Art. 4:135 Burgerlijk Wetboek Boek 4
Lid 1
Wanneer een erflater iets heeft vermaakt aan een stichting die hij in een bij notariële akte gemaakte uiterste wilsbeschikking heeft in het leven geroepen, is de stichting erfgenaam of legataris, naar gelang het haar vermaakte aan een erfstelling of aan een legaat beantwoordt.
Lid 2
Heeft hij bij een in andere vorm gemaakte uiterste wil verklaard een stichting in het leven te roepen, dan wordt deze beschikking aangemerkt als een aan de gezamenlijke erfgenamen opgelegde last om die stichting op te richten.
Lid 3
Degene op wie een last om een stichting op te richten rust, kan daartoe op vordering van het openbaar ministerie worden veroordeeld door de rechtbank van het sterfhuis of, indien de erflater zijn laatste woonplaats niet in Nederland had, door de rechtbank Den Haag. De rechter kan bepalen dat het vonnis dezelfde rechtskracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte van hem die tot de rechtshandeling gehouden is, of dat een door de rechter aan te wijzen vertegenwoordiger de handeling zal verrichten.
Recente uitspraken
Art. 4:135 BW is sinds 2008 in 2 uitspraken op wetboek.org gekoppeld, met name door Hof Amsterdam en Hof Den Haag.
- ECLI:NL:GHDHA:2019:2039 — 30-07-2019 Hof Den Haag
Erfrecht. Was 104-jarige gehandicapte dame in staat een testament te maken? Hof geeft bewijsopdracht inzake wilsbekwaamheid en of erflaatster in staat was zelfstandig haar wil te bepalen zonder enige beïnvloeding. - ECLI:NL:GHAMS:2008:BF3825 — 30-09-2008 Hof Amsterdam
Het hof is van oordeel dat een zware maatregel, gezien de ernst van de klacht, op zijn plaats is. Daarbij weegt ook mee dat ten aanzien van de notaris meermalen klachten van vergelijkbare aard gegrond zijn verklaard. Voorts is bij de oplegging van de maatregel van belang dat –…
Bron: Rechtspraak.nl — uitspraken bevatten verwijzingen naar dit artikel.