Artikel 62 Vreemdelingenwet 2000

Lid 1

Nadat tegen de vreemdeling, niet zijnde gemeenschapsonderdaan, een terugkeerbesluit is uitgevaardigd, dient hij Nederland uit eigen beweging binnen vier weken te verlaten.

Lid 2

Onze Minister kan de voor een vreemdeling geldende termijn, bedoeld in het eerste lid, verkorten, dan wel, in afwijking van het eerste lid, bepalen dat een vreemdeling Nederland onmiddellijk moet verlaten, indien:

  1. er een onderduikrisico bestaat;

  2. de aanvraag van de vreemdeling tot het verlenen van een verblijfsvergunning of tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning is afgewezen als kennelijk ongegrond of wegens het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens; of

  3. de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid.

Lid 3

Nadat het rechtmatig verblijf van de gemeenschapsonderdaan is geëindigd, dient hij Nederland uit eigen beweging binnen een maand na de kennisgeving daarvan te verlaten. Onze Minister kan deze termijn verkorten in naar behoren aangetoonde dringende gevallen.

Lid 4

Onze Minister kan de voor een vreemdeling geldende termijnen, bedoeld in het eerste en derde lid, verlengen, rekening houdend met de specifieke omstandigheden van het individuele geval. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de duur van de verlenging en worden de gevallen aangewezen waarin de termijn kan worden verlengd.

Recente uitspraken

Art. 62 Vw2000 is sinds 2001 in 44 uitspraken op wetboek.org gekoppeld, met name door Rb. Den Haag, Rb. 's-Gravenhage en Hof Amsterdam.

  • ECLI:NL:HR:2018:2192 — 27-11-2018 Hoge Raad
    Als vreemdeling in Nederland verblijven terwijl hij weet dat tegen hem inreisverbod is uitgevaardigd, art. 197 Sr. Art. 11.2 terugkeerrichtlijn. Prejudiciële vraag HR. Inreisverbod nog niet ingegaan, nu verdachte na uitvaardigen van inreisverbod EU nog niet had verlaten? In…
  • ECLI:NL:HR:2016:2416 — 25-10-2016 Hoge Raad
    OM-cassatie, art. 197 Sr. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2009:BF8848 m.b.t de op de ongewenst verklaarde vreemdeling rustende verplichting uit art. 61 Vreemdelingenwet 2000 om NL uit eigener beweging te verlaten, tenzij het aannemelijk is dat hij buiten zijn…
  • ECLI:NL:RVS:2016:270 — 28-01-2016 Raad van State
    Bij besluit van 30 augustus 2013 (hierna: het besluit) heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd. Het besluit is aangehecht.
  • ECLI:NL:RVS:2012:BW9115 — 15-06-2012 Raad van State
    Het betoog van de vreemdeling dat de in art. 5.1b, lid 1 Vb 2000 neergelegde criteria zodanig ruim zijn geformuleerd dat toepassing ervan ertoe leidt dat de minister te snel een risico op onderduiken aanneemt, zodat hij vrijwel nooit een termijn voor vrijwillig vertrek aan…
  • ECLI:NL:GHAMS:2025:3635 — 17-12-2025 Hof Amsterdam
    Themazitting artikel 197 Sr – Actualisering toetsingskader bewijsvraag artikel 197 Sr bij derdelanders, mede n.a.v. ECLI:NL:HR:2024:1621 (formele rechtskracht van besluit van bestuursorgaan in strafrecht en de wijze van toetsing inreisverbod). Nadere overwegingen over…

Bekijk alle 44 uitspraken »

Bron: Rechtspraak.nl — uitspraken bevatten verwijzingen naar dit artikel.