Artikel 18 Vreemdelingenwet 2000

Lid 1

Een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 kan worden afgewezen indien:

  1. de houder daarvan zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft gevestigd;

  2. de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding;

  3. de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid;

  4. de vreemdeling niet meer zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan dan wel de persoon bij wie de vreemdeling verblijft niet meer zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan;

  5. de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid;

  6. niet wordt voldaan aan de beperking waaronder de vergunning is verleend of een voorschrift dat aan de vergunning is verbonden;

  7. de vreemdeling voor een werkgever arbeid verricht, zonder dat aan de Wet arbeid vreemdelingen is voldaan;

  8. ten behoeve van het verblijf van de vreemdeling geen verklaring van een referent is overgelegd als bedoeld in artikel 2a, tweede lid;

  9. de vreemdeling niet heeft voldaan aan de inburgeringsplicht, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet inburgering 2021.

Lid 2

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de toepassing van de gronden, bedoeld in het eerste lid.

Recente uitspraken

Art. 18 Vw2000 is sinds 2003 in 26 uitspraken op wetboek.org gekoppeld, met name door Rb. 's-Gravenhage, Rb. Den Haag en Raad van State.

  • ECLI:NL:RVS:2022:2984 — 18-10-2022 Raad van State
    Bij besluit van 9 oktober 2019 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd ingetrokken en de vreemdeling ongewenst verklaard.
  • ECLI:NL:RVS:2012:BW9130 — 14-06-2012 Raad van State
    Er bestaat geen grond voor het oordeel dat de minister met het beleid, neergelegd in onderdeel B1/5.3.6 van de Vc 2000, tot een met art. 3.86, lid 3 Vb 2000 strijdige beleidsbepaling is gekomen. Dat ook een andere beleidsmatige invulling van dat artikel mogelijk zou zijn…
  • ECLI:NL:RVS:2012:BW4288 — 25-04-2012 Raad van State
    Derhalve moet art. 3:86, lid 4 van het Vb 2000 geacht worden ook betrekking te hebben op de situatie, waarin, zoals hier, verschillende van elkaar te onderscheiden strafbare feiten hebben geleid tot één strafrechtelijke veroordeling en geldt in dat geval voor de toepassing van…
  • ECLI:NL:RVS:2010:BN4823 — 16-08-2010 Raad van State
    Omvang van geding / teruggewezen zaak / schending art. 8:78 Awb De rechtbank heeft niet onderkend dat zij het besluit van 28 augustus 2006 na terugwijzing diende te toetsen in het licht van alle daartegen aangevoerde beroepsgronden. Zij was daarbij niet gebonden aan de in de…
  • ECLI:NL:RBDHA:2025:12667 — 09-07-2025 Rb. Den Haag
    Intrekking met terugwerkende kracht van verblijfsvergunning regulier (verblijfsdoel kennismigrant) en afhankelijke verblijfsvergunningen verblijf bij familie- of gezinslid. Geen strijd met artikel 8 EVRM, artikel 7 en 24 Handvest. Medische klachten onvoldoende onderbouwd, geen…

Bekijk alle 26 uitspraken »

Bron: Rechtspraak.nl — uitspraken bevatten verwijzingen naar dit artikel.