Hoofdstuk 11. Het bestuur en de inrichting van de Open Universiteit

Artikel 11.1

Lid 1

Het college van bestuur van de Open Universiteit is belast met het bestuur van de Open Universiteit in haar geheel en met het beheer daarvan, onverminderd de bevoegdheden van de raad van toezicht volgens dit hoofdstuk.

Lid 2

De voorzitter van het college van bestuur vertegenwoordigt de Open Universiteit in en buiten rechte.

Artikel 11.2

Lid 1

Het college van bestuur bestaat uit ten hoogste drie leden, waaronder de voorzitter. Bij de benoeming wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met een evenwichtige verdeling van de zetels over mannen en vrouwen.

Lid 2

De benoeming van de leden van het college van bestuur geschiedt op basis van vooraf openbaar gemaakte profielen.

Lid 3

Voor het benoemen van een lid van het college van bestuur stelt de raad van toezicht een sollicitatiecommissie in waarvan in elk geval deel uitmaken:

  1. een lid van of namens het deel van de universiteitsraad dat uit en door het personeel is gekozen, of indien het college van bestuur heeft besloten dat de Wet op de ondernemingsraden met uitzondering van hoofdstuk VII B van toepassing is, een lid van of namens de ondernemingsraad, en

  2. een lid van of namens het deel van de universiteitsraad dat uit en door studenten is gekozen, of een lid van of namens het orgaan dat op grond van een door het college van bestuur vastgestelde medezeggenschapsregeling ten behoeve van de studenten van de Open Universiteit is ingesteld.

Alvorens tot benoeming of ontslag van een lid van het college van bestuur over te gaan, hoort de raad van toezicht vertrouwelijk de universiteitsraad dan wel, indien het college van bestuur heeft besloten dat de Wet op de ondernemingsraden met uitzondering van hoofdstuk VII B van toepassing is, de gezamenlijke vergadering van de ondernemingsraad en het orgaan dat op grond van een door het college van bestuur vastgestelde medezeggenschapsregeling ten behoeve van de studenten van de Open Universiteit is ingesteld, over het voorgenomen besluit tot benoeming of ontslag. Het horen geschiedt op een zodanig tijdstip dat het van wezenlijke invloed kan zijn op de besluitvorming.

Lid 4

Een lid van het college van bestuur kan om gewichtige redenen tussentijds worden ontslagen.

Lid 5

Indien het college van bestuur slechts uit de voorzitter bestaat, regelt de raad van toezicht de vervanging van de voorzitter bij diens afwezigheid of ontstentenis.

Lid 6

Een lid van het college van bestuur kan niet tevens zijn:

  1. lid van de raad van toezicht van de Open Universiteit,

  2. decaan van een faculteit of lid van het bestuur daarvan, tenzij de Open Universiteit slechts een faculteit zou omvatten,

  3. lid van het bestuur van een opleiding, indien dat bestuur is ingesteld, of

  4. lid van de raad van toezicht of van het college van bestuur van een andere universiteit.

Lid 7

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de rechtspositie van de voorzitter en de andere leden van het college van bestuur.

Artikel 11.3

Lid 1

Het college van bestuur stelt het bestuurs- en beheersreglement ter regeling van het bestuur, het beheer en de inrichting van de Open Universiteit vast.

Lid 2

In het reglement worden regels vastgesteld omtrent de totstandkoming van de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.13. Deze regels betreffen in elk geval de aanwijzing van het orgaan dat de onderwijs- en examenregeling vaststelt.

Artikel 11.4

Lid 1

Het college van bestuur is verantwoording verschuldigd aan de raad van toezicht.

Lid 2

Het college van bestuur verstrekt de raad van toezicht de gevraagde inlichtingen betreffende zijn besluiten en andere handelingen.

Lid 3

Het college van bestuur verstrekt Onze Minister de gevraagde inlichtingen omtrent de Open Universiteit.

Artikel 11.5

Lid 1

De raad van toezicht bestaat uit ten minste drie en ten hoogste vijf leden.

Lid 2

De voorzitter en de andere leden van de raad van toezicht worden door Onze Minister benoemd, geschorst en ontslagen. Een van de leden wordt benoemd op voordracht van de universiteitsraad dan wel, indien het college van bestuur heeft besloten dat de Wet op de ondernemingsraden met uitzondering van hoofdstuk VII B van toepassing is, de gezamenlijke vergadering van de ondernemingsraad en het orgaan dat op grond van een door het college van bestuur vastgestelde medezeggenschapsregeling ten behoeve van de studenten van de Open Universiteit is ingesteld. De voordracht bevat ten minste twee namen. Indien de voorgedragen kandidaten niet door Onze Minister worden benoemd, wordt een nieuwe voordracht gedaan. Onze Minister kan gemotiveerd afwijken van de tweede voordracht. Bij de benoeming wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met een evenwichtige verdeling van de zetels over mannen en vrouwen. Onze Minister benoemt een lid dat in het bijzonder het vertrouwen geniet van de universiteitsraad dan wel, indien het college van bestuur heeft besloten dat de Wet op de ondernemingsraden met uitzondering van hoofdstuk VII B van toepassing is, de gezamenlijke vergadering van de ondernemingsraad en het orgaan dat op grond van een door het college van bestuur vastgestelde medezeggenschapsregeling ten behoeve van de studenten van de Open Universiteit is ingesteld. De benoeming geschiedt voor een periode van ten hoogste vier jaren.

Lid 3

Een lid kan om gewichtige redenen tussentijds worden ontslagen.

Lid 4

De samenstelling, taken en bevoegdheden van de raad van toezicht zijn zodanig dat de raad een deugdelijk en onafhankelijk toezicht kan uitoefenen. De leden van de raad van toezicht hebben geen directe belangen bij de open Universiteit. De leden van de raad zijn niet tevens werkzaam bij een ministerie dan wel lid van de Eerste of Tweede Kamer der Staten-Generaal. Zij hebben zitting op persoonlijke titel en oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak. De benoeming van de leden van de raad geschiedt op basis van vooraf openbaar gemaakte profielen.

Lid 5

De universiteitsraad dan wel de ondernemingsraad en het orgaan binnen de universiteit dat op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 9.30, derde lid, tweede volzin, is ingesteld, wordt of worden in de gelegenheid gesteld om aan de raad van toezicht advies uit te brengen over de profielen bedoeld in het vierde lid.

Lid 6

Het college van bestuur voorziet in de functioneel onafhankelijke administratieve ondersteuning van de raad van toezicht. De raad van toezicht heeft instemmingsrecht ten aanzien van de benoeming en het ontslag van de secretaris van de administratieve ondersteuning.

Lid 7

Het college van bestuur woont de vergaderingen van de raad van toezicht bij, tenzij de raad anders beslist. Het college van bestuur heeft daarin een adviserende stem.

Lid 8

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels vastgesteld omtrent tegemoetkomingen aan de leden van de raad van toezicht.

Artikel 11.6

Lid 1

De raad van toezicht houdt, met het oog op de taken van de Open Universiteit, bedoeld in artikel 1.3, vierde lid, toezicht op de uitvoering van werkzaamheden en de uitoefening van bevoegdheden door het college van bestuur en staat dit college met raad ter zijde. De raad van toezicht is in elk geval belast met:

  1. het benoemen, schorsen, ontslaan en vaststellen van de beloning van de leden van het college van bestuur;

  2. het goedkeuren van het bestuurs- en beheersreglement;

  3. het goedkeuren van de begroting, de jaarrekening, het bestuursverslag en het instellingsplan;

  4. indien van toepassing, het goedkeuren van een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in artikel 8.1;

  5. het toezien op de naleving door het college van bestuur van wettelijke verplichtingen en de omgang met de branchecode, bedoeld in artikel 2.9;

  6. het toezien op de rechtmatige verwerving en op de doelmatige en rechtmatige bestemming en aanwending van de middelen verkregen op grond van de artikelen 2.5 en 2.6;

  7. het aanwijzen van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek die verslag uitbrengt aan de raad;

  8. het toezien op de vormgeving van het systeem van kwaliteitszorg overeenkomstig artikel 1.18, en

  9. het jaarlijks afleggen van verantwoording over de uitvoering van de taken en de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld onder a tot en met h, in het bestuursverslag van de universiteit.

Lid 2

De raad van toezicht pleegt ten minste twee keer per jaar overleg met de medezeggenschapsraad dan wel de ondernemingsraad en het orgaan binnen de instelling dat op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 9.30, derde lid, tweede volzin, is ingesteld.

Artikel 11.7

Lid 1

De raad van toezicht is verantwoording verschuldigd aan Onze Minister.

Lid 2

De raad van toezicht verschaft Onze Minister de gevraagde inlichtingen betreffende zijn handelen.

Artikel 11.7a

Lid 1

Onze Minister kan de raad van toezicht een aanwijzing tot het nemen van een of meer maatregelen geven, indien sprake is van wanbeheer.

Lid 2

Onder wanbeheer wordt verstaan:

  1. financieel wanbeleid;

  2. het in ernstige mate of langdurig nalaten om, in ieder geval in strijd met artikel 1.18, maatregelen te treffen die noodzakelijk zijn voor het waarborgen van de kwaliteit en de goede voortgang van het onderwijs, waaronder de deugdelijke afsluiting daarvan;

  3. het door een bestuurder of toezichthouder ongerechtvaardigd verrijken van de rechtspersoon die de instelling in stand houdt, zichzelf of een derde;

  4. het in de hoedanigheid van bestuurder of toezichthouder handelen in strijd met wettelijke bepalingen waardoor financieel voordeel wordt behaald ten gunste van de rechtspersoon die de instelling in stand houdt, zichzelf of een derde;

  5. het in ernstige mate verwaarlozen van de zorg voor wat door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd in de omgang met betrokkenen binnen de instelling, waaronder in ieder geval wordt verstaan intimidatie of bedreiging van personeel of studenten door een bestuurder of toezichthouder.

Lid 3

Onze Minister motiveert in de aanwijzing waarom het doel van de aanwijzing niet met een minder zwaar middel kan worden bereikt.

Lid 4

De aanwijzing vermeldt de termijn waarbinnen zij moet worden uitgevoerd.

Lid 5

Voordat Onze Minister een aanwijzing geeft heeft de inspectie een onderzoek als bedoeld in artikel 12a van de Wet op het onderwijstoezicht verricht en daarover een inspectierapport uitgebracht als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht, waaruit volgt dat sprake is van wanbeheer als bedoeld in het tweede lid.

Lid 6

Indien het onderzoek, bedoeld in het vierde lid, mede de kwaliteit van het onderwijs betreft, betrekt de inspectie het accreditatieorgaan bij haar onderzoek.

Artikel 11.7b

Lid 1

Onze Minister kan de raad van toezicht een spoedaanwijzing tot het nemen van een of meer voorlopige maatregelen geven, indien:

  1. een of meer organen van een instelling als bedoeld in artikel 1.8 tekortschieten in de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet;

  2. uit dat tekortschieten of mede uit dat tekortschieten een wezenlijk vermoeden van wanbeheer als bedoeld in artikel 11.7a, tweede lid, volgt; en

  3. dat is vereist in verband met onverwijlde spoed.

Lid 2

Onze Minister motiveert in de spoedaanwijzing waarom het doel van de spoedaanwijzing niet met een minder zwaar middel kan worden bereikt.

Lid 3

De spoedaanwijzing vermeldt de termijn waarbinnen zij moet worden uitgevoerd.

Lid 4

De spoedaanwijzing bepaalt de duur waarvoor zij geldt. Deze geldigheidsduur bedraagt ten hoogste zes maanden. Onze Minister kan de geldingsduur eenmalig verlengen met ten hoogste zes maanden. Op een verlengingsbesluit is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.

Lid 5

Voordat Onze Minister een spoedaanwijzing geeft heeft de inspectie een onderzoek als bedoeld in artikel 12a van de Wet op het onderwijstoezicht verricht en daarover een inspectierapport uitgebracht als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht, waaruit volgt dat is voldaan aan de vereisten, bedoeld in het eerste lid.

Lid 6

Onze Minister informeert de beide Kamers der Staten-Generaal onverwijld nadat toepassing is gegeven aan het eerste lid.

Artikel 11.8

In het bestuurs- en beheersreglement wordt geregeld welke opleidingen door de Open Universiteit worden verzorgd.

Artikel 11.9

Lid 1

Tot het personeel van de Open Universiteit behoren in elk geval de hoogleraren. In het benoemingsbesluit wordt vermeld het wetenschapsgebied waarop de hoogleraar zijn onderwijs- en onderzoektaken uitoefent.

Lid 2

De hoogleraren zijn bij uitstek verantwoordelijk voor de ontwikkeling van het hun toegewezen wetenschapsgebied en voor de inhoud van het te geven onderwijs op dat gebied, onverminderd de bevoegdheid van het college van bestuur terzake van de onderwijs- en examenregeling.

Lid 3

Eervol ontslagen hoogleraren behouden nog gedurende vijf jaren na hun ontslag het recht als promotor op te treden.

Lid 4

De hoogleraren zijn gerechtigd de titel professor te voeren. De oud-hoogleraren aan wie om gezondheidsredenen, wegens vrijwillig vervroegd uittreden dan wel bij of na het bereiken van de voor de openbare dienst geldende functionele leeftijdsgrens eervol ontslag als hoogleraar is verleend, zijn eveneens gerechtigd deze titel te voeren.

