Titel 1. Het bestuur en de inrichting van hogescholen
Artikel 10.2
Lid 1
Het college van bestuur bestaat uit ten hoogste drie leden, onder wie de voorzitter. Bij de benoeming wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met een evenwichtige verdeling van de zetels over mannen en vrouwen.
Lid 2
Een lid van het college van bestuur kan niet tegelijk lid zijn van het college van bestuur van een andere hogeschool.
Lid 3
Artikel 9.3, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 10.3
Het college van bestuur van een hogeschool kan hem bij wettelijk voorschrift opgedragen taken en bevoegdheden overdragen aan het bestuur van een faculteit of het bestuur van een andere organisatorische eenheid als bedoeld in artikel 10.3a.
Artikel 10.3e1
Lid 1
Onze Minister kan de raad van toezicht een spoedaanwijzing tot het nemen van een of meer voorlopige maatregelen geven, indien:
een of meer organen van een instelling als bedoeld in artikel 1.8 tekortschieten in de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet;
uit dat tekortschieten of mede uit dat tekortschieten een wezenlijk vermoeden van wanbeheer als bedoeld in artikel 10.3e, tweede lid, volgt; en
dat is vereist in verband met onverwijlde spoed.
Lid 2
Onze Minister motiveert in de spoedaanwijzing waarom het doel van de spoedaanwijzing niet met een minder zwaar middel kan worden bereikt.
Lid 3
De spoedaanwijzing vermeldt de termijn waarbinnen zij moet worden uitgevoerd.
Lid 4
De spoedaanwijzing bepaalt de duur waarvoor zij geldt. Deze geldigheidsduur bedraagt ten hoogste zes maanden. Onze Minister kan de geldingsduur eenmalig verlengen met ten hoogste zes maanden. Op een verlengingsbesluit is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.
Lid 5
Voordat Onze Minister een spoedaanwijzing geeft heeft de inspectie een onderzoek als bedoeld in artikel 12a van de Wet op het onderwijstoezicht verricht en daarover een inspectierapport uitgebracht als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht, waaruit volgt dat is voldaan aan de vereisten, bedoeld in het eerste lid.
Lid 6
Onze Minister informeert de beide Kamers der Staten-Generaal onverwijld nadat toepassing is gegeven aan het eerste lid.
Artikel 10.3a
Het college van bestuur kan in het bestuurs- en beheersreglement een of meer faculteiten of andere organisatorische eenheden instellen.
Artikel 10.3b
Lid 1
Het college van bestuur stelt een bestuurs- en beheersreglement vast ter regeling van het bestuur, het beheer en de inrichting van de hogeschool.
Lid 2
In het bestuurs- en beheersreglement worden regels vastgesteld omtrent de totstandkoming van de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.13. Deze regels betreffen in elk geval de aanwijzing van het orgaan dat de onderwijs- en examenregeling vaststelt.
Lid 3
Indien de hogeschool faculteiten of andere organisatorische eenheden omvat, bevat het bestuurs- en beheersreglement bovendien:
welke faculteiten of eenheden er zijn en welke opleidingen daarin zijn ingesteld,
welke bevoegdheden het college van bestuur heeft overgedragen aan het faculteitsbestuur of het bestuur van de desbetreffende eenheid,
de samenstelling en werkwijze van het faculteitsbestuur of het bestuur van de desbetreffende eenheid, en
de verhouding van het faculteitsbestuur of het bestuur van de desbetreffende eenheid tot het college van bestuur.
Lid 4
Indien de hogeschool een faculteit of andere organisatorische eenheden omvat en aan het hoofd van deze faculteit of organisatorische eenheid een meerhoofdig bestuur staat, wordt een student van de desbetreffende faculteit of organisatorische eenheid in de gelegenheid gesteld de vergaderingen van dit bestuur bij te wonen in welke vergaderingen deze student een adviserende stem heeft. In het bestuurs- en beheersreglement wordt bepaald, op welke wijze de in de vorige volzin bedoelde student wordt aangewezen.
Artikel 10.3c
Lid 1
Voor elke opleiding of groep van opleidingen wordt een opleidingscommissie ingesteld. De commissie heeft tot taak te adviseren over het bevorderen en waarborgen van de kwaliteit van de opleiding. De commissie heeft voorts:
instemmingsrecht ten aanzien van de onderwerpen in de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.13, tweede lid, onder a1, b, c, d, e, g, v en z,
als taak het jaarlijks beoordelen van de wijze van uitvoeren van de onderwijs- en examenregeling,
adviesrecht ten aanzien van de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.13, met uitzondering van de onderwerpen ten aanzien waarvan de commissie op grond van onderdeel a instemmingsrecht heeft,
als taak het desgevraagd of uit eigen beweging advies uitbrengen aan de deelraad, bedoeld in artikel 10.25, en het faculteitsbestuur of het bestuur van de desbetreffende organisatorische eenheid dan wel, indien de hogeschool geen faculteiten omvat, aan het instellingsbestuur, over alle andere aangelegenheden betreffende het onderwijs in de desbetreffende opleiding,
als taak het bespreken van het visitatierapport, bedoeld in artikel 5.13, vierde lid.
