Artikel 29c Vreemdelingenwet 2000
Lid 1
Onze Minister kan krachtens artikel 13 van de Gezinsherenigingsrichtlijn een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 verlenen aan de hierna te noemen gezinsleden van de vreemdeling die de vluchtelingenstatus heeft, indien deze op het tijdstip van binnenkomst van die vreemdeling behoorden tot diens gezin en zijn nagereisd binnen drie maanden nadat aan die vreemdeling de verblijfsvergunning asiel, bedoeld in artikel 28, is verleend, dan wel binnen die drie maanden door of ten behoeve van dat gezinslid een machtiging tot voorlopig verblijf is aangevraagd:
de meerderjarige echtgenoot;
het biologische of geadopteerde minderjarige kind;
de ouders, indien die vreemdeling een alleenstaande minderjarige is;
de minderjarige broer of zus, indien die vreemdeling een alleenstaande minderjarige is, die broer of zus gelijktijdig met een ouder, bedoeld in onderdeel c, de aanvraag heeft ingediend en ten laste komt van die ouder.
Lid 2
De verblijfsvergunning asiel wordt niet geweigerd indien de overschrijding van de in het eerste lid bedoelde termijn op grond van bijzondere omstandigheden objectief verschoonbaar is.
Lid 3
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel.