Hoofdstuk 6. Onderwijsaanbod

Artikel 6.1

Lid 1

De titels 1 en 3 van dit hoofdstuk hebben betrekking op bekostigde universiteiten en hogescholen, op de Open Universiteit en op de levensbeschouwelijke universiteiten.

Lid 2

Titel 2 heeft uitsluitend en titel 3 heeft tevens betrekking op rechtspersonen voor hoger onderwijs.

Artikel 6.2

Lid 1

Het instellingsbestuur legt het voornemen tot:

  1. het verzorgen van een nieuwe opleiding;

  2. het samenvoegen van bestaande opleidingen; of

  3. het gezamenlijk verzorgen van een opleiding of afstudeerrichting als bedoeld in artikel 7.3c,

ter instemming aan Onze Minister voor met het oog op de beoordeling van een doelmatig onderwijsaanbod en de beoordeling van een doelmatige taakverdeling tussen de instellingen, gelet op het geheel van de voorzieningen op het gebied van het hoger onderwijs. Artikel 7.17, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Lid 2

Onze Minister kan zich bij de beoordeling van het voornemen, bedoeld in het eerste lid, laten bijstaan door een adviescommissie. Bij het samenvoegen van bestaande opleidingen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, of bij het gezamenlijk verzorgen van een opleiding als bedoeld in artikel 7.3c oordeelt het accreditatieorgaan of er sprake is van een nieuwe opleiding.

Lid 3

Met inachtneming van de aanvraag kan Onze Minister zijn instemming voor het verzorgen van een nieuwe opleiding beperken tot het verzorgen van een voltijdse, deeltijdse of duale opleiding. Onze Minister kan zijn instemming ook onder andere beperkingen verlenen.

Lid 4

Bij ministeriële regeling kunnen nadere eisen worden gesteld aan de aanvraag om instemming.

Lid 5

In geval Onze Minister instemt met het samenvoegen van bestaande opleidingen en het accreditatieorgaan heeft geoordeeld dat er geen sprake is van een nieuwe opleiding:

  1. dient het instellingsbestuur van de samengevoegde opleiding de aanvraag voor accreditatie bestaande opleiding in, onderscheidenlijk legt het visitatierapport voor het eerst over, op de datum waarop ten behoeve van de opleidingen die worden samengevoegd als eerste de aanvraag accreditatie bestaande opleiding zou moeten worden ingediend, onderscheidenlijk als eerste het visitatierapport zou moeten worden overgelegd; en

  2. kan Onze Minister desgevraagd bepalen dat het instellingsbestuur uiterlijk bij de aanvang van het zesde studiejaar, nadat de samenvoeging heeft plaatsgevonden, deze ongedaan maakt zonder dat daarvoor instemming als bedoeld in het eerste lid noodzakelijk is. Alsdan legt het instellingsbestuur voor de afzonderlijke opleidingen het visitatierapport over op de datum waarop het instellingsbestuur van de samengevoegde opleiding het visitatierapport zou moeten overleggen.

Lid 6

Onze Minister kan het instellingsbestuur maximaal twee jaar uitstel verlenen van de data, bedoeld in het vorige lid.

Lid 7

Indien sprake is van het samenvoegen van bestaande opleidingen kan Onze Minister bij het verlenen van de instemming desgevraagd bepalen dat het instellingsbestuur uiterlijk bij de aanvang van het zesde studiejaar nadat de samenvoeging heeft plaatsgevonden deze ongedaan kan maken zonder dat daarvoor instemming als bedoeld in het eerste lid noodzakelijk is.

Lid 8

Ingeval van een nieuwe opleiding in een van de openbare lichamen BES wordt bij de beoordeling gelet op de voorzieningen op het gebied van hoger onderwijs in Nederland en Aruba, Curaçao en Sint Maarten.

Lid 9

De instemming van Onze Minister vervalt, indien de opleiding niet binnen tien maanden nadat de instemming is verleend, is geregistreerd in de Registratie instellingen en opleidingen, bedoeld in artikel 6.13.

