Titel 4. Overige voorschriften

Artikel 1.19

Lid 1

Voor een opleiding die in het buitenland wordt verzorgd, bestaat geen aanspraak op bekostiging.

Lid 2

Op het verzorgen van een opleiding in het buitenland is van toepassing hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald ten aanzien van het verzorgen van een opleiding door een rechtspersoon voor hoger onderwijs. Daarbij wordt voor de bekostigde instellingen als bedoeld in artikel 1.8, eerste lid, afgeweken van de artikelen 1.9, derde lid, 2.1, 4.1, 6.1, 7.1, 8.1, 9.1, 9.29 en 10.1.

Artikel 1.19a

Lid 1

Voor het verzorgen van een opleiding in het buitenland is toestemming van Onze Minister vereist.

Lid 2

In het belang van de kwaliteit van het hoger onderwijs in Nederland en van de profilering van het Nederlandse hoger onderwijs in het buitenland kan Onze Minister toestemming weigeren of intrekken.

Lid 3

Onze Minister weigert de toestemming in ieder geval indien de opleiding niet ook in Nederland wordt verzorgd.

Lid 4

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden de gronden voor weigering of intrekking van de toestemming nader geregeld en worden nadere voorschriften vastgesteld voor het verzorgen van opleidingen in het buitenland. Daarin worden in ieder geval voorschriften vastgesteld met betrekking tot de aanwending van de rijksbijdrage voor die opleidingen en worden eisen gesteld aan de academische vrijheid aan de opleiding in het land of de landen waar de opleiding wordt verzorgd. Voorts worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voorschriften vastgesteld met betrekking tot de wijze waarop de veiligheid en de rechten van studenten en personeel, voor zover zij die rechten ontlenen aan deze wet, worden gewaarborgd. Tevens kunnen voorschriften worden vastgesteld met betrekking tot het indienen van aanvragen om toestemming.

Lid 5

De bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen weigeringsgronden hebben in ieder geval betrekking op:

  1. de wijze waarop de opleiding in Nederland is geaccrediteerd;

  2. de wijze waarop de kwaliteitszorg van het onderwijs in het land van vestiging zal worden geborgd;

  3. de financiële positie van de aanvrager en de wijze waarop financiële risico’s zullen worden tegengegaan;

  4. de maatregelen die door de aanvrager zullen worden getroffen om te voorkomen dat de rijksbijdrage wordt aangewend voor de opleiding in het buitenland;

  5. de omvang en schaal van het initiatief waarop de aanvraag betrekking heeft, in het bijzonder uit een oogpunt van aantallen studenten;

  6. de wijze waarop de continuïteit van de opleiding in Nederland is gewaarborgd;

  7. de veiligheid en de rechten van de bij het onderwijs in het land van vestiging betrokken personen, voor zover zij die rechten ontlenen aan deze wet;

  8. de aard van de diplomatieke betrekkingen tussen Nederland en het desbetreffende land;

  9. de wijze waarop in het desbetreffende land rekening wordt gehouden met mensenrechten en sociale verhoudingen;

  10. indien van toepassing: de wijze waarop de samenwerking met een partnerorganisatie of met partnerorganisaties zal worden vormgegeven;

  11. de opvattingen van de bevoegde overheidsinstanties in het land van vestiging over de opleiding;

  12. de wijze waarin is voorzien in het afbouwen van de opleiding in financiële en personele zin en ten opzichte van studenten, indien de opleiding zou worden beëindigd, en

  13. de wijze waarop de inkomsten die met de opleiding in het buitenland worden gegenereerd, worden herbestemd en de mate waarin die herbestemming in het belang is van de kwaliteit van het hoger onderwijs in Nederland.

Lid 6

Onze Minister kan de toestemming onder voorwaarden verlenen en kan aan de toestemming voorschriften verbinden.

Lid 7

Onze Minister legt het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het vierde en vijfde lid voor aan beide Kamers der Staten-Generaal. De voordracht voor die algemene maatregel van bestuur wordt niet gedaan dan nadat vier weken na die voorlegging zijn verstreken.

Artikel 1.19b

Lid 1

Een universiteit kan in het buitenland de graad Doctor of de graad Doctor of Philosophy verlenen.

Lid 2

Op de toegang en inrichting van een promotie in het buitenland zijn de artikelen 7.18 en 7.19 van toepassing.

Lid 3

In het belang van de kwaliteit van het hoger onderwijs in Nederland en van de profilering van het Nederlandse hoger onderwijs in het buitenland kunnen bij algemene maatregel van bestuur met betrekking tot de graadverleningsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, nadere voorschriften worden vastgesteld.

Artikel 1.20

Lid 1

Indien het instellingsbestuur op enigerlei wijze bekend is geworden dat een ten behoeve van zijn instelling met taken belast persoon zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een seksueel misdrijf als bedoeld in Titel XIV van het Wetboek van Strafrecht jegens een minderjarige student van de instelling, treedt het bevoegd gezag onverwijld in overleg met de vertrouwensinspecteur, bedoeld in artikel 6 van de Wet op het onderwijstoezicht.

Lid 2

Indien uit het overleg, bedoeld in het eerste lid, moet worden geconcludeerd dat er sprake is van een redelijk vermoeden dat de desbetreffende persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid jegens een minderjarige student van de instelling, doet het instellingsbestuur onverwijld aangifte bij een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 127 juncto artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, en stelt het instellingsbestuur de vertrouwensinspecteur daarvan onverwijld in kennis. Voordat het instellingsbestuur overgaat tot het doen van aangifte, stelt het de ouders van de betrokken student, onderscheidenlijk de betreffende ten behoeve van de instelling met taken belaste persoon, hiervan op de hoogte.

Lid 3

Indien een personeelslid bekend is geworden dat een ten behoeve van de instelling met taken belast persoon zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid jegens een minderjarige student van de instelling, stelt het personeelslid het instellingsbestuur daarvan onverwijld in kennis.

Artikel 1.21

Lid 1

Het instellingsbestuur stelt voor het personeel een meldcode vast waarin stapsgewijs wordt aangegeven hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan en die er redelijkerwijs aan bijdraagt dat zo snel en adequaat mogelijk hulp kan worden geboden.

Lid 2

Onder huiselijk geweld wordt verstaan: huiselijk geweld als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

Lid 3

Onder kindermishandeling wordt verstaan: kindermishandeling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet.

Lid 4

Het instellingsbestuur bevordert de kennis en het gebruik van de meldcode.

Lid 5

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld uit welke elementen een meldcode in ieder geval bestaat.

Artikel 1.22

Lid 1

Het voeren van de naam universiteit is voorbehouden aan de instellingen voor hoger onderwijs die zijn opgenomen in de bijlage van deze wet onder a, b, h en i, de universiteiten, bedoeld in artikel 18.75, derde lid en de transnationale Universiteit Limburg. Onder het voeren van de naam universiteit wordt tevens verstaan het voeren van deze naam in samenstellingen, alsmede het voeren van de naam universiteit in vertalingen.

Lid 2

In afwijking van het eerste lid, mag een instelling voor hoger onderwijs die in Nederland is gevestigd als nevenvestiging van een buitenlandse universiteit, de naam universiteit voeren, indien de instelling:

  1. haar hoofdvestiging heeft in een land dat behoort tot de Europese Economische Ruimte;

  2. in het land van hoofdvestiging als universiteit is gevestigd conform de daar geldende onderwijs- en vestigingsregels, daar het recht heeft graden te verlenen, waaronder de graad Doctor of Doctor of Philosophy en ook in Nederland toegang tot promotie biedt;

  3. op haar website duidelijk kenbaar maakt in welk land de hoofdvestiging is, welke graden op grond van welke opleidingen worden verleend en op grond van welke regeling een graad wordt verleend, met dien verstande dat de instelling deze gegevens, bij afwezigheid van een website, anderszins kenbaar maakt aan aanstaande studenten; en

  4. op ieder getuigschrift dat wordt verstrekt ten bewijze dat een graad is behaald, de naam van de instelling vermeldt en de regeling op grond waarvan de graad wordt verleend.

Lid 3

De bewijslast dat is voldaan aan de voorwaarden van het tweede lid, rust op de instelling.

Lid 4

Onze Minister kan besluiten dat nevenvestigingen van buitenlandse instellingen die hun hoofdvestiging buiten de Europese Economische Ruimte hebben, zich hier universiteit mogen noemen indien zij voldoen aan bij ministeriële regeling vast te leggen criteria. Het tweede en derde lid zijn hierop van overeenkomstige toepassing.

Artikel 1.23

Lid 1

Het voeren van de naam hogeschool is voorbehouden aan de instellingen voor hoger onderwijs die zijn opgenomen in de bijlage van deze wet onder g, en aan rechtspersonen voor hoger onderwijs. Onder het voeren van de naam hogeschool wordt tevens het voeren van deze naam in samenstellingen verstaan, alsmede het voeren van de naam hogeschool in vertalingen. In afwijking van artikel 1.22, eerste lid, wordt de naam hogeschool in het Engels aangeduid met «university of applied sciences» dan wel, bij hogescholen die opleiden tot een bepaald beroepsprofiel, «university» met daarachter het vakgebied.

Lid 2

In afwijking van het eerste lid, mag een onderwijsinstelling die in Nederland is gevestigd als nevenvestiging van een buitenlandse instelling, de naam hogeschool voeren indien de instelling:

  1. haar hoofdvestiging heeft in een land dat behoort tot de Europese Economische Ruimte; en

  2. in het land van hoofdvestiging als instelling voor hoger onderwijs is gevestigd conform de daar geldende onderwijs- en vestigingsregels en daar het recht heeft graden te verlenen; en

  3. op haar website duidelijk kenbaar maakt in welk land de hoofdvestiging is, welke graden op grond van welke opleidingen worden verleend en op grond van welke regeling een graad wordt verleend, met dien verstande dat de instelling deze gegevens, bij afwezigheid van een website, anderszins kenbaar maakt aan aanstaande studenten; en

  4. op ieder getuigschrift dat wordt verstrekt ten bewijze dat een graad is behaald, de naam van de instelling vermeldt en de regeling op grond waarvan de graad wordt verleend.

Lid 3

De bewijslast dat is voldaan aan de voorwaarden van het tweede lid, rust op de instelling.

Lid 4

Onze Minister kan besluiten dat nevenvestigingen van buitenlandse instellingen die hun hoofdvestiging buiten de Europese Economische Ruimte hebben, zich hier hogeschool mogen noemen indien zij voldoen aan bij ministeriële regeling vast te leggen criteria. Het tweede en derde lid zijn hierop van overeenkomstige toepassing.

Artikel 1.24

Lid 1

In afwijking van artikel 1.22, eerste lid, mag de naam universiteit worden gevoerd door:

  1. de volksuniversiteiten;

  2. een persoon of rechtspersoon die geen graden verleent, noch in het vooruitzicht stelt en die geen betaling vraagt voor onderwijs of certificaten.

Lid 2

In afwijking van artikel 1.23, eerste lid, mag de naam hogeschool worden gevoerd door:

  1. de volkshogescholen;

  2. de Evangelische Hogeschool in Amersfoort en de Vrije Hogeschool in Zeist;

  3. een persoon of rechtspersoon die geen graden verleent, noch in het vooruitzicht stelt en die geen betaling vraagt voor onderwijs of certificaten.

Artikel 1.25

Onderzoeksgegevens die louter tot stand zijn gekomen met een wetenschappelijk oogmerk of in het kader van onderzoek gericht op de beroepspraktijk en die geen betrekking hebben op de bestuursvoering van een instelling als bedoeld in artikel 1.2, onderdeel a of onderdeel c alsmede op de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, kunnen beschikbaar worden gesteld voor wetenschappelijk onderzoek.

Artikel 1.26

Artikel 2:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing in het verkeer tussen studenten of ouders en het instellingsbestuur.