De commissie zendt de adviezen en voorstellen, bedoeld onder d, ter kennisneming aan de medezeggenschapsraad of de daarvoor in aanmerking komende deelraad.
Lid 2
Op een advies als bedoeld in het eerste lid, zijn artikel 10.23, aanhef en onderdelen b, c en d, van overeenkomstige toepassing.
Lid 3
Indien de commissie een voorstel als bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, doet aan het bestuur van de faculteit of het bestuur van een andere organisatorische eenheid als bedoeld in artikel 10.3a dan wel indien de hogeschool geen faculteiten bevat, het instellingsbestuur, reageert het bestuur binnen twee maanden na ontvangst op het voorstel.
Lid 4
Artikel 10.17, derde tot en met achtste lid, zijn van overeenkomstige toepassing op de opleidingscommissie. In overleg tussen het faculteitsbestuur of het bestuur van de desbetreffende organisatorische eenheid dan wel, indien de hogeschool geen faculteiten omvat, het instellingsbestuur en de deelraad kan, na overleg met de opleidingscommissie, in het bestuurs- en beheersreglement een andere wijze van samenstelling van de opleidingscommissie worden vastgelegd dan verkiezing. Jaarlijks wordt vastgesteld of het wenselijk is de andere wijze van samenstelling te handhaven.
Lid 5
De opleidingscommissie is bevoegd het bestuur van de opleiding ten minste twee maal per jaar uit te nodigen om het voorgenomen beleid te bespreken aan de hand van een door haar opgestelde agenda.
Lid 6
Indien een faculteit slechts een opleiding omvat, kan het faculteitsreglement bepalen dat de taken en bevoegdheden van de opleidingscommissie worden uitgeoefend door de deelraad, bedoeld in artikel 10.25.
Artikel 10.3d
Lid 1
Een hogeschool heeft een raad van toezicht.
Lid 2
De raad van toezicht houdt, met het oog op de taken van de hogeschool, bedoeld in artikel 1.3, tweede lid, toezicht op de uitvoering van werkzaamheden en de uitoefening van bevoegdheden door het college van bestuur en staat dit college met raad ter zijde. De raad van toezicht is in elk geval belast met:
het benoemen, schorsen, ontslaan en vaststellen van de beloning van de leden van het college van bestuur;
het goedkeuren van het bestuurs- en beheersreglement;
het goedkeuren van de begroting, de jaarrekening, het bestuursverslag, het instellingsplan;
indien van toepassing, het goedkeuren van de gemeenschappelijke regeling, bedoeld in artikel 8.1;
het toezien op de naleving door het college van bestuur van wettelijke verplichtingen en de omgang met de branchecode, bedoeld in artikel 2.9;
het toezien op de rechtmatige verwerving en op de doelmatige en rechtmatige bestemming en aanwending van de middelen van de hogeschool verkregen op grond van de artikelen 2.5 en 2.6;
het aanwijzen van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek die verslag uitbrengt aan de raad;
het toezien op de vormgeving van het systeem van kwaliteitszorg overeenkomstig artikel 1.18, en
het jaarlijks afleggen van verantwoording over de uitvoering van de taken en de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld onder a tot en met h, in het bestuursverslag van de hogeschool.
Lid 3
Het college van bestuur voorziet de raad van toezicht van een functioneel onafhankelijke administratieve ondersteuning. De raad van toezicht heeft instemmingsrecht ten aanzien van de benoeming en het ontslag van de secretaris van de raad.
Lid 4
De samenstelling, taken en bevoegdheden van de raad van toezicht zijn zodanig dat de raad een deugdelijk en onafhankelijk toezicht kan uitoefenen. De leden van de raad van toezicht hebben geen directe belangen bij de hogeschool. Zij hebben zitting op persoonlijke titel en oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak. De benoeming van de leden van de raad geschiedt op basis van vooraf openbaar gemaakte profielen. Een van de leden wordt benoemd op voordracht van de medezeggenschapsraad, dan wel de ondernemingsraad en het orgaan dat op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 10.16a, derde lid, tweede volzin, is ingesteld. De voordracht bevat ten minste twee namen.
Lid 5
De raad van toezicht pleegt ten minste twee keer per jaar overleg met de medezeggenschapsraad dan wel de ondernemingsraad en het orgaan binnen de instelling dat op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 10.16a, derde lid, tweede volzin, is ingesteld.
Lid 6
Indien dat naar het oordeel van het college van bestuur wenselijk is op grond van de levensbeschouwelijke aard van de hogeschool, kan de hogeschool in afwijking van het eerste lid een functionele scheiding tussen het bestuur en het toezicht aanbrengen.
Lid 7
Indien de hogeschool een functionele scheiding aanbrengt, zijn het tweede tot en met vijfde lid van overeenkomstige toepassing. In de statuten wordt vermeld op welke wijze de functionele scheiding wordt gewaarborgd. Het college van bestuur vermeldt jaarlijks in het bestuursverslag, bedoeld in artikel 2.9, de redenen voor eventuele afwijking.
Artikel 10.3e
Lid 1
Onze Minister kan de raad van toezicht een aanwijzing tot het nemen van een of meer maatregelen geven, indien sprake is van wanbeheer.
Lid 2
Onder wanbeheer wordt verstaan:
financieel wanbeleid;
het in ernstige mate of langdurig nalaten om, in ieder geval in strijd met artikel 1.18, maatregelen te treffen die noodzakelijk zijn voor het waarborgen van de kwaliteit en de goede voortgang van het onderwijs, waaronder de deugdelijke afsluiting daarvan;
het door een bestuurder of toezichthouder ongerechtvaardigd verrijken van de rechtspersoon die de instelling in stand houdt, zichzelf of een derde;
het in de hoedanigheid van bestuurder of toezichthouder handelen in strijd met wettelijke bepalingen waardoor financieel voordeel wordt behaald ten gunste van de rechtspersoon die de instelling in stand houdt, zichzelf of een derde;
het in ernstige mate verwaarlozen van de zorg voor wat door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd in de omgang met betrokkenen binnen de instelling, waaronder in ieder geval wordt verstaan intimidatie of bedreiging van personeel of studenten door een bestuurder of toezichthouder.
Lid 3
Onze Minister motiveert in de aanwijzing waarom het doel van de aanwijzing niet met een minder zwaar middel kan worden bereikt.
Lid 4
De aanwijzing vermeldt de termijn waarbinnen zij moet worden uitgevoerd.
Lid 5
Voordat Onze Minister een aanwijzing geeft heeft de inspectie een onderzoek als bedoeld in artikel 12a van de Wet op het onderwijstoezicht verricht en daarover een inspectierapport uitgebracht als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht, waaruit volgt dat sprake is van wanbeheer als bedoeld in het tweede lid.
Lid 6
Indien het onderzoek, bedoeld in het vierde lid, mede de kwaliteit van het onderwijs betreft, betrekt de inspectie het accreditatieorgaan bij haar onderzoek.
Lid 7
Indien de hogeschool een functionele scheiding als bedoeld in artikel 10.3d, zesde lid, heeft aangebracht, zijn het eerste tot en met het vijfde lid van overeenkomstige toepassing.
Artikel 10.3f
Lid 1
Tot het personeel van de hogeschool behoren in elk geval de lectoren. In het benoemingsbesluit wordt vermeld het vakgebied waarin de lector zijn onderwijs- en onderzoektaken uitoefent.
Lid 2
De lectoren zijn verantwoordelijk voor het praktijkgericht onderzoek en voor de bevordering van de verwevenheid daarvan met het onderwijs op het hun toegewezen vakgebied.
Lid 3
De lectoren zijn gerechtigd de titel lector te voeren.
Artikel 10.4
Vervallen
Artikel 10.5
Het instellingsbestuur van een hogeschool treft voorzieningen betreffende de beslechting van geschillen over beslissingen van organen van de hogeschool die niet reeds krachtens deze wet vatbaar zijn voor beroep.
Artikel 10.6
Vervallen
Artikel 10.7
Vervallen
Artikel 10.8
Lid 1
Een bijzondere hogeschool wordt in stand gehouden door een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die zich blijkens de statuten het geven van onderwijs in de zin van deze wet ten doel stelt zonder daarbij het maken van winst te beogen.
Lid 2
Het bestuur van de rechtspersoon zendt elke wijziging van de statuten of reglementen binnen vier weken na vaststelling aan Onze Minister.
Lid 3
Het college van bestuur verstrekt Onze Minister de nodige inlichtingen omtrent de hogeschool.
Artikel 10.8a
Vervallen