Artikel 3 Vreemdelingenwet 2000

Lid 1

In andere dan de in de Schengengrenscode geregelde gevallen, wordt toegang tot Nederland geweigerd aan de vreemdeling die:

  1. niet in het bezit is van een geldig document voor grensoverschrijding, dan wel in het bezit is van een document voor grensoverschrijding waarin het benodigde visum ontbreekt;

  2. een gevaar oplevert voor de openbare orde of nationale veiligheid;

  3. niet beschikt over voldoende middelen om te voorzien zowel in de kosten van verblijf in Nederland als in die van zijn reis naar een plaats buiten Nederland waar zijn toegang gewaarborgd is, of

  4. niet voldoet aan de voorwaarden die bij of krachtens algemene maatregel van bestuur zijn gesteld.

Lid 2

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de weigering van toegang op grond van deze wet of ter uitvoering van de Schengengrenscode.

Lid 3

Indien een vreemdeling aan de grens te kennen geeft een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 te willen indienen, wordt de aanvraag op de locaties waar de asielgrensprocedure wordt uitgevoerd getoetst aan:

  1. de grond voor het niet in behandeling nemen als bedoeld in artikel 30;

  2. de gronden voor niet-ontvankelijkverklaring, bedoeld in artikel 30a; en

  3. de gronden voor afwijzing wegens kennelijke ongegrondheid, genoemd in artikel 30b, met dien verstande dat een van de in artikel 42, eerste lid, onderdelen a tot en met g, en j, en artikel 42, derde lid, onderdeel b, van de Procedureverordening genoemde gevallen van toepassing is.

Lid 4

Indien de aanvraag wordt behandeld op de locaties waar de asielgrensprocedure wordt uitgevoerd, wordt een besluit omtrent de weigering van toegang tot Nederland uitgesteld. Een reeds genomen besluit tot weigering van toegang tot Nederland vervalt met ingang van het tijdstip waarop de vreemdeling aan de grens te kennen geeft een aanvraag als bedoeld in het derde lid te willen indienen.

Lid 5

De vreemdeling wordt onverwijld in kennis gesteld van het uitstel van het besluit tot weigering van toegang tot Nederland.

Lid 6

Op de aanvraag, bedoeld in het derde lid, wordt binnen vijf weken na de registratie daarvan een beschikking gegeven. Indien na het verstrijken van deze termijn nog niet is beslist over het in behandeling nemen, de ontvankelijkheid of de kennelijke ongegrondheid van de aanvraag, verkrijgt de vreemdeling van rechtswege toegang tot Nederland, onder opheffing van de maatregel, bedoeld in artikel 6, derde lid. De termijn kan met vier weken worden verlengd wanneer de vreemdeling wordt herplaatst overeenkomstig artikel 67, elfde lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening.

Lid 7

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de asielgrensprocedure.

Recente uitspraken

Art. 3 Vw2000 is sinds 2001 in 35 uitspraken op wetboek.org gekoppeld, met name door Rb. 's-Gravenhage, Hof 's-Hertogenbosch en Hoge Raad.

  • ECLI:NL:HR:2010:BJ3247 — 09-03-2010 Hoge Raad
    Art. 197a Sr. Mensensmokkel. 1. ‘Wederrechtelijke doorreis’. 2. Begrip ‘weten’ i.d.z.v. art. 197a.1 Sr. Ad 1. De opvatting dat een rechtmatig verblijf van iemand in NL o.g.v. art. 8.ahf.f of g Vreemdelingenwet 2000 uitsluit dat die persoon wederrechtelijk doorreist i.d.z.v. art.…
  • ECLI:NL:HR:2010:BJ3230 — 09-03-2010 Hoge Raad
    Art. 197a Sr. Mensensmokkel. ‘Wederrechtelijke doorreis’. De opvatting dat een rechtmatig verblijf van iemand in NL o.g.v. art. 8.ahf.f of g Vreemdelingenwet 2000 uitsluit dat die persoon wederrechtelijk doorreist i.d.z.v. art. 197a Sr, is onjuist. In aanmerking genomen ’s Hofs…
  • ECLI:NL:RVS:2012:BW9115 — 15-06-2012 Raad van State
    Het betoog van de vreemdeling dat de in art. 5.1b, lid 1 Vb 2000 neergelegde criteria zodanig ruim zijn geformuleerd dat toepassing ervan ertoe leidt dat de minister te snel een risico op onderduiken aanneemt, zodat hij vrijwel nooit een termijn voor vrijwillig vertrek aan…
  • ECLI:NL:GHSHE:2026:2255 — 21-07-2026 Hof 's-Hertogenbosch
    Vrijspraak. Het hof concludeert dat de vervoerder [verdachte] ten tijde van het tenlastegelegde (26 april 2024) de zorgplicht als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 in dit geval niet heeft geschonden. Het hof is, tegen de achtergrond van hetgeen in…
  • ECLI:NL:GHSHE:2026:2254 — 21-07-2026 Hof 's-Hertogenbosch
    Vrijspraak. Het hof concludeert dat de vervoerder [verdachte] ten tijde van het tenlastegelegde (26 mei 2024) de zorgplicht als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 in dit geval niet heeft geschonden. Het hof is, tegen de achtergrond van hetgeen in het…

Bekijk alle 35 uitspraken »

Bron: Rechtspraak.nl — uitspraken bevatten verwijzingen naar dit artikel.