Titel 4. Intrekking van accreditatie en de gevolgen van intrekking

Artikel 5.19

Lid 1

Accreditatie nieuwe opleiding wordt ingetrokken indien:

  1. door het instellingsbestuur niet wordt voldaan aan de voorschriften, genoemd in artikel 5.8, eerste lid; of

  2. een opleiding na de beoordeling, bedoeld in artikel 5.8, eerste lid, onderdeel c, door het accreditatieorgaan negatief wordt beoordeeld op een of beide kwaliteitsaspecten, genoemd in artikel 5.7, tweede lid.

Lid 2

In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, kan het accreditatieorgaan besluiten dat de opleiding accreditatie nieuwe opleiding behoudt:

  1. indien de tekortkomingen naar zijn oordeel binnen afzienbare tijd kunnen worden weggenomen; en

  2. voor zover de opleiding niet eerder accreditatie onder voorwaarden is verleend als bedoeld in artikel 5.9, tweede lid. Artikel 5.9, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Lid 3

Accreditatie bestaande opleiding wordt ingetrokken indien niet wordt voldaan aan de voorschriften, genoemd in artikel 5.16, eerste lid, of indien het visitatierapport niet is ingediend op de datum, bedoeld in artikel 5.16, tweede of vierde lid, indien Onze Minister daaraan toepassing heeft gegeven.

Lid 4

Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald in welke gevallen accreditatie onder voorwaarden als bedoeld in artikel 5.9, tweede lid, artikel 5.17, tweede lid, en artikel 5.18, wordt ingetrokken.

Lid 5

Artikel 5.10 is van overeenkomstige toepassing op het besluit tot intrekken van accreditatie.

Artikel 5.20

Lid 1

Onze Minister kan, na advies van het accreditatieorgaan, accreditatie nieuwe opleiding of accreditatie bestaande opleiding tussentijds intrekken, indien de kwaliteit van de opleiding zodanig is gewijzigd dat een beoordeling op de kwaliteitsaspecten, bedoeld in artikel 5.7, eerste, respectievelijk tweede lid, artikel 5.12 of artikel 5.23, tot een weigering of intrekking van accreditatie zou leiden.

Lid 2

Voordat het accreditatieorgaan een advies uitbrengt, stelt hij een onderzoek in naar de kwaliteit van de opleiding, voor welk onderzoek hij een commissie van deskundigen als bedoeld in artikel 5.14 instelt. Op het onderzoek is artikel 5.10 van overeenkomstige toepassing, alsmede de artikelen 5:13, 5:16, 5:17 en 5:20, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 5.21

Lid 1

Indien accreditatie bestaande opleiding wordt geweigerd als bedoeld in artikel 5.17 of accreditatie wordt ingetrokken als bedoeld in artikel 5.19 en artikel 5.20, kan vanaf de datum waarop accreditatie nieuwe opleiding vervalt, dan wel vanaf de datum waarop het besluit tot intrekking van accreditatie in werking treedt:

  1. aan de examens geen graad als bedoeld in artikel 7.10a meer worden verbonden; en

  2. een bekostigde instelling geen aanspraak meer maken op bekostiging als bedoeld in artikel 1.9, eerste lid.

Lid 2

De instelling draagt er zorg voor dat studenten, ingeschreven aan de opleiding, de gelegenheid wordt geboden de opleiding te voltooien aan een andere instelling.

Lid 3

Voor die studenten, die de opleiding niet aan een andere instelling kunnen voltooien, wordt de opleiding aan de instelling zelf voortgezet voor een termijn van de resterende nominale studieduur van deze studenten, vermeerderd met een jaar, met dien verstande dat deze studenten de opleiding zonder onderbreking blijven volgen. In afwijking van het eerste lid, kan de instelling aan de examens graden verlenen en behoudt een bekostigde instelling aanspraak op bekostiging van de opleiding gedurende die termijn.

Lid 4

Het instellingsbestuur deelt het besluit, bedoeld in het eerste lid, binnen zes weken na de bekendmaking ervan mee aan de betrokken studenten en vermeldt daarbij op welke wijze en aan welke instelling zij de opleiding kunnen voltooien.

Lid 5

Onze Minister kan een last onder dwangsom opleggen ter hoogte van 500 euro voor iedere dag dat het instellingsbestuur de termijn van zes weken, genoemd in het vierde lid, overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van 50.000 euro.

Lid 6

In afwijking van het eerste tot en met vierde lid, kan Onze Minister, in het belang van instandhouding van een doelmatig onderwijsaanbod, besluiten dat een bekostigde instelling gedurende een door Onze Minister vast te stellen termijn aanspraak behoudt op bekostiging als bedoeld in artikel 1.9, eerste lid, dat aan de examens een graad als bedoeld in artikel 7.10a blijft verbonden en dat de registratie in de Registratie instellingen en opleidingen, bedoeld in artikel 6.13, niet wordt beëindigd.