Lid 10

Onze Minister stelt beleidsregels vast op grond waarvan hij de aanvragen beoordeelt. Wijzigingen van de beleidsregels worden meegedeeld aan beide Kamers der Staten-Generaal.

Artikel 6.3

Vervallen

Artikel 6.4

Vervallen

Artikel 6.5

Lid 1

Onze Minister kan besluiten dat aan een opleiding de rechten, genoemd in artikel 1.9, eerste en tweede lid, worden ontnomen, indien:

  1. de verzorging van die opleiding, gelet op de spreiding en de mate van verscheidenheid van de voorzieningen in het hoger onderwijs, en het profiel van de instelling die de desbetreffende opleiding verzorgt, in redelijkheid niet of niet meer doelmatig kan worden geacht, of

  2. niet of niet meer wordt voldaan aan hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald over de kwaliteitszorg, de registratie, het onderwijs, de examens, de promoties of de vooropleidingseisen of toelatingseisen.

Lid 2

Bij een besluit als bedoeld in het eerste lid bepaalt Onze Minister het tijdstip waarop dat besluit van kracht wordt. Artikel 5.21, eerste, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6.6

Lid 1

Onze Minister neemt een besluit op grond van artikel 6.5, eerste lid, onderdeel a, uiterlijk acht weken na de datum waarop hij het voornemen tot het ontnemen van rechten aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal bekend heeft gemaakt. Hij zendt gelijktijdig een afschrift van deze bekendmaking aan de instelling die het aangaat. Onze Minister stelt ten minste drie maanden voordat hij het voornemen aan de Tweede Kamer bekendmaakt, de instelling van zijn voornemen tot ontneming van rechten op de hoogte.

Lid 2

Voordat Onze Minister een besluit neemt op de grond, genoemd in artikel 6.5, eerste lid, onderdeel b, geeft hij het instellingsbestuur een waarschuwing onder bepaling van een termijn waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven en desgewenst overleg met hem plaats kan vinden. De termijn waarbinnen aan de waarschuwing gevolg moet zijn gegeven, bedraagt ten minste drie maanden.

Artikel 6.7

Lid 1

Onze Minister kan op aanvraag van het instellingsbestuur toestemming verlenen aspirant-studenten bij de inschrijving voor een opleiding te selecteren volgens door het instellingsbestuur vast te stellen criteria en in samenhang daarmee voor de geselecteerde studenten een collegegeld vast te stellen dat hoger is dan het wettelijk collegegeld, bedoeld in artikel 7.45, eerste of vijfde lid.

Lid 2

De toestemming van Onze Minister heeft betrekking op een bepaalde opleiding of op een bepaald programma binnen een opleiding waarvan de studielast en eindtermen gelijk zijn aan die van de opleiding.

Lid 3

Onze Minister verleent uitsluitend zijn toestemming, indien:

  1. de aanvraag kleinschalig en intensief onderwijs betreft, dat is gericht op een bovengemiddeld onderwijsrendement en waarbij de activiteiten binnen en buiten het curriculum met elkaar zijn verbonden; en

  2. de toestemming geen afbreuk doet aan de kwaliteit of de toegankelijkheid van het hoger onderwijs.

Lid 4

Het hogere collegegeld bedoeld in het eerste lid, bedraagt ten hoogste vijf maal het wettelijk collegegeld, bedoeld in artikel 7.45, eerste of vijfde lid.

Artikel 6.7a

Lid 1

Aan de toestemming, bedoeld in artikel 6.7, eerste lid, zijn de volgende verplichtingen voor het instellingsbestuur verbonden:

  1. het selecteren van aspirant-studenten;

  2. het vaststellen van een regeling voor de selectiecriteria en -procedure;

  3. het vaststellen van een regeling voor de criteria en procedure voor dispensatie van betaling van het hogere collegegeld; en

  4. het meewerken aan een eenmalige toetsing aan de praktijk als bedoeld in artikel 6.7c.

Lid 2

Onze Minister kan andere verplichtingen aan de toestemming, bedoeld in artikel 6.7, eerste lid, verbinden.

Lid 3

Het instellingsbestuur selecteert de aspirant-studenten uitsluitend op grond van kwalitatieve criteria. Het aantal soorten kwalitatieve selectiecriteria bedraagt ten minste twee.

Artikel 6.7b

Lid 1

Het instellingsbestuur dient een aanvraag als bedoeld in artikel 6.7, eerste lid, in bij het accreditatieorgaan.

Lid 2

Na ontvangst van een aanvraag stelt het accreditatieorgaan ten behoeve van de beslissing van Onze Minister, bedoeld in artikel 6.7, eerste lid, een advies op over:

  1. het aspect, bedoeld in artikel 6.7, derde lid, onder a; en

  2. de vraag, of de desbetreffende opleiding of het desbetreffende programma binnen een opleiding als bedoeld in artikel 6.7, tweede lid, ondanks de kwalificatie door het instellingsbestuur, moet worden beschouwd als een nieuwe opleiding.

Lid 3

Het accreditatieorgaan zendt het advies, bedoeld in het tweede lid, vergezeld van de aanvraag, binnen zes maanden na indiening van de aanvraag aan Onze Minister.

Lid 4

Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot het indienen van aanvragen en de daarbij over te leggen gegevens en bescheiden.

Lid 5

In het accreditatiekader legt het accreditatieorgaan het advieskader en zijn werkwijze vast.

Artikel 6.7c

Lid 1

Indien Onze Minister aan het instellingsbestuur toestemming als bedoeld in artikel 6.7, eerste lid, heeft verleend, laat het instellingsbestuur het aspect, bedoeld in artikel 6.7, derde lid, onder a, van de desbetreffende opleiding of het programma binnen de opleiding, bedoeld in artikel 6.7, tweede lid, door het accreditatieorgaan zes jaar na de verlening éénmalig toetsen aan de praktijk.

Lid 2

Bij het verlenen van de toestemming, bedoeld in artikel 6.7, kan Onze Minister bepalen dat de toetsing aan de praktijk op een ander tijdstip dan het tijdstip, bedoeld in het eerste lid, plaatsvindt dan wel dat de toetsing achterwege kan blijven, omdat daarvan geen nieuwe inzichten zijn te verwachten.

Lid 3

Het accreditatieorgaan zendt zijn bevindingen naar aanleiding van een toetsing aan de praktijk aan Onze Minister.

Lid 4

Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot de toetsing aan de praktijk, bedoeld in het eerste tot en met het derde lid.

Artikel 6.7d

Onze Minister kan de toestemming, bedoeld in artikel 6.7, eerste lid, intrekken, indien:

  1. de opleiding dan wel het programma binnen een opleiding, bedoeld in artikel 6.7, tweede lid, niet langer voldoet aan het aspect, bedoeld in artikel 6.7, derde lid, onder a;

  2. de opleiding of het programma binnen een opleiding, bedoeld in artikel 6.7, tweede lid, moet worden beschouwd als een nieuwe opleiding;

  3. de kwaliteit of de toegankelijkheid van het hoger onderwijs in gevaar komt; of

  4. het instellingsbestuur de verplichtingen, bedoeld in artikel 6.7a, niet naleeft.

Artikel 6.8

Vervallen

Artikel 6.9

Lid 1

Een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die de bevoegdheid wenst te verkrijgen om graden te verlenen als bedoeld in artikel 7.10a, dient daartoe een verzoek in bij Onze Minister onder overlegging van een verzwaarde toets nieuwe opleiding voor een bacheloropleiding of een masteropleiding.

