gewezen dat hij daartoe verklaringen moet afleggen en alle bewijsmiddelen waarover hij beschikt of redelijkerwijs de beschikking kan krijgen moet overleggen.
Lid 3
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het tweede lid.
Artikel 39
De artikelen 4:7 en 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht zijn niet van toepassing op de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28.
Artikel 40
Vervallen
Artikel 41
Lid 1
Indien Onze Minister voornemens is de verblijfsvergunning asiel, bedoeld in de artikelen 29 of 29a, in te trekken, wordt de vreemdeling hiervan overeenkomstig artikel 66, eerste lid, van de Procedureverordening onder opgave van redenen schriftelijk in kennis gesteld.
Lid 2
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien Onze Minister voornemens is de verblijfsvergunning asiel, bedoeld in de artikelen 29b, 29c of 29d, in te trekken.
Lid 3
De kennisgeving kan eveneens betrekking hebben op het voornemen om niet ambtshalve een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 te verlenen dan wel op het voornemen om de uitzetting of overdracht niet op grond van artikel 64 achterwege te laten. Het schriftelijke voornemen wordt aan de vreemdeling medegedeeld door uitreiking of toezending ervan. De op het voornemen tot intrekking betrekking hebbende stukken worden bij de schriftelijke mededeling gevoegd, voor zover de vreemdeling geen kennis kan hebben van de inhoud van deze stukken.
Lid 4
De vreemdeling brengt zijn zienswijze in afwijking van artikel 4:9 van de Algemene wet bestuursrecht schriftelijk naar voren binnen de door Onze Minister bepaalde redelijke termijn.
Lid 5
Indien Onze Minister, na ontvangst van de zienswijze van de vreemdeling, voornemens blijft de verblijfsvergunning asiel in te trekken, dan wordt de vreemdeling in de gelegenheid gesteld zich te doen horen.
Lid 6
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de termijn, bedoeld in het vierde lid, alsmede de toepassing van de voorgaande leden.
Artikel 42
Vervallen
Artikel 43
Onze Minister kan, overeenkomstig artikel 35, zevende lid, van de Procedureverordening, het afronden van de behandelingsprocedure van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 uitstellen wanneer redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat het besluit op de aanvraag wordt genomen binnen de in artikel 35, vierde lid, van de Procedureverordening vastgestelde termijnen vanwege een onzekere situatie in het land van herkomst die naar verwachting tijdelijk is.
Artikel 43a
Onverminderd artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht worden de termijnen als bedoeld in artikel 35 van de Procedureverordening voor het geven van een beschikking op de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 ten aanzien van vreemdelingen die tijdelijke bescherming genieten, verlengd met de duur van de tijdelijke bescherming.
Artikel 44
Lid 1
Verlening van de verblijfsvergunning asiel, bedoeld in artikel 28, die rechtmatig verblijf inhoudt, heeft van rechtswege tot gevolg de beëindiging van de verstrekkingen voorzien bij of krachtens de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers of een ander wettelijk voorschrift dat soortgelijke verstrekkingen regelt. De verstrekkingen worden beëindigd op de wijze voorzien bij of krachtens de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers of in het andere wettelijk voorschrift en binnen de daartoe gestelde termijn.
Lid 2
Indien de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in de artikelen 29 tot en met 29d, wordt ingewilligd, wordt deze verblijfsvergunning verleend met ingang van de dag na de bekendmaking van de beschikking.
Lid 3
De verblijfsvergunning asiel, bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 3°, wordt verleend met ingang van de datum waarop de verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 is ingetrokken.
Artikel 44a
Indien een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28, niet in behandeling wordt genomen op grond van artikel 30, eerste lid, geldt dit besluit als overdrachtsbesluit, en heeft het van rechtswege tot gevolg dat:
de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder m;
de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen bevoegd zijn elke plaats te betreden, daaronder begrepen een woning zonder toestemming van de bewoner, teneinde de vreemdeling over te dragen;
de vreemdeling door Onze Minister overeenkomstig de Asiel- en migratiebeheerverordening kan worden overgedragen aan een verantwoordelijke lidstaat;
de vreemdeling overeenkomstig artikel 18, eerste lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening geen recht heeft op de opvangvoorzieningen, verstrekkingen en uitkeringen, bedoeld in de artikelen 17 tot en met 20 van de Opvangrichtlijn, toegekend bij of krachtens de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers of bij of krachtens een ander wettelijk voorschrift. Zulks wordt vermeld in het besluit. Dit doet geen afbreuk aan de noodzaak om een levensstandaard te waarborgen die in overeenstemming is met het Unierecht, met inbegrip van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en internationale verplichtingen.
