Hoofdstuk 18. Overgangs- en invoeringsbepalingen wijzigingswetten vanaf 2002

Artikel 18.1

Vervallen

Artikel 18.2

Lid 1

Het instellingsbestuur meldt uiterlijk 30 dagen na de dag van inwerkingtreding van de wet van 6 juni 2002 (Stb. 302) aan Onze Minister, wanneer de beoordeling, bedoeld in artikel 1.18, van een opleiding voor het laatst heeft plaatsgevonden.

Lid 2

Onze Minister maakt de uit de artikelen 18.27 tot en met 18.30 voortvloeiende wijzigingen in de Registratie instellingen en opleidingen, bedoeld in artikel 6.13, bekend binnen vier maanden na de dag van inwerkingtreding van de wet van 6 juni 2002 (Stb. 302). Van deze bekendmaking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

Artikel 18.3

Vervallen

Artikel 18.4

Vervallen

Artikel 18.5

Vervallen

Artikel 18.6

Vervallen

Artikel 18.7

Vervallen

Artikel 18.8

Vervallen

Artikel 18.9

Vervallen

Artikel 18.10

Vervallen

Artikel 18.11

Vervallen

Artikel 18.12

Vervallen

Artikel 18.13

Vervallen

Artikel 18.14

Vervallen

Artikel 18.15

Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip kunnen aan een bekostigde of aangewezen universiteit of aan de Open Universiteit opleidingen als bedoeld in artikel 7.3, zoals dat artikel op 31 augustus 2002 luidde, worden verzorgd, voorzover die opleidingen op 31 augustus 2002 aan die instelling zijn verbonden. Het tijdstip, vastgesteld bij het in de eerste volzin bedoelde koninklijk besluit, is 1 september van enig jaar. Het koninklijk besluit wordt vastgesteld en bekendgemaakt voor 1 september van het jaar dat voorafgaat aan het tijdstip, vastgesteld bij dat besluit.

Artikel 18.16

Vervallen

Artikel 18.17

Vervallen

Artikel 18.18

Vervallen

Artikel 18.19

Lid 1

De opleidingen in het hoger beroepsonderwijs waarvan de studielast op 31 augustus 2002 168 studiepunten bedroeg, zijn met ingang van 1 september 2002 bacheloropleidingen als bedoeld in artikel 7.3a, tweede lid, onder a.

Lid 2

Onder de opleidingen, bedoeld in het eerste lid, worden mede begrepen de opleidingen die zijn ingesteld en geregistreerd in de Registratie instellingen en opleidingen dan wel tijdig voor registratie in dat register zijn aangemeld.

Artikel 18.20

Lid 1

Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip kunnen aan een bekostigde hogeschool opleidingen in het hoger beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 7.4, vierde en vijfde lid, zoals die artikelleden op 31 augustus 2002 luidden, worden verzorgd, voorzover die opleidingen op 31 augustus 2002 aan die hogeschool zijn verbonden. Artikel 18.15, tweede en derde volzin, is van toepassing.

Lid 2

Met ingang van het tijdstip, vastgesteld bij het in het eerste lid bedoelde koninklijk besluit, worden geen studenten of extraneï voor de eerste maal voor de propedeutische fase van een opleiding als bedoeld in dit artikel ingeschreven.

Lid 3

Het in het eerste lid bedoelde tijdstip kan voor de onderscheiden opleidingen verschillend worden bepaald.

Artikel 18.21

Vervallen

Artikel 18.22

Vervallen

Artikel 18.23

Vervallen

Artikel 18.24

Vervallen

Artikel 18.25

Vervallen

Artikel 18.26

Vervallen

Artikel 18.27

Vervallen

Artikel 18.28

Vervallen

Artikel 18.29

Lid 1

Aan de bacheloropleidingen, bedoeld in artikel 7.3a, tweede lid, onder a, die een voortzetting vormen van opleidingen die voor de dag van de datum van inwerkingtreding van de wet van 6 juni 2002 (Stb. 303) zijn geregistreerd in de Registratie instellingen en opleidingen, en waarvan de beoordeling, bedoeld in artikel 1.18, heeft plaatsgevonden voor 1 januari 2000, is accreditatie verbonden tot en met 31 december 2005.

Lid 2

Aan de opleidingen, bedoeld in artikel 7.3a, tweede lid, onder a, die een voortzetting vormen van opleidingen die voor de dag van de datum van inwerkingtreding van de wet van 6 juni 2002 (Stb. 303) zijn geregistreerd in de Registratie instellingen en opleidingen, is accreditatie verbonden tot en met 31 december van het zesde jaar na de laatste beoordeling, bedoeld in artikel 1.18, indien die beoordeling heeft plaatsgevonden:

  1. na 31 december 1999 en voor 1 januari 2004, of

  2. na 1 januari 2004 en de instelling aantoont dat op 1 december 2001 de start van die beoordeling was gepland op een datum die eerder is dan de eerste plaatsing van de accreditatiekaders in de Staatscourant.

Lid 3

Aan de opleidingen, bedoeld in artikel 7.3a, tweede lid, onder a, die een voortzetting vormen van opleidingen die blijkens de Registratie instellingen en opleidingen zijn gestart of zullen starten met ingang van enig studiejaar, in de periode van de studiejaren vanaf 2000–2001 tot en met 2003–2004, is accreditatie verbonden tot en met 31 december van het kalenderjaar zes jaar na de start van de opleiding.

Artikel 18.30

Lid 1

Aan de opleidingen, bedoeld in artikel 18.20, die een voortzetting vormen van opleidingen die voor de dag van de datum van inwerkingtreding van de wet van 6 juni 2002 (Stb. 303) zijn geregistreerd in de Registratie instellingen en opleidingen, en waarvan de beoordeling, bedoeld in artikel 1.18, heeft plaatsgevonden voor 1 januari 2000, is accreditatie verbonden tot en met 31 december 2005.

Lid 2

Aan de opleidingen, bedoeld in artikel 18.20, die een voortzetting vormen van opleidingen die voor de dag van de datum van inwerkingtreding van de wet van 6 juni 2002 (Stb. 303) zijn geregistreerd in de Registratie instellingen en opleidingen, is accreditatie verbonden tot en met 31 december van het zesde jaar na de laatste beoordeling, bedoeld in artikel 1.18, indien die beoordeling heeft plaatsgevonden:

  1. na 31 december 1999 en voor 1 januari 2004, of

  2. na 1 januari 2004 en de instelling aantoont dat op 1 december 2001 de start van die beoordeling was gepland op een datum die eerder is dan de eerste plaatsing van de accreditatiekaders in de Staatscourant.

Lid 3

Aan de opleidingen, bedoeld in artikel 18.20, die een voortzetting vormen van opleidingen die blijkens de Registratie instellingen en opleidingen zijn gestart of zullen starten met ingang van enig studiejaar, in de periode van de studiejaren vanaf 2000–2001 tot en met 2003–2004, is accreditatie verbonden tot en met 31 december van het kalenderjaar zes jaar na de start van de opleiding.

Artikel 18.31

Op opleidingen waaraan op grond van de artikelen 18.27, 18.28, 18.29 of 18.30, accreditatie is verbonden, zijn van overeenkomstige toepassing de artikelen 6.5, met uitzondering van het eerste lid, onderdelen b en c, 6.6, eerste lid, en 6.10, met uitzondering van het eerste lid, onderdeel b, zoals die artikelen van toepassing waren op 25 september 2003.

Artikel 18.32

Vervallen

Artikel 18.32 ab

Onze Minister kan besluiten de vervaldatum van het besluit tot verlening van accreditatie eenmalig te wijzigen.

Artikel 18.32 ac

Onze Minister kan besluiten de vervaldatum van het besluit tot verlening van de toets nieuwe opleiding eenmalig te wijzigen.

Artikel 18.32a

In afwijking van artikel 5a.9, zesde lid en 5a.13f kan Onze Minister eenmalig besluiten de termijn van accreditatie voor door hem aangewezen bachelor- en masteropleidingen, bedoeld in de artikelen 7.3a, eerste lid en tweede lid en 7.3b, te verlengen voor de duur van maximaal twee jaar.

Artikel 18.32b

Lid 1

Gedurende drie jaar na inwerkingtreding van de Wet van 24 juni 2010 (Stb. 293) wordt een aanvraag om instellingstoets kwaliteitszorg ingediend, in afwijking van artikel 5a.13a, op grond van dit artikel en artikel 18.32c.

Lid 2

Binnen twee maanden na inwerkingtreding van de Wet van 24 juni 2010 (Stb. 293) dient een instellingsbestuur een aanvraag in bij het accreditatieorgaan, indien zij in aanmerking wil komen voor een besluit tot deelname aan het invoeringsregime als bedoeld in artikel 18.32c.

Lid 3

Het accreditatieorgaan neemt een positief besluit op de aanvraag, bedoeld in het tweede lid, als het instellingsbestuur voor ten minste de helft van het aangeboden aantal opleidingen een besluit om accreditatie op grond van artikel 5a.8 heeft.

Lid 4

Indien blijkt dat alle instellingsbesturen die deelnemen aan het invoeringsregime een aanvraag om instellingstoets kwaliteitszorg hebben gedaan en er capaciteit bij het accreditatieorgaan is voor nieuwe aanvragen om instellingstoets kwaliteitszorg die onbenut blijft gedurende deze drie jaar, kan het accreditatieorgaan de aanvragen in behandeling nemen, indien een instellingsbestuur heeft laten blijken belangstelling te hebben voor het indienen van een aanvraag. Artikel 18.32c is op deze aanvragen niet van toepassing.

Artikel 18.32c

Lid 1

Het besluit tot deelname aan het invoeringsregime houdt in dat in afwijking van artikel 5a.13e, eerste lid, de aanvragen om accreditatie en toets nieuwe opleiding worden ingediend en beoordeeld op grond van artikel 5a.13f en 5a.13g.

Lid 2

Aan het besluit tot deelname aan het invoeringsregime is de verplichting voor het instellingsbestuur verbonden op een door het accreditatieorgaan te bepalen tijdstip een aanvraag om instellingstoets kwaliteitszorg in te dienen. Het tijdstip is niet gelegen na drie jaar na de inwerkingtreding van de Wet van 24 juni 2010 (Stb. 293).

Lid 3

Een besluit tot het verlenen van accreditatie of toets nieuwe opleiding in het kader van het invoeringsregime vervalt in afwijking van artikel 5a.9, zevende lid, onderscheidenlijk artikel 5a.11, zesde lid, onder a, na vier jaar.

Lid 4

Indien het accreditatieorgaan besluit een instellingstoets kwaliteitszorg te verlenen, dan wordt de duur van de accreditatie of toets nieuwe opleiding, bedoeld in het derde lid, verlengd tot zes jaar.

Lid 5

Indien het accreditatieorgaan besluit geen instellingstoets kwaliteitszorg te verlenen dan wel indien het instellingsbestuur niet voldoet aan de verplichting, bedoeld in het tweede lid, is het instellingsbestuur verplicht binnen een jaar na de datum waarop het accreditatieorgaan het besluit heeft genomen dat geen instellingstoets kwaliteitszorg wordt verleend of binnen een jaar na het door het accreditatieorgaan bepaalde tijdstip, bedoeld in het tweede lid, waarop het instellingsbestuur aan de daar genoemde verplichting had moeten voldoen, een aanvraag om toetsing van de aspecten van artikel 5a.8, tweede lid, onderdelen d tot en met f, of artikel 5a.10a, tweede lid, onderdelen d tot en met f, bij het accreditatieorgaan in te dienen voor de aanvragen tot het verlenen van accreditatie of een toets nieuwe opleiding die zijn ingediend en beoordeeld volgens het invoeringsregime. Het accreditatieorgaan besluit binnen drie maanden op de aanvraag en indien het accreditatieorgaan positief besluit op de aanvraag, bedoeld in de eerste volzin, wordt de duur van de accreditatie of toets nieuwe opleiding verlengd tot zes jaar. Bij een negatief besluit van het accreditatieorgaan zijn artikel 5a.12, eerste tot en met vijfde lid, en artikel 5a.12a van overeenkomstige toepassing.

Lid 6

In afwijking van het derde lid wordt het besluit tot het verlenen van accreditatie of toets nieuwe opleiding verlengd tot aan het einde van het studiejaar of, indien nodig, tot aan het einde van het daarop volgende studiejaar, indien het accreditatieorgaan niet over de aanvraag op grond van het tweede of vijfde lid heeft besloten.

Artikel 18.33

Voor de toepassing van artikel 7.8b, vijfde lid, tweede volzin, wordt onder bacheloropleiding mede begrepen de daarmee overeenkomende opleiding in het wetenschappelijk onderwijs, bedoeld in artikel 18.14 of artikel 18.15.

Artikel 18.34

Vervallen

Artikel 18.35

Vervallen

Artikel 18.36

Vervallen

Artikel 18.37

Degene die op of voor 31 augustus 2002 voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 7.18, tweede lid, onder a, zoals die bepaling luidde op 31 augustus 2002, wordt gelijkgesteld aan degene die voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 7.18, tweede lid, onder a.

Artikel 18.38

De bezitter van een getuigschrift van een met goed gevolg afgelegd kandidaats- of afsluitend examen aan een instelling voor hoger onderwijs is vrijgesteld van de vooropleidingseisen, bedoeld in artikel 7.24, eerste of tweede lid, onverminderd het derde lid van dat artikel.

Artikel 18.39

Lid 1

Degenen die op grond van artikel 7.20a, zoals die bepaling op 31 augustus 2002 luidde, gerechtigd waren tot het voeren van de titel kandidaat, blijven gerechtigd die titel te voeren overeenkomstig dat artikel.

Lid 2

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op degenen die na 31 augustus 2002 met goed gevolg het kandidaatsexamen van een opleiding als bedoeld in artikel 18.14 of van een opleiding als bedoeld in artikel 18.15 hebben afgelegd.

Artikel 18.40

Degene die voorafgaand aan het studiejaar 2002–2003 een aanvang heeft gemaakt met een opleiding in het hoger beroepsonderwijs en aan wie na 31 augustus 2002 doch voor 1 september 2006 op grond van het met goed gevolg afleggen van het afsluitend examen van een bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs de graad Bachelor is verleend, is tevens gerechtigd tot het voeren van de titel Bachelor overeenkomstig artikel 7.21, tweede en derde lid, zoals die bepalingen op 31 augustus 2002 luidden.

Artikel 18.41

Vervallen

Artikel 18.42

Vervallen

Artikel 18.43

Vervallen

Artikel 18.44

Vervallen

Artikel 18.45

Vervallen

Artikel 18.46

Vervallen

Artikel 18.47

Vervallen

Artikel 18.48

Artikel 2.2a wordt voor het eerst toegepast op het instellingsplan dat het instellingsbestuur van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen onderscheidenlijk het instellingsbestuur van de Koninklijke Bibliotheek vaststelt in het jaar 2006.

Artikel 18.49

Op geschillen betreffende de vaststelling van de rijksbijdrage op grond van artikel 16.26, vierde lid, die tijdig aanhangig zijn of worden gemaakt, blijven de op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet geldende voorschriften van toepassing.

Artikel 18.50

Vervallen

Artikel 18.51

Vervallen

Artikel 18.52

Vervallen

Artikel 18.53

Lid 1

De gemeente waar een in de Registratie instellingen en opleidingen, bedoeld in artikel 6.13, opgenomen opleiding op de dag voor de datum van inwerkingtreding van de wet van 24 juni 2004 (Stb. 321) blijkens dat register wordt verzorgd, is de gemeente waar die opleiding op de datum van inwerkingtreding van die wet is gevestigd.

Lid 2

Indien ten aanzien van een opleiding toepassing is gegeven aan artikel 7.17, tweede lid, zoals die bepaling luidde op de dag voor de datum van inwerkingtreding van de wet van 24 juni 2004 (Stb. 321), is de desbetreffende gemeente eveneens een gemeente waar die opleiding is gevestigd, voorzover die gemeente op die dag in de Registratie instellingen en opleidingen is