Titel 2. Het bestuur en de inrichting van de Koninklijke Bibliotheek

Artikel 13.3

Lid 1

De bevoegdheid tot regeling en bestuur van de Koninklijke Bibliotheek berust bij het algemeen bestuur voorzover die bevoegdheid niet bij of krachtens deze wet aan de bibliothecaris is opgedragen. Het algemeen bestuur oefent de taken en bevoegdheden uit die bij of krachtens de wet aan het instellingsbestuur zijn opgedragen, voorzover bij of krachtens dit hoofdstuk niet anders is bepaald.

Lid 2

Het algemeen bestuur bestaat uit een voorzitter, tevens lid, en ten hoogste vier andere leden. Het aantal leden wordt door Onze Minister bepaald.

Lid 3

De leden van het algemeen bestuur worden door Onze Minister benoemd, geschorst en ontslagen. De benoeming geschiedt voor een door Onze Minister te bepalen termijn.

Lid 4

De leden van het algemeen bestuur kunnen door Onze Minister, de overige leden van het algemeen bestuur gehoord, worden geschorst en tussentijds ontslagen.

Lid 5

Onze Minister kan aan een of meer leden van het algemeen bestuur een bezoldiging of toelage toekennen. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels vastgesteld betreffen de rechtspositie van de leden van het algemeen bestuur aan wie een bezoldiging is toegekend.

Lid 6

De voorzitter van het algemeen bestuur vertegenwoordigt de bibliotheek in en buiten rechte.

Artikel 13.4

Vervallen

Artikel 13.5

Lid 1

Binnen het kader van het door het algemeen bestuur vastgestelde beleid berust de leiding van de Koninklijke Bibliotheek bij de bibliothecaris.

Lid 2

De bibliothecaris heeft tot taak het beleid van het algemeen bestuur voor te bereiden en ten uitvoer te leggen.

Artikel 13.6

Lid 1

Ten behoeve van de nadere regeling van het bestuur en de inrichting van de Koninklijke Bibliotheek stelt het algemeen bestuur met inachtneming van het daaromtrent bij of krachtens deze wet bepaalde een reglement vast.

Lid 2

Het reglement regelt in elk geval de vervanging van de leden van het algemeen bestuur bij afwezigheid of ontstentenis.