Artikel 45
Lid 1
De beschikking waarbij een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning asiel, bedoeld in artikel 28, wordt afgewezen, geldt als terugkeerbesluit, tenzij reeds eerder een terugkeerbesluit tegen de vreemdeling is uitgevaardigd en aan de daaruit voortvloeiende terugkeerverplichting niet is voldaan, en heeft van rechtswege tot gevolg dat:
de vreemdeling niet langer rechtmatig in Nederland verblijft tenzij een andere rechtsgrond voor rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8 van toepassing is;
de vreemdeling Nederland uit eigen beweging dient te verlaten binnen de in artikel 62 gestelde termijn, bij gebreke waarvan de vreemdeling kan worden uitgezet;
de verstrekkingen voorzien bij of krachtens de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers of een ander wettelijk voorschrift dat soortgelijke verstrekkingen regelt worden beëindigd op de bij of krachtens die wet of dat wettelijke voorschrift voorziene wijze en binnen de daartoe gestelde termijn;
de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen na ommekomst van de termijn waarbinnen de vreemdeling Nederland uit eigen beweging dient te verlaten, bevoegd zijn elke plaats te betreden, daaronder begrepen een woning zonder toestemming van de bewoner, teneinde de vreemdeling uit te zetten;
de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen bevoegd zijn na ommekomst van de termijn als bedoeld in onderdeel c een onroerende zaak gedwongen te ontruimen teneinde het onderdak of het verblijf in de woonruimte als verstrekking geboden, bedoeld in onderdeel c, te beëindigen.
Lid 2
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien de verblijfsvergunning asiel, bedoeld in artikel 28, is ingetrokken.
Lid 3
In afwijking van het eerste lid, aanhef, geldt de beschikking waarbij een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning asiel, bedoeld in artikel 28, wordt afgewezen niet als terugkeerbesluit, indien:
dat niet in overeenstemming is met de Terugkeerrichtlijn en het beginsel van non-refoulement; of
de beschikking is genomen in de asielgrensprocedure met toepassing van artikel 3, zesde lid.
Lid 4
Onze Minister kan besluiten dat, in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder c, de verstrekkingen voorzien bij of krachtens de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers of een ander wettelijk voorschrift dat soortgelijke verstrekkingen regelt, voor bepaalde categorieën vreemdelingen niet worden beëindigd, of voor de duur van het besluit opnieuw worden verleend. Het besluit wordt uiterlijk één jaar na de bekendmaking ervan ingetrokken. Na afloop van de duur van het besluit treden de opgeschorte rechtsgevolgen opnieuw in.
Lid 5
De vreemdeling op wie het besluit als bedoeld in het vierde lid van toepassing is, wordt geacht rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder j, te hebben.
Lid 6
De in het eerste lid bedoelde gevolgen van de beschikking treden niet in zolang de uitzetting van de vreemdeling op grond van de richtlijn tijdelijke bescherming achterwege blijft. De reeds ingetreden gevolgen worden opgeschort, indien Onze Minister heeft vastgesteld dat uitzetting op grond van de richtlijn tijdelijke bescherming achterwege blijft. De opgeschorte gevolgen, bedoeld in het eerste lid, treden opnieuw in na afloop van de tijdelijke bescherming.
Lid 7
Het verblijf van de vreemdeling, bedoeld in het zesde lid, wordt gelijkgesteld met rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, onder f.
Lid 8
De beschikking, bedoeld in het eerste lid, kan tevens een inreisverbod inhouden.
Lid 9
Indien de beschikking inhoudt dat de aanvraag van de vreemdeling tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 niet-ontvankelijk is verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, met toepassing van artikel 38, eerste lid, onderdeel c, van de Procedureverordening, geldt de beschikking, in afwijking van het eerste lid, aanhef, niet als terugkeerbesluit en is de vreemdeling, in afwijking van het eerste lid, onderdeel b, gehouden Nederland onmiddellijk te verlaten en zich naar het grondgebied te begeven van de lidstaat die een geldige verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf heeft gegeven.
Artikel 45a
Lid 1
Onze Minister is bevoegd:
de aanvraag tot het verlenen van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen;
een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen in te trekken.
Lid 2
De status van langdurig ingezetene wordt verworven door de verlening van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen. De status van langdurig ingezetene is permanent, onverminderd artikel 45d.
Artikel 45b
Lid 1
De aanvraag tot het verlenen van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen wordt afgewezen, indien de vreemdeling direct voorafgaande aan de aanvraag:
een verblijfsrecht van tijdelijke aard heeft op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14;
een formeel beperkt verblijfsrecht heeft;
verblijf heeft op grond van een bijzondere geprivilegieerde status;
verblijf heeft op grond van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28, die niet is verleend op grond van de artikelen 29 of 29a;
verblijf heeft op grond van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28, die is verleend op grond van de artikelen 29b, 29c of 29d, bij een vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28, die niet is verleend op grond van de artikelen 29 of 29a.
Lid 2
Onverminderd het eerste lid kan de aanvraag tot het verlenen van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen slechts worden afgewezen, indien de vreemdeling:
niet gedurende vijf jaren ononderbroken en direct voorafgaande aan de aanvraag rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8 heeft gehad, met inachtneming van het derde lid;
in de periode, bedoeld onder a, zes of meer achtereenvolgende maanden of in totaal tien of meer maanden buiten Nederland heeft verbleven;
al of niet tezamen met de gezinsleden bij wie hij verblijft, niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan;
bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd, dan wel hem ter zake de maatregel, bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht, is opgelegd;
een gevaar vormt voor de nationale veiligheid;
niet beschikt over een toereikende ziektekostenverzekering voor hemzelf en de te zijnen laste komende gezinsleden; of
niet heeft voldaan aan het bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen inburgeringsvereiste.
Lid 3
Voor de berekening van de periode bedoeld in het tweede lid, onder a, wordt verblijf als bedoeld in het eerste lid en verblijf als bedoeld in het tweede lid, onder b, niet meegeteld, met uitzondering van verblijf voor studie of beroepsopleiding, dat voor de helft wordt meegeteld.
Lid 4
Voor de berekening van de periode, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, wordt de periode tussen de datum van indiening van de aanvraag waarop een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in de artikelen 29 of 29a werd verleend en de datum waarop de in artikel 9, tweede lid, onder a, bedoelde verblijfstitel werd afgegeven, volledig in aanmerking genomen.
Lid 5
Wanneer de vreemdeling die verblijf heeft op grond van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28, die is verleend op grond van de artikelen 29 of 29a, wordt aangetroffen in een andere lidstaat zonder dat hij het recht heeft daar te wonen of te verblijven, wordt de periode waarin hij voorafgaand daaraan rechtmatig in Nederland verbleef, niet in aanmerking genomen bij de berekening van de periode, bedoeld in het tweede lid, onder a.
Lid 6
Onze Minister kan het vijfde lid buiten toepassing laten indien de vreemdeling aantoont dat de redenen om in de andere lidstaat te wonen of te verblijven zonder dat hij daartoe het recht had, te wijten zijn aan omstandigheden die buiten zijn controle lagen.
Lid 7
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de toepassing van het eerste lid en het tweede lid, onderdelen a tot en met f.
Lid 8
Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het tweede lid, onderdeel g, worden in ieder geval regels gesteld omtrent de inhoud van het inburgeringstraject en het te behalen niveau, alsmede omtrent de vrijstellingen en ontheffingen.
Artikel 45c
Lid 1
Op het document, bedoeld in artikel 9, van de vreemdeling aan wie een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen is verleend, wordt de aantekening «Internationale bescherming op [datum] verleend door Nederland» geplaatst, indien de vreemdeling direct voorafgaande aan de aanvraag in het bezit was van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 die is verleend op grond van de artikelen 29 of 29a, tenzij de grond voor die verlening is vervallen.
