Art. 4:10 Burgerlijk Wetboek Boek 4

Lid 1

De wet roept tot een nalatenschap als erfgenamen uit eigen hoofde achtereenvolgens:

  1. de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot van de erflater tezamen met diens kinderen;

  2. de ouders van de erflater tezamen met diens broers en zusters;

  3. de grootouders van de erflater;

  4. de overgrootouders van de erflater.

Lid 2

De afstammelingen van een kind, broer, zuster, grootouder of overgrootouder worden bij plaatsvervulling geroepen.

Lid 3

Alleen zij die tot de erflater in familierechtelijke betrekking stonden, worden tot de in de vorige leden genoemde bloedverwanten gerekend.

Wordt genoemd in: