Hoofdstuk 15. Inhouding bekostiging, schadevergoeding en strafbepalingen
Artikel 15.1
Lid 1
Onze Minister kan de rijksbijdrage, een voorschot daaronder begrepen, geheel of gedeeltelijk inhouden dan wel opschorten, indien:
een of meer organen van een instelling als bedoeld in artikel 1.4, 1.5 of 1.8 in strijd handelen met het bepaalde bij of krachtens deze wet;
de raad van toezicht een aanwijzing als bedoeld in artikel 9.9a, 9.51, tweede lid, zesde volzin, 10.3e of 11.7a of een spoedaanwijzing als bedoeld in artikel 9.9b, 10.3e1 of 11.7b niet opvolgt; of
het bestuur een aanwijzing als bedoeld in artikel 9.51, achtste lid, niet opvolgt.
Lid 2
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien het instellingsbestuur, het personeel van een instelling of het accreditatieorgaan in strijd handelt met artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Lid 3
Onze Minister kent de rijksbijdrage wederom toe, indien blijkt dat de reden voor de toepassing van het eerste of tweede lid is vervallen.
Artikel 15.2
Degene die niet is ingeschreven en gebruikmaakt van onderwijs- of examenvoorzieningen ten behoeve van onderwijs van een in de bijlage van deze wet opgenomen instelling, is deswege aan die instelling een schadevergoeding verschuldigd, die door het instellingsbestuur wordt vastgesteld:
met toepassing van artikel 7.46, tweede lid, indien het deelname aan een voltijdse opleiding betreft, of
met toepassing van artikel 7.45, tweede lid, indien het deelname aan een deeltijdse of duale opleiding betreft.
Artikel 15.3
Degene die niet is ingeschreven en gebruikt maakt van onderwijs- of examenvoorzieningen ten behoeve van initieel onderwijs van een in de bijlage van deze wet opgenomen instelling, wordt gestraft met geldboete van de tweede categorie.
Artikel 15.4
Lid 1
Degene die aan onderwijs- of examenvoorzieningen ten behoeve van initieel onderwijs aan een in de bijlage van deze wet opgenomen instelling deelneemt, is verplicht bij die gelegenheid of onmiddellijk daarna op eerste vordering van of vanwege het instellingsbestuur aan dat bestuur dan wel aan een door dat bestuur aangewezen persoon of personen zijn naam en adres bekend te maken en het bewijs waaruit blijkt dat hij gerechtigd is daaraan deel te nemen, behoorlijk ter inzage te geven.
Lid 2
Degene die in strijd handelt met het eerste lid, wordt gestraft met geldboete van de eerste categorie.
Artikel 15.5
Degene die aan een in de bijlage van deze wet genoemde instelling meewerkt aan het afgeven van een getuigschrift zonder dat ten aanzien van degene die het desbetreffende examen of onderzoek met goed gevolg heeft afgelegd onderscheidenlijk heeft ondergaan, door het instellingsbestuur is verklaard dat het getuigschrift kan worden afgegeven, wordt gestraft met geldboete van de derde categorie.
Artikel 15.6
De in de artikelen 15.3, 15.4 en 15.5 strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.
Artikel 15.7
Lid 1
Het is verboden graden te verlenen of in het vooruitzicht te stellen, tenzij:
aan de opleiding accreditatie is verleend, of
toepassing is gegeven aan artikel 5.21, derde of zesde lid, of artikel 5.32, of
de graad wordt verleend op grond van een buitenlandse wettelijke regeling en zowel bij het aantrekken van studenten als bij de graadverlening kenbaar is gemaakt tot welke graad de opleiding leidt en op grond van welke buitenlandse regeling de graad wordt verleend, of
de graad wordt verleend op grond van artikel 7.18, eerste of zesde lid, of de uitzondering, bedoeld in artikel 1.22, tweede lid, van toepassing is.
Lid 2
Het is verboden titels, genoemd in de artikelen 7.20, 7.22, tweede lid, en 7a.5, te verlenen of in het vooruitzicht te stellen.
Lid 3
Onze Minister kan een bestuurlijke boete opleggen aan degene die in strijd met het eerste of tweede lid handelt.
Artikel 15.8
Onze Minister kan een bestuurlijke boete opleggen aan de natuurlijke persoon of rechtspersoon die handelt in strijd met artikel 1.22, 1.23, 1.24 of 7.15.
Artikel 15.9
De bestuurlijke boete die op grond van artikel 15.7 en artikel 15.8 kan worden opgelegd, bedraagt ten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de zesde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, respectievelijk artikel 27, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht BES of, indien dat meer is, ten hoogste 10% van de omzet van de onderneming, onderscheidenlijk, indien de overtreding door een ondernemersvereniging is begaan, van de gezamenlijke omzet van de ondernemingen die van de vereniging deel uitmaken, in het boekjaar voorafgaande aan de beschikking waarin de bestuurlijke boete wordt opgelegd.