Art. 4:56 Burgerlijk Wetboek Boek 4
Lid 1
Om aan een making een recht te kunnen ontlenen, moet men bestaan op het ogenblik dat de nalatenschap openvalt. Rechten uit een making ten voordele van een rechtspersoon die voor dat ogenblik is opgehouden te bestaan ten gevolge van een fusie of een splitsing, komen toe aan de verkrijgende rechtspersoon, onderscheidenlijk de verkrijgende rechtspersoon waarvan de aan de akte van splitsing gehechte beschrijving datbepaalt. Indien aan de hand van de aan de akte van splitsing gehechte beschrijving niet kan worden bepaald welke rechtspersoon in de plaats en de rechten treedt van de gesplitste rechtspersoon, is artikel 334s van Boek 2 van overeenkomstige toepassing.
Lid 2
Indien een erflater heeft bepaald dat hetgeen hij aan een afstammeling van een ouder van de erflater nalaat, bij het overlijden van de bevoordeelde of op een eerder tijdstip zal ten deel vallen aan diens alsdan bestaande afstammelingen staaksgewijze, ontlenen dezen aan de making een recht, ook al bestonden zij nog niet bij het overlijden van de erflater.
Lid 3
Heeft een erflater bepaald dat hetgeen hij aan iemand nalaat, bij het overlijden van de bevoordeelde of op een eerder tijdstip zal ten deel vallen aan een afstammeling van een ouder van de erflater, en tevens dat indien die afstammeling dat tijdstip niet overleeft, diens alsdan bestaande afstammelingen staaksgewijze in diens plaats zullen treden, dan verkrijgen dezen dit recht, ook al bestonden zij nog niet bij het overlijden van de erflater.
Lid 4
Indien een erflater heeft bepaald dat hetgeen de bevoordeelde van het hem nagelatene bij zijn overlijden of op een eerder tijdstip onverteerd zal hebben gelaten, alsdan zal ten deel vallen aan een dan bestaande bloedverwant van de erflater in de erfelijke graad, verkrijgt deze dit recht, ook al bestond hij nog niet bij het overlijden van de erflater.
Recente uitspraken
Art. 4:56 BW is sinds 2008 in 5 uitspraken op wetboek.org gekoppeld, met name door Rb. Den Haag, Hof Amsterdam en Hof Den Haag.
- ECLI:NL:GHSHE:2022:538 — 22-02-2022 Hof 's-Hertogenbosch
uitleg testament op grond van artikel 4:46 BW; appellante stelt dat sprake is van een vergissing in het testament en dat zij op grond van artikel 4:46 lid 3 BW moet worden aangemerkt als erfgenaam, maar de door appellante bepleite uitleg kan niet worden gevolgd; appellante… - ECLI:NL:GHDHA:2019:2039 — 30-07-2019 Hof Den Haag
Erfrecht. Was 104-jarige gehandicapte dame in staat een testament te maken? Hof geeft bewijsopdracht inzake wilsbekwaamheid en of erflaatster in staat was zelfstandig haar wil te bepalen zonder enige beïnvloeding. - ECLI:NL:GHAMS:2008:BF3825 — 30-09-2008 Hof Amsterdam
Het hof is van oordeel dat een zware maatregel, gezien de ernst van de klacht, op zijn plaats is. Daarbij weegt ook mee dat ten aanzien van de notaris meermalen klachten van vergelijkbare aard gegrond zijn verklaard. Voorts is bij de oplegging van de maatregel van belang dat –… - ECLI:NL:RBDHA:2020:3211 — 22-04-2020 Rb. Den Haag
Beroep op artikel 4:46 lid 3 BW: erflater heeft zich vergist in testament in de aanduiding van een persoon. - ECLI:NL:RBDHA:2019:1725 — 12-02-2019 Rb. Den Haag
Verzoek heropening van de vereffening afgewezen. De na de (turbo)liquidatie van de Stichtingen opengevallen of nog open te vallen legaten of erfstellingen kunnen niet worden aangemerkt als baten als bedoeld in artikel 2:23c BW.
Bron: Rechtspraak.nl — uitspraken bevatten verwijzingen naar dit artikel.