Titel 1. Opleidingen bekostigde instellingen voor hoger onderwijs
Wordt genoemd in:
Artikel 6.2
Lid 1
Het instellingsbestuur legt het voornemen tot:
het verzorgen van een nieuwe opleiding;
het samenvoegen van bestaande opleidingen; of
het gezamenlijk verzorgen van een opleiding of afstudeerrichting als bedoeld in artikel 7.3c,
ter instemming aan Onze Minister voor met het oog op de beoordeling van een doelmatig onderwijsaanbod en de beoordeling van een doelmatige taakverdeling tussen de instellingen, gelet op het geheel van de voorzieningen op het gebied van het hoger onderwijs. Artikel 7.17, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Lid 2
Onze Minister kan zich bij de beoordeling van het voornemen, bedoeld in het eerste lid, laten bijstaan door een adviescommissie. Bij het samenvoegen van bestaande opleidingen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, of bij het gezamenlijk verzorgen van een opleiding als bedoeld in artikel 7.3c oordeelt het accreditatieorgaan of er sprake is van een nieuwe opleiding.
Lid 3
Met inachtneming van de aanvraag kan Onze Minister zijn instemming voor het verzorgen van een nieuwe opleiding beperken tot het verzorgen van een voltijdse, deeltijdse of duale opleiding. Onze Minister kan zijn instemming ook onder andere beperkingen verlenen.
Lid 4
Bij ministeriële regeling kunnen nadere eisen worden gesteld aan de aanvraag om instemming.
Lid 5
In geval Onze Minister instemt met het samenvoegen van bestaande opleidingen en het accreditatieorgaan heeft geoordeeld dat er geen sprake is van een nieuwe opleiding:
dient het instellingsbestuur van de samengevoegde opleiding de aanvraag voor accreditatie bestaande opleiding in, onderscheidenlijk legt het visitatierapport voor het eerst over, op de datum waarop ten behoeve van de opleidingen die worden samengevoegd als eerste de aanvraag accreditatie bestaande opleiding zou moeten worden ingediend, onderscheidenlijk als eerste het visitatierapport zou moeten worden overgelegd; en
kan Onze Minister desgevraagd bepalen dat het instellingsbestuur uiterlijk bij de aanvang van het zesde studiejaar, nadat de samenvoeging heeft plaatsgevonden, deze ongedaan maakt zonder dat daarvoor instemming als bedoeld in het eerste lid noodzakelijk is. Alsdan legt het instellingsbestuur voor de afzonderlijke opleidingen het visitatierapport over op de datum waarop het instellingsbestuur van de samengevoegde opleiding het visitatierapport zou moeten overleggen.
Lid 6
Onze Minister kan het instellingsbestuur maximaal twee jaar uitstel verlenen van de data, bedoeld in het vorige lid.
Lid 7
Indien sprake is van het samenvoegen van bestaande opleidingen kan Onze Minister bij het verlenen van de instemming desgevraagd bepalen dat het instellingsbestuur uiterlijk bij de aanvang van het zesde studiejaar nadat de samenvoeging heeft plaatsgevonden deze ongedaan kan maken zonder dat daarvoor instemming als bedoeld in het eerste lid noodzakelijk is.
Lid 8
Ingeval van een nieuwe opleiding in een van de openbare lichamen BES wordt bij de beoordeling gelet op de voorzieningen op het gebied van hoger onderwijs in Nederland en Aruba, Curaçao en Sint Maarten.
Lid 9
De instemming van Onze Minister vervalt, indien de opleiding niet binnen tien maanden nadat de instemming is verleend, is geregistreerd in de Registratie instellingen en opleidingen, bedoeld in artikel 6.13.
Lid 10
Onze Minister stelt beleidsregels vast op grond waarvan hij de aanvragen beoordeelt. Wijzigingen van de beleidsregels worden meegedeeld aan beide Kamers der Staten-Generaal.
Artikel 6.3
Vervallen
Artikel 6.4
Vervallen
Artikel 6.5
Lid 1
Onze Minister kan besluiten dat aan een opleiding de rechten, genoemd in artikel 1.9, eerste en tweede lid, worden ontnomen, indien:
de verzorging van die opleiding, gelet op de spreiding en de mate van verscheidenheid van de voorzieningen in het hoger onderwijs, en het profiel van de instelling die de desbetreffende opleiding verzorgt, in redelijkheid niet of niet meer doelmatig kan worden geacht, of
niet of niet meer wordt voldaan aan hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald over de kwaliteitszorg, de registratie, het onderwijs, de examens, de promoties of de vooropleidingseisen of toelatingseisen.
Lid 2
Bij een besluit als bedoeld in het eerste lid bepaalt Onze Minister het tijdstip waarop dat besluit van kracht wordt. Artikel 5.21, eerste, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6.6
Lid 1
Onze Minister neemt een besluit op grond van artikel 6.5, eerste lid, onderdeel a, uiterlijk acht weken na de datum waarop hij het voornemen tot het ontnemen van rechten aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal bekend heeft gemaakt. Hij zendt gelijktijdig een afschrift van deze bekendmaking aan de instelling die het aangaat. Onze Minister stelt ten minste drie maanden voordat hij het voornemen aan de Tweede Kamer bekendmaakt, de instelling van zijn voornemen tot ontneming van rechten op de hoogte.
