Artikel 41 Vreemdelingenwet 2000
Lid 1
Indien Onze Minister voornemens is de verblijfsvergunning asiel, bedoeld in de artikelen 29 of 29a, in te trekken, wordt de vreemdeling hiervan overeenkomstig artikel 66, eerste lid, van de Procedureverordening onder opgave van redenen schriftelijk in kennis gesteld.
Lid 2
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien Onze Minister voornemens is de verblijfsvergunning asiel, bedoeld in de artikelen 29b, 29c of 29d, in te trekken.
Lid 3
De kennisgeving kan eveneens betrekking hebben op het voornemen om niet ambtshalve een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 te verlenen dan wel op het voornemen om de uitzetting of overdracht niet op grond van artikel 64 achterwege te laten. Het schriftelijke voornemen wordt aan de vreemdeling medegedeeld door uitreiking of toezending ervan. De op het voornemen tot intrekking betrekking hebbende stukken worden bij de schriftelijke mededeling gevoegd, voor zover de vreemdeling geen kennis kan hebben van de inhoud van deze stukken.
Lid 4
De vreemdeling brengt zijn zienswijze in afwijking van artikel 4:9 van de Algemene wet bestuursrecht schriftelijk naar voren binnen de door Onze Minister bepaalde redelijke termijn.
Lid 5
Indien Onze Minister, na ontvangst van de zienswijze van de vreemdeling, voornemens blijft de verblijfsvergunning asiel in te trekken, dan wordt de vreemdeling in de gelegenheid gesteld zich te doen horen.
Lid 6
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de termijn, bedoeld in het vierde lid, alsmede de toepassing van de voorgaande leden.