Lid 2

Naar aanleiding van het verzoek, bedoeld in het eerste lid, adviseert de inspectie Onze Minister over de continuïteit van de desbetreffende rechtspersoon en de naleving door de desbetreffende rechtspersoon van de artikelen 1.12, tweede lid en 1.12a en van de leveringsverplichting, bedoeld in artikel 12, eerste en vierde lid, van de Wet register onderwijsdeelnemers.

Lid 3

Naar aanleiding van het verzoek en mede op grond van het advies beslist Onze Minister of de artikelen 1.12, eerste lid, of 1.12a op de opleiding, verzorgd door de desbetreffende rechtspersoon, van toepassing zijn. Onze Minister wijst het verzoek om graden te mogen verlenen in ieder geval af indien de continuïteit van de desbetreffende rechtspersoon of de naleving van de artikelen 1.3, vijfde lid, en 1.12, tweede lid en derde lid, en van de leveringsverplichting, bedoeld in artikel 12, eerste en vierde lid, van de Wet register onderwijsdeelnemers in onvoldoende mate zijn gewaarborgd. Onze Minister neemt binnen 16 weken na ontvangst van het verzoek, bedoeld in het eerste lid, een besluit.

Lid 4

Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing indien de desbetreffende rechtspersoon de opleiding overdraagt aan een andere rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid waarop de artikelen 1.12 of 1.12a op het moment van de overdracht niet van toepassing zijn.

Lid 5

Indien door de in het eerste lid bedoelde rechtspersoon geen in de Registratie instellingen en opleidingen, bedoeld in artikel 6.13, geregistreerde opleidingen meer worden verzorgd, naast een associate degree-opleiding als bedoeld in artikel 7.3a, tweede lid, onderdeel a, niet langer een bacheloropleiding als bedoeld in artikel 7.3a, tweede lid, onderdeel b, of uitsluitend een opleiding in afbouw als bedoeld in artikel 5.21, derde lid, wordt verzorgd dan wel door de rechtspersoon uitsluitend een opleiding in afbouw als bedoeld in artikel 5.21, derde lid, wordt verzorgd, kan deze rechtspersoon slechts opnieuw graden verlenen na toepassing van het eerste tot en met derde lid.

Artikel 6.10

Lid 1

Onze Minister kan besluiten dat aan een opleiding of aan alle opleidingen, verzorgd door een rechtspersoon voor hoger onderwijs, de rechten, genoemd in artikel 1.12, eerste lid, worden ontnomen, indien de continuïteit van de desbetreffende rechtspersoon of de naleving van de artikelen 1.3, vijfde lid, 1.12, tweede lid, of 1.12, derde lid, niet of niet langer is gewaarborgd of aan de leveringsverplichting, bedoeld in artikel 12, eerste en vierde lid, van de Wet register onderwijsdeelnemers, niet of niet meer wordt voldaan.

Lid 2

Een besluit op grond van het eerste lid houdt in dat aan de examens van de desbetreffende opleiding of van alle opleidingen geen graad als bedoeld in artikel 7.10a is verbonden, dat de registratie in de Registratie instellingen en opleidingen, bedoeld in artikel 6.13, wordt beëindigd en dat de instelling niet meer het recht heeft zich universiteit te noemen, als bedoeld in artikel 1.22, eerste lid, dan wel hogeschool als bedoeld in artikel 1.23, eerste lid.

Lid 3

Artikel 6.5, tweede en derde lid, en artikel 6.6 zijn van overeenkomstige toepassing.

Lid 4

Voordat Onze Minister een besluit op grond van het eerste lid neemt, geeft hij het instellingsbestuur een waarschuwing onder bepaling van een termijn waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven en desgewenst overleg met hem dienaangaande plaats kan vinden. De termijn waarbinnen aan de waarschuwing gevolg moet zijn gegeven, bedraagt ten minste drie maanden.

Lid 5

Indien Onze Minister een besluit als bedoeld in het eerste lid heeft genomen ten aanzien van alle opleidingen verzorgd door de desbetreffende rechtspersoon, kan deze rechtspersoon slechts opnieuw graden als bedoeld in artikel 7.10a verlenen na toepassing van artikel 6.9.

Artikel 6.11

Lid 1

Er is een commissie van advies die tot taak heeft om Onze Minister op diens verzoek advies te geven indien hij, vanwege het door een instelling niet nakomen van de verplichting het maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef van studenten te bevorderen als bedoeld in artikel 1.3, vijfde lid, eerste en tweede volzin, overweegt een besluit te nemen om een verzoek als bedoeld in artikel 6.9, eerste lid, af te wijzen of een besluit te nemen op grond van artikel 6.5, eerste lid, 6.10, eerste lid, of 15.1, eerste lid, van deze wet dan wel op grond van artikel 4:49 van de Algemene wet bestuursrecht.

Lid 2

Onze Minister neemt geen besluit als bedoeld in het eerste lid dan nadat hij advies heeft gevraagd aan de commissie van advies.

Lid 3

De commissie bestaat uit drie leden die voldoen aan de vereisten voor benoembaarheid tot rechterlijk ambtenaar, bedoeld in artikel 5 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren. De leden worden benoemd en ontslagen door Onze Minister.

Lid 4

Over de samenstelling, werkwijze en bezoldiging van de commissie worden regels gesteld bij ministeriële regeling.

Artikel 6.12

Vervallen

Artikel 6.12a

Vervallen

Artikel 6.13

Lid 1

De Registratie instellingen en opleidingen omvat een systematisch geordende verzameling gegevens met betrekking tot de opleidingen die door de instellingen voor hoger onderwijs verzorgd worden. Onze Minister is belast met de aanleg, het beheer en de bekendmaking van het register en met het verstrekken van informatie uit het register.

Lid 2

Vervallen.

Lid 3

Bij algemene maatregel van bestuur worden de inrichting en de werking van de Registratie instellingen en opleidingen geregeld. Deze bevat bepalingen omtrent het verstrekken van informatie uit het register. Daarbij kan worden bepaald dat voor het verstrekken van informatie aan anderen dan de besturen van de instellingen waarop deze wet betrekking heeft, een in de algemene maatregel van bestuur vastgestelde vergoeding verschuldigd is. De algemene maatregel van bestuur bevat de indeling van het register in onderdelen en voorzover nodig subonderdelen. De onderdelen betreffen gebieden van onderwijs. De indeling bevat ten minste onderdelen voor de volgende gebieden van onderwijs: onderwijs, landbouw en natuurlijke omgeving, techniek, recht, taal en cultuur, en gezondheidszorg. De indeling bevat voorts voor het onderdeel onderwijs in elk geval het subonderdeel lerarenopleidingen op het gebied van de kunst en voor het onderdeel taal en cultuur in elk geval het subonderdeel opleidingen op het gebied van de kunst.

Lid 4

De Registratie instellingen en opleidingen bevat van elke opleiding als bedoeld in artikel 7.3a de volgende gegevens:

  1. de naam van de opleiding en de instelling die de opleiding verzorgt, gesteld in het Nederlands en desgewenst in het Engels of in een andere internationale taal die gangbaar is,

  2. of het hoger beroepsonderwijs dan wel wetenschappelijk onderwijs betreft,

  3. of de opleiding is geaccrediteerd dan wel de toets nieuwe opleiding met positief gevolg heeft ondergaan alsmede de geldigheidsduur daarvan,

  4. de indeling in het register,

  5. indien het een gezamenlijke opleiding, een gezamenlijke afstudeerrichting of een gezamenlijk Ad-programma als bedoeld in artikel 7.3c betreft: aan welke instellingen de opleiding, de afstudeerrichting of het Ad-programma wordt verzorgd,

  6. het voltijdse, deeltijdse of duale karakter,

  7. de studielast waarbij ten aanzien van masteropleidingen is aangegeven of deze is vastgesteld van rechtswege, door het instellingsbestuur of, wat betreft masteropleidingen in het wetenschappelijk onderwijs, op zijn verzoek door Onze Minister,

  8. of aan een bacheloropleiding een propedeutisch examen is verbonden,

  9. of het een opleiding gericht op een bepaald beroep betreft, waarvoor bij of krachtens de wet vereisten zijn vastgesteld,

  10. of toepassing is gegeven aan artikel 7.25, vierde lid,

  11. of eisen omtrent het verrichten van werkzaamheden als bedoeld in artikel 7.27 gesteld worden,

  12. de gemeente, de gemeenten, het openbaar lichaam BES, de openbare lichamen BES of de plaats in het buitenland waar de opleiding is gevestigd,

  13. de door de instelling op grond van artikel 5.21, tweede lid vastgestelde termijn,

  14. de door Onze Minister op grond van artikel 5.21, zesde lid, of artikel 5.32, vastgestelde termijn,

  15. of toepassing is gegeven aan artikel 5.9, tweede lid, artikel 5.17, tweede lid, respectievelijk artikel 5.18,

  16. het tijdstip waarop voor het eerst inschrijving voor de opleiding mogelijk is,

  17. indien de opleiding niet langer zal worden verzorgd, het tijdstip waarop de registratie zal worden beëindigd, alsmede het tijdstip waarop voor het eerst inschrijving in de propedeutische fase van de opleiding of, indien die fase niet is ingesteld, de eerste periode in een associate degree-opleiding of een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs met een studielast van 60 studiepunten, niet meer mogelijk is,

  18. indien toepassing is gegeven aan artikel 5.31, derde lid, de termijn waarvoor accreditatie nieuwe opleiding wordt verlengd,

  19. of Onze Minister met betrekking tot een opleiding toestemming heeft verleend voor het hanteren van specifieke selectiecriteria, bedoeld in artikel 6.7, en in samenhang daarmee voor het vaststellen van een hoger collegegeld als bedoeld in dat artikel,

  20. of binnen de opleiding een programma wordt aangeboden ten aanzien waarvan Onze Minister toestemming heeft verleend voor het hanteren van specifieke selectiecriteria, bedoeld in artikel 6.7, en in samenhang daarmee voor het vaststellen van een hoger collegegeld als bedoeld in dat artikel,

  21. of Onze Minister toestemming heeft verleend voor het vaststellen van een hoger collegegeld als bedoeld in artikel 6.8,

  22. of binnen de opleiding een versneld traject wordt aangeboden als bedoeld in artikel 7.9a,

  23. de graad en de toevoeging ingevolge artikel 7.10a, eerste en tweede lid,

  24. of toepassing is gegeven aan artikel 7.53, eerste lid,

  25. het NLQF-niveau dat is vastgesteld bij of krachtens de Wet NLQF en het daarmee corresponderende EQF-niveau.

Lid 5

De Registratie instellingen en opleidingen bevat van elke opleiding als bedoeld in artikel 7.3b:

  1. de naam van de opleiding en de rechtspersoon waarvan de opleiding uitgaat, en

  2. de gegevens, bedoeld in het vierde lid, onderdelen b tot en met g, m, n, o, q, v, w en y.

Lid 6

Onze Minister legt het ontwerp van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het derde lid, voor aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal. De voordracht voor die algemene maatregel van bestuur wordt niet gedaan dan nadat dertig dagen na die voorlegging zijn verstreken.

Artikel 6.14

Lid 1

Het instellingsbestuur doet een aanvraag tot registratie van een opleiding waaraan accreditatie is verleend. Indien er sprake is van het ongedaan maken van een samenvoeging als bedoeld in artikel 6.2, vijfde lid, onderdeel b, doet het instellingsbestuur een nieuwe aanvraag tot registratie van de oorspronkelijke opleidingen. Voor zover er sprake is van het behoud van accreditatie bestaande opleiding doet het accreditatieorgaan een melding tot het registreren van de bevestiging, bedoeld in artikel 5.16, derde lid, en het daarbij vermelden van de datum waarop het eerstvolgende visitatierapport moet worden overgelegd.