Lid 2
Indien de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen wordt verleend aan een onderdaan van een derde land die reeds een verblijfsdocument bezit dat door een andere lidstaat is afgegeven en dat de aantekening «Internationale bescherming op [datum] verleend door [lidstaat]» bevat, wordt op het document, bedoeld in artikel 9, dezelfde aantekening geplaatst, tenzij de internationale bescherming bij een definitief besluit van die andere lidstaat is ingetrokken.
Lid 3
Indien uit een verzoek van de autoriteiten van een andere lidstaat van de Europese Unie aan Onze Minister blijkt dat de internationale bescherming van de houder van een document als bedoeld in artikel 9, met daarop de aantekening als bedoeld in het eerste lid, door deze lidstaat is overgenomen alvorens deze lidstaat een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen heeft afgegeven, wordt de aantekening op het document, bedoeld in artikel 9, dienovereenkomstig gewijzigd.
Lid 4
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het bepaalde in het eerste, tweede en derde lid.
Artikel 45d
Lid 1
De EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen kan worden ingetrokken, indien:
de vreemdeling een aaneengesloten periode van twaalf maanden of langer buiten het grondgebied van de Europese Unie, dan wel zes jaar of langer buiten Nederland heeft verbleven; of
de vreemdeling een actuele en ernstige bedreiging voor de openbare orde of de nationale veiligheid vormt.
Lid 2
De EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen van de vreemdeling op wiens document, bedoeld in artikel 9, de aantekening, bedoeld in artikel 45c, eerste lid, is geplaatst, kan worden ingetrokken, indien:
er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat de vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan een van de misdrijven of daden, bedoeld in artikel 1, onder F, van het Vluchtelingenverdrag dan wel heeft aangezet tot of anderszins heeft deelgenomen aan deze misdrijven of daden; of
de vreemdeling feiten verkeerd heeft weergegeven of heeft achtergehouden, of valse documenten heeft gebruikt, en dit doorslaggevend is geweest voor de verlening van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 28.
Lid 3
De EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen wordt ingetrokken, indien:
de vreemdeling langdurig ingezetene is geworden in een andere lidstaat van de Europese Unie; of
de verblijfsvergunning op frauduleuze wijze is verkregen.
Lid 4
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste, tweede en het derde lid.
Artikel 45e
Het bij of krachtens de artikelen 23, 24 en 24a bepaalde is van overeenkomstige toepassing op de aanvraag tot het verlenen van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen.
Artikel 45f
Indien Onze Minister voornemens is om de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen met op het aan de vreemdeling verstrekte document, bedoeld in artikel 9, de aantekening als bedoeld in artikel 45c, eerste lid, in te trekken, is artikel 41 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 45g
Lid 1
De beschikking op de aanvraag tot het verlenen van de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen wordt bekendgemaakt uiterlijk zes maanden na ontvangst van de aanvraag.
Lid 2
De termijn voor de bekendmaking van de beschikking, bedoeld in het eerste lid, kan ten hoogste voor zes maanden worden verlengd, indien er naar het oordeel van Onze Minister sprake is van bijzondere omstandigheden die verband houden met het complexe karakter van de behandeling van de aanvraag.
Lid 3
Onze Minister stelt de vreemdeling in kennis van de verlenging.
Lid 4
De dag waarop de termijn, bedoeld in het eerste dan wel tweede lid, is verstreken geldt voor de toepassing van artikel 4:17, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht als de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken.
Artikel 45h
Lid 1
De EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen wordt verleend met ingang van de datum waarop de vreemdeling heeft aangetoond dat hij aan alle voorwaarden voldoet.
Lid 2
Indien de vreemdeling de aanvraag tot verlening van de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen dan wel de gegevens waaruit blijkt dat aan de voorwaarden wordt voldaan, niet tijdig heeft ingediend en hem dit niet is toe te rekenen, wordt de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen verleend met ingang van de dag na die waarop de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 dan wel artikel 28 afloopt.