Artikel 30b Vreemdelingenwet 2000

Lid 1

Onze Minister kan een ongegronde aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 overeenkomstig artikel 39, vierde lid, van de Procedureverordening afwijzen als kennelijk ongegrond, indien op het tijdstip van afronding van de behandeling een van de gevallen bedoeld in artikel 42, eerste en derde lid, van de Procedureverordening van toepassing is.

Lid 2

Onze Minister kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 afwijzen als kennelijk ongegrond, indien reeds is vastgesteld dat de vreemdeling niet in aanmerking komt voor internationale bescherming op grond van de Kwalificatieverordening, overeenkomstig:

  1. artikel 40, vierde lid, van de Procedureverordening in de fase waarin de aanvraag expliciet wordt ingetrokken; of

  2. artikel 41, eerste en vijfde lid, van de Procedureverordening op het ogenblik waarop de aanvraag impliciet wordt ingetrokken.

Lid 3

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de toepassing van dit artikel.

Wordt genoemd in: