Hoofdstuk 12. Het bestuur en de inrichting van de academische ziekenhuizen
Artikel 12.1
Lid 1
Dit hoofdstuk is, met uitzondering van titel 1, paragraaf 3, van toepassing op de openbare academische ziekenhuizen en, met uitzondering van titel 1, paragraaf 2, van toepassing op de bijzondere academische ziekenhuizen.
Lid 2
De titels 2 tot en met 4 van dit hoofdstuk zijn van overeenkomstige toepassing op de samenwerking tussen het academisch ziekenhuis en de universiteiten, genoemd in artikel 1.13, derde lid.
Artikel 12.2
Lid 1
Bij het bestuur en de inrichting van het academisch ziekenhuis wordt voorzover de belangen van de patiënten dat toelaten, rekening gehouden met de belangen van het wetenschappelijk geneeskundig onderwijs en onderzoek bij de universiteit.
Lid 2
In het bijzonder worden hoogleraren van de faculteit der geneeskunde, wier vakgebied hen daarvoor in aanmerking doet komen, alsmede de andere leden van het wetenschappelijk personeel die op het desbetreffende vakgebied werkzaam zijn, in de gelegenheid gesteld tot het geven van wetenschappelijk geneeskundig onderwijs en het doen van wetenschappelijk geneeskundig onderzoek.
Artikel 12.3
Lid 1
De bestuursorganen van het academisch ziekenhuis zijn de raad van bestuur en de raad van toezicht.
Lid 2
Aan de raad van bestuur behoort de bevoegdheid tot regeling en bestuur van de zaken van het academisch ziekenhuis in zijn geheel, voorzover deze niet bij of krachtens deze wet aan de raad van toezicht is opgedragen.
Lid 3
De raad van bestuur oefent de taken en bevoegdheden uit die bij of krachtens de wet aan het instellingsbestuur zijn opgedragen, voorzover bij of krachtens dit hoofdstuk niet anders is bepaald.
Lid 4
Tegen een beslissing op grond van artikel 1.14, eerste lid, houdende vaststelling van het deel van de rijksbijdrage voor de universiteit waarop het academisch ziekenhuis aanspraak heeft, kan beroep worden ingesteld door het college van bestuur van de universiteit waaraan het academisch ziekenhuis is verbonden in overeenstemming met de raad van bestuur.
Artikel 12.4
Lid 1
De raad van bestuur bestaat uit een voorzitter en twee andere leden. In bijzondere gevallen kan Onze Minister bepalen dat de raad van bestuur uit een voorzitter en drie andere leden bestaat. In gevallen waarin toepassing is gegeven aan de tweede volzin, geeft de stem van de voorzitter de doorslag indien in de raad van bestuur de stemmen staken.
Lid 2
De voorzitter en de andere leden worden door de raad van toezicht benoemd en ontslagen.
Artikel 12.5
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de rechtspositie van de voorzitter en de andere leden van de raad van bestuur.
Artikel 12.6
Lid 1
Onverminderd hetgeen overigens bij of krachtens deze wet is bepaald, is de raad van bestuur belast met:
het vaststellen van het bestuursreglement, bedoeld in artikel 12.7,
het vaststellen van de begroting,
het vaststellen van het bestuursverslag, en
het vaststellen van de jaarrekening.
Lid 2
De raad van bestuur doet ten behoeve van het academisch ziekenhuis de noodzakelijke uitgaven binnen de grenzen van de begroting.
Artikel 12.7
Het bestuursreglement bevat een nadere regeling van het bestuur en de inrichting van het academisch ziekenhuis.
Artikel 12.8
De raad van bestuur is verantwoording verschuldigd aan de raad van toezicht. De raad van bestuur verstrekt de raad van toezicht de gevraagde inlichtingen betreffende het academisch ziekenhuis.
Artikel 12.9
Lid 1
De voorzitter van de raad van bestuur vertegenwoordigt het academisch ziekenhuis in en buiten rechte.
Lid 2
De raad van bestuur wijst uit zijn midden een vice-voorzitter aan, die bij afwezigheid of ontstentenis van de voorzitter deze vervangt.
Artikel 12.10
Lid 1
De raad van toezicht bestaat uit vijf of zeven leden. Het aantal leden wordt door Onze Minister na overleg met de raad van toezicht bepaald.
Lid 2
De voorzitter en de andere leden worden door Onze Minister benoemd, geschorst en ontslagen. De benoeming geschiedt voor een termijn van ten hoogste vier jaren, de raad van toezicht gehoord.
Lid 3
De leden kunnen tussentijds, ook op eigen verzoek, worden ontslagen, de raad van toezicht gehoord.
Lid 4
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels vastgesteld omtrent tegemoetkomingen aan de leden van de raad van toezicht.
Lid 5
De raad van toezicht wijst uit zijn midden een vice-voorzitter aan, die bij afwezigheid of ontstentenis van de voorzitter deze vervangt.
Artikel 12.11
De raad van toezicht nodigt de raad van bestuur uit om de vergadering van de raad van toezicht geheel of gedeeltelijk bij te wonen, tenzij de raad van toezicht in een bepaald geval bij met redenen omkleed besluit anders beslist.
Artikel 12.12
Lid 1
Onverminderd het overigens bij of krachtens deze wet bepaalde is de raad van toezicht belast met het houden van een voortdurend toezicht op al wat het academisch ziekenhuis aangaat, daaronder begrepen het toezicht op de naleving van de op het academisch ziekenhuis betrekking hebbende wetten alsmede van de krachtens die wetten uitgevaardigde regelingen, richtlijnen, aanwijzingen en reglementen.
Lid 2
Het bestuursreglement, de begroting, de jaarrekening en het bestuursverslag behoeven de goedkeuring dan wel de instemming van de raad van toezicht. De goedkeuring dan wel de instemming wordt verleend of onthouden in zijn geheel dan wel met betrekking tot een of meer onderdelen. Indien binnen vier weken na ontvangst van een besluit als bedoeld in de eerste volzin, door de raad van toezicht niet anders is beslist is het besluit goedgekeurd dan wel wordt daarmee ingestemd. De raad van toezicht kan deze termijn verlengen tot ten hoogste acht weken. De goedkeuring kan slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.
Lid 3
Indien binnen een door de raad van toezicht te bepalen termijn het bestuursreglement niet of niet volledig is vastgesteld, kan de raad van toezicht het bestuursreglement of het ontbrekende gedeelte daarvan vaststellen.
Artikel 12.13
De raad van toezicht is verantwoording verschuldigd aan Onze Minister. Hij verstrekt Onze Minister de gevraagde inlichtingen betreffende zijn handelingen.
Artikel 12.14
Vervallen
Artikel 12.15
De raad van bestuur beslist, na overleg met het college van bestuur van de universiteit waaraan het ziekenhuis is verbonden, welke afdelingen en andere onderdelen het academisch ziekenhuis omvat.
Artikel 12.16
Lid 1
Onverminderd de verantwoordelijkheid van de raad van bestuur berust de verantwoordelijkheid voor de geneeskundige behandeling en verzorging der patiënten bij de hoofden van de desbetreffende afdelingen. Zij nemen daarbij de organisatorische en financiële kaders als aangegeven door de raad van bestuur in acht.
Lid 2
De afdelingshoofden worden als zodanig benoemd en ontslagen door de raad van bestuur. Tot afdelingshoofd wordt, in het algemeen, slechts benoemd een hoogleraar van de faculteit der geneeskunde, wiens vakgebied hem daarvoor in aanmerking doet komen.
Lid 3
De in artikel 12.2, tweede lid, bedoelde hoogleraren, niet zijnde afdelingshoofd, en andere leden van het wetenschappelijk personeel waarvan de functie meebrengt dat zij mede worden belast met patiëntenzorg behoeven tevens een aanstelling bij het academisch ziekenhuis.
Lid 4
De benoeming en het ontslag van de in het tweede en derde lid bedoelde personen aan de universiteit behoeven de instemming van de raad van bestuur. De benoeming en het ontslag van de in het tweede en derde lid bedoelde personen aan het academisch ziekenhuis behoeven de instemming van het college van bestuur.
Lid 5
De raad van bestuur stelt in overeenstemming met het college van bestuur voor de in het tweede en derde lid bedoelde personen een instructie vast. In de instructie, bedoeld in de eerste volzin, wordt ten aanzien van de in het tweede en derde lid bedoelde personen, in ieder geval bepaald:
de wijze waarop de wederzijdse bevoegdheden van de raad van bestuur en het college van bestuur ten aanzien van die personen worden uitgeoefend;
of het rechtspositieregime dat geldt voor het personeel van de universiteit dan wel het rechtspositieregime dat geldt voor het personeel van het academisch ziekenhuis van toepassing is.
Artikel 12.17
Lid 1
Er is een stafconvent, dat overeenkomstig in het bestuursreglement te stellen regelen medewerkt aan het bestuur van het academisch ziekenhuis.
Lid 2
De samenstelling van het stafconvent wordt vastgesteld in het bestuursreglement met dien verstande, dat de afdelingshoofden in elk geval zitting hebben in dit convent.
Lid 3
De leden van het stafconvent kiezen uit hun midden een voorzitter en een secretaris overeenkomstig in het bestuursreglement te stellen regelen.
Artikel 12.18
Lid 1
De besturen van de rechtspersonen, waarvan de bijzondere academisch ziekenhuizen uitgaan, stellen regelen vast inzake het bestuur en de inrichting van die academisch ziekenhuizen, in afstemming met de besturen van de rechtspersonen, waarvan de universiteiten uitgaan, waaraan deze academische ziekenhuizen zijn verbonden. Bij de vaststelling van de regelen inzake het bestuur en de inrichting van het academisch ziekenhuis wordt paragraaf 2 in acht genomen voorzover de eigen aard van het bijzonder academisch ziekenhuis zich daartegen naar het oordeel van het bestuur niet verzet. Zij brengen die regelen alsmede wijzigingen daarvan zo spoedig mogelijk ter kennis van Onze Minister.
Lid 2
De regelen alsmede de wijzigingen daarvan, bedoeld in het eerste lid, voldoen aan de in artikel 1.14, tweede lid, onder c, bedoelde voorwaarde, indien Onze Minister niet binnen drie maanden na de ontvangst van de mededeling bij een aan het betrokken bestuur gericht aangetekend schrijven heeft verklaard van oordeel te zijn, dat het betrokken bestuur bij de vaststelling van de regelen of de wijziging daarvan op door hem aan te wijzen punten paragraaf 2 niet in acht heeft genomen en daartoe in redelijkheid geen beroep heeft kunnen doen op de eigen aard van het bijzonder academisch ziekenhuis die zich tegen inachtneming daarvan zou verzetten, of dat onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt.
Lid 3
De in het eerste lid bedoelde besturen geven aan Onze Minister de nodige inlichtingen omtrent het academisch ziekenhuis.
Lid 4
De werking van het besluit van Onze Minister, bedoeld in het tweede lid, wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.
Artikel 12.19
Lid 1
De universiteit en het daaraan verbonden academisch ziekenhuis richten gezamenlijk een gemeenschappelijk beleidsorgaan op.
Lid 2
Het gemeenschappelijk beleidsorgaan heeft tot taak een doelmatige samenwerking op het terrein van het wetenschappelijk geneeskundig onderwijs en onderzoek tussen de universiteit en het academisch ziekenhuis te bevorderen.
Artikel 12.20
Lid 1
De oprichting van een gemeenschappelijk beleidsorgaan geschiedt bij een gemeenschappelijke regeling, die wordt getroffen door het college van bestuur en de raad van bestuur, na overleg met de universiteitsraad of ondernemingsraad, onderscheidenlijk de raad van toezicht. De gemeenschappelijke regeling wordt door het college van bestuur en de raad van toezicht gezamenlijk aan Onze Minister gezonden.
Lid 2
Onder het treffen van een gemeenschappelijke regeling wordt mede verstaan het wijzigen van die regeling.
Lid 3
De gemeenschappelijke regeling voorziet in de samenstelling, de bevoegdheden, de taken en de werkwijze van het gemeenschappelijk beleidsorgaan met inachtneming van het in deze wet bepaalde.
Lid 4
In de gemeenschappelijke regeling wordt bepaald op welke wijze geschillen omtrent de uitvoering of toepassing daarvan worden beslist.
Artikel 12.21
Een universiteit en het daaraan verbonden academisch ziekenhuis voeren overleg over de onderlinge afstemming van hun werkzaamheden op het gebied van het wetenschappelijk geneeskundig onderwijs en onderzoek. Het gemeenschappelijk beleidsorgaan stelt het document vast, waarin de resultaten van dit overleg zijn vastgelegd. Voorzover de universiteit en het academisch ziekenhuis niet binnen redelijke tijd tot overeenstemming hebben kunnen komen, stelt het gemeenschappelijk beleidsorgaan zelf de onderlinge afstemming van werkzaamheden, bedoeld in de eerste volzin, vast.
Artikel 12.22
Het college van bestuur en de raad van bestuur kunnen bij overeenkomst een gemeenschappelijk uitvoeringsorgaan instellen voor de uitvoering van het document, bedoeld in artikel 12.21. Daartoe voorziet de overeenkomst in de overdracht van bevoegdheden van het college van bestuur en van de raad van bestuur aan het gemeenschappelijk uitvoeringsorgaan. De besluiten van het gemeenschappelijk uitvoeringsorgaan, genomen krachtens enige door het college van bestuur overgedragen bevoegdheid kunnen bij koninklijk besluit worden vernietigd.
Artikel 12.23
Het bestuur van de faculteit der geneeskunde en de raad van bestuur stellen bij gezamenlijk besluit vast op welke wijze zij periodiek overleg voeren over aangelegenheden betreffende het wetenschappelijk geneeskundig onderwijs en onderzoek. Het in de eerste volzin bedoelde besluit regelt de samenstelling en de inrichting van het overleg.