Artikel 11.10

Lid 1

Aan de Open Universiteit is een college voor promoties verbonden. Het college voor promoties bestaat uit hoogleraren.

Lid 2

Het college voor promoties hoort de raad van toezicht over het verlenen van de graad, bedoeld in artikel 7.19, tweede lid.

Lid 3

In het bestuurs- en beheersreglement worden de taak, de samenstelling en de wijze van benoeming van het college voor promoties nader geregeld.

Artikel 11.11

Lid 1

Voor elke opleiding of groep van opleidingen wordt door het college van bestuur een opleidingscommissie ingesteld. De commissie heeft tot taak te adviseren over het bevorderen en waarborgen van de kwaliteit van de opleiding. De commissie heeft voorts instemmingsrecht ten aanzien van de onderwerpen in de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.13, tweede lid, onder a1, b, c, d, e, g, v en z en adviesrecht ten aanzien van de vaststelling of wijziging van de overige onderdelen. Zij beoordeelt jaarlijks de wijze van uitvoering van die regeling en brengt advies uit over de regeling. De commissie bespreekt het visitatierapport, bedoeld in artikel 5.13, vierde lid. De commissie brengt bovendien desgevraagd of uit eigen beweging advies uit aan het orgaan, bedoeld in artikel 11.3, tweede lid, over alle aangelegenheden die betrekking hebben op of van invloed zijn op het onderwijs in de desbetreffende opleiding of groep van opleidingen. De commissie zendt haar adviezen ter kennisneming aan de universiteitsraad dan wel, indien het college van bestuur heeft besloten dat de Wet op de ondernemingsraden met uitzondering van hoofdstuk VII B van toepassing is, de gezamenlijke vergadering van de ondernemingsraad en het orgaan dat op grond van een door het college van bestuur vastgestelde medezeggenschapsregeling ten behoeve van de studenten van de Open Universiteit is ingesteld.

Lid 2

Op een advies, bedoeld in het eerste lid, is artikel 9.35, aanhef en onderdelen b, c en d, van overeenkomstige toepassing.

Lid 3

Artikel 9.18, derde tot en met zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 11.12

De artikelen 9.53 tot en met 9.58 zijn van overeenkomstige toepassing op de Open Universiteit.

Artikel 11.13

Lid 1

Op de medezeggenschap zijn de artikelen 9.30 tot en met 9.36 en 9.48 van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat onder instellingscollegegeld wordt verstaan collegegeld OU.

Lid 2

Het college van bestuur behoeft voorts de voorafgaande instemming van de universiteitsraad dan wel, indien het college van bestuur heeft besloten dat de Wet op de ondernemingsraden met uitzondering van hoofdstuk VII B van toepassing is, de gezamenlijke vergadering van de ondernemingsraad en het orgaan dat op grond van een door het college van bestuur vastgestelde medezeggenschapsregeling ten behoeve van de studenten van de Open Universiteit is ingesteld, voor elk door hem te nemen besluit met betrekking tot ten minste de vaststelling of wijziging van de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.13, met uitzondering van de onderwerpen, genoemd in het tweede lid, onder a tot en met g, v en z, met uitzondering van de aanwijzing, bedoeld in het derde lid, en met uitzondering van de eisen, artikel 7.30b, tweede volzin.

Lid 3

Indien het college van bestuur besluit dat de Wet op de ondernemingsraden niet van toepassing is op de Open Universiteit is in afwijking van artikel 9.30, vierde lid, paragraaf 2 van titel 2 van hoofdstuk 9 niet van toepassing.

Lid 4

Het aantal leden van de universiteitsraad van de Open Universiteit bedraagt ten hoogste achttien.

Artikel 11.14

Vervallen

Artikel 11.15

Vervallen

Artikel 11.16

Lid 1

De geschillencommissie medezeggenschap, bedoeld in artikel 9.39, is bevoegd ten aanzien van geschillen binnen de Open Universiteit.

Lid 2

Hoofdstuk 9, titel 2, paragraaf 3 en artikel 9.46 zijn van overeenkomstige toepassing op de Open Universiteit.

Artikel 11.17

Vervallen

Artikel 11.18

Vervallen

Artikel 11.19

Vervallen

Artikel 11.20

Vervallen

Artikel 11.21

Vervallen

Artikel 11.22

Vervallen

Artikel 11.23

Vervallen

Artikel 11.24

Vervallen

Artikel 11.25

Vervallen

Artikel 11.26

Vervallen

Artikel 11.27

Vervallen

Artikel 11.28

Vervallen

Artikel 11.29

Vervallen

Artikel 11.30

Vervallen