Lid 2

De aanvraag geschiedt onder vermelding van de gegevens, bedoeld in artikel 6.13, vierde lid. Bij de aanvraag voegt het instellingsbestuur het besluit, bedoeld in artikel 5.8, eerste lid, artikel 5.16, eerste lid, of artikel 5.22, tweede lid, en het besluit, bedoeld in artikel 6.2, eerste lid. Het instellingsbestuur dat een aanvraag doet voor registratie van een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs voegt zo nodig het besluit, bedoeld in 7.5c, eerste lid, toe.

Lid 3

Onze Minister registreert binnen een redelijke termijn de opleiding overeenkomstig de door het instellingsbestuur verstrekte gegevens in de Registratie instellingen en opleidingen.

Lid 4

Indien de gegevens niet volledig zijn of de indeling in de Registratie instellingen en opleidingen naar het oordeel van Onze Minister in redelijkheid niet passend kan worden geacht voor de opleiding stelt Onze Minister het instellingsbestuur in de gelegenheid om, binnen een door Onze Minister te bepalen termijn, te voorzien in de ontbrekende gegevens onderscheidenlijk de indeling te herzien. Hij houdt daarbij rekening met de termijn, bedoeld in artikel 5.8, eerste lid, onderdelen a en b. Onverminderd artikel 6.15 weigert Onze Minister registratie in het register uitsluitend, indien Onze Minister de gegevens binnen deze termijn niet of niet volledig heeft ontvangen, indien hij constateert dat de gegevens niet juist zijn, of indien de herziene indeling naar het oordeel van Onze Minister in redelijkheid niet passend geoordeeld kan worden voor de opleiding.

Lid 5

Indien Onze Minister constateert dat de gegevens in de Registratie instellingen en opleidingen onvolledig of onjuist zijn of de indeling niet passend is voor de opleiding, kunnen de gegevens of de indeling door Onze Minister aangepast worden.

Lid 6

Dit artikel is van overeenkomstige toepassing bij wijziging van de gegevens, bedoeld in artikel 6.13, vierde en vijfde lid.

Artikel 6.15

Lid 1

Onze Minister beëindigt de registratie van een opleiding als bedoeld in artikel 7.3a indien:

  1. het instellingsbestuur te kennen heeft gegeven dat de instelling de opleiding beëindigt, na de termijn bedoeld in artikel 7.3, zesde lid;

  2. accreditatie bestaande opleiding wordt geweigerd of accreditatie wordt ingetrokken, op de datum, bedoeld in artikel 5.21, eerste lid, of na de termijn, bedoeld in het derde lid;

  3. Onze Minister met toepassing van artikel 6.5 heeft besloten dat ten aanzien van de opleiding de rechten, genoemd in artikel 1.9, eerste en tweede lid, ontnomen worden; of

  4. Onze Minister met toepassing van de artikelen 6.9, vierde lid, of 6.10 heeft besloten dat ten aanzien van de opleiding de rechten, bedoeld in artikel 1.12, ontnomen worden.

Lid 2

Onze Minister wijzigt de registratie van het gegeven, bedoeld in artikel 6.13, vierde lid, onder l, overeenkomstig het besluit, bedoeld in artikel 7.17a.

Lid 3

Onze Minister wijzigt de registratie van het gegeven, bedoeld in artikel 6.13, vierde lid, onderdeel s, overeenkomstig het besluit, bedoeld in artikel 6.7d.

Lid 4

De kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, onder a, geschiedt uiterlijk op 28 februari van het kalenderjaar voorafgaand aan het eerste studiejaar waarin de inschrijving voor de propedeutische fase van de bacheloropleiding of, indien die fase niet is ingesteld, de inschrijving voor een opleiding niet meer openstaat.

Artikel 6.16

Vervallen