Lid 2
Voordat Onze Minister een besluit neemt op de grond, genoemd in artikel 6.5, eerste lid, onderdeel b, geeft hij het instellingsbestuur een waarschuwing onder bepaling van een termijn waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven en desgewenst overleg met hem plaats kan vinden. De termijn waarbinnen aan de waarschuwing gevolg moet zijn gegeven, bedraagt ten minste drie maanden.
Artikel 6.7
Lid 1
Onze Minister kan op aanvraag van het instellingsbestuur toestemming verlenen aspirant-studenten bij de inschrijving voor een opleiding te selecteren volgens door het instellingsbestuur vast te stellen criteria en in samenhang daarmee voor de geselecteerde studenten een collegegeld vast te stellen dat hoger is dan het wettelijk collegegeld, bedoeld in artikel 7.45, eerste of vijfde lid.
Lid 2
De toestemming van Onze Minister heeft betrekking op een bepaalde opleiding of op een bepaald programma binnen een opleiding waarvan de studielast en eindtermen gelijk zijn aan die van de opleiding.
Lid 3
Onze Minister verleent uitsluitend zijn toestemming, indien:
de aanvraag kleinschalig en intensief onderwijs betreft, dat is gericht op een bovengemiddeld onderwijsrendement en waarbij de activiteiten binnen en buiten het curriculum met elkaar zijn verbonden; en
de toestemming geen afbreuk doet aan de kwaliteit of de toegankelijkheid van het hoger onderwijs.
Lid 4
Het hogere collegegeld bedoeld in het eerste lid, bedraagt ten hoogste vijf maal het wettelijk collegegeld, bedoeld in artikel 7.45, eerste of vijfde lid.
Artikel 6.7a
Lid 1
Aan de toestemming, bedoeld in artikel 6.7, eerste lid, zijn de volgende verplichtingen voor het instellingsbestuur verbonden:
het selecteren van aspirant-studenten;
het vaststellen van een regeling voor de selectiecriteria en -procedure;
het vaststellen van een regeling voor de criteria en procedure voor dispensatie van betaling van het hogere collegegeld; en
het meewerken aan een eenmalige toetsing aan de praktijk als bedoeld in artikel 6.7c.
Lid 2
Onze Minister kan andere verplichtingen aan de toestemming, bedoeld in artikel 6.7, eerste lid, verbinden.
Lid 3
Het instellingsbestuur selecteert de aspirant-studenten uitsluitend op grond van kwalitatieve criteria. Het aantal soorten kwalitatieve selectiecriteria bedraagt ten minste twee.
Artikel 6.7b
Lid 1
Het instellingsbestuur dient een aanvraag als bedoeld in artikel 6.7, eerste lid, in bij het accreditatieorgaan.
Lid 2
Na ontvangst van een aanvraag stelt het accreditatieorgaan ten behoeve van de beslissing van Onze Minister, bedoeld in artikel 6.7, eerste lid, een advies op over:
het aspect, bedoeld in artikel 6.7, derde lid, onder a; en
de vraag, of de desbetreffende opleiding of het desbetreffende programma binnen een opleiding als bedoeld in artikel 6.7, tweede lid, ondanks de kwalificatie door het instellingsbestuur, moet worden beschouwd als een nieuwe opleiding.
Lid 3
Het accreditatieorgaan zendt het advies, bedoeld in het tweede lid, vergezeld van de aanvraag, binnen zes maanden na indiening van de aanvraag aan Onze Minister.
Lid 4
Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot het indienen van aanvragen en de daarbij over te leggen gegevens en bescheiden.
Lid 5
In het accreditatiekader legt het accreditatieorgaan het advieskader en zijn werkwijze vast.
Artikel 6.7c
Lid 1
Indien Onze Minister aan het instellingsbestuur toestemming als bedoeld in artikel 6.7, eerste lid, heeft verleend, laat het instellingsbestuur het aspect, bedoeld in artikel 6.7, derde lid, onder a, van de desbetreffende opleiding of het programma binnen de opleiding, bedoeld in artikel 6.7, tweede lid, door het accreditatieorgaan zes jaar na de verlening éénmalig toetsen aan de praktijk.
Lid 2
Bij het verlenen van de toestemming, bedoeld in artikel 6.7, kan Onze Minister bepalen dat de toetsing aan de praktijk op een ander tijdstip dan het tijdstip, bedoeld in het eerste lid, plaatsvindt dan wel dat de toetsing achterwege kan blijven, omdat daarvan geen nieuwe inzichten zijn te verwachten.
Lid 3
Het accreditatieorgaan zendt zijn bevindingen naar aanleiding van een toetsing aan de praktijk aan Onze Minister.
Lid 4
Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot de toetsing aan de praktijk, bedoeld in het eerste tot en met het derde lid.
Artikel 6.7d
Onze Minister kan de toestemming, bedoeld in artikel 6.7, eerste lid, intrekken, indien:
de opleiding dan wel het programma binnen een opleiding, bedoeld in artikel 6.7, tweede lid, niet langer voldoet aan het aspect, bedoeld in artikel 6.7, derde lid, onder a;
de opleiding of het programma binnen een opleiding, bedoeld in artikel 6.7, tweede lid, moet worden beschouwd als een nieuwe opleiding;
de kwaliteit of de toegankelijkheid van het hoger onderwijs in gevaar komt; of
het instellingsbestuur de verplichtingen, bedoeld in artikel 6.7a, niet naleeft.
Artikel 6.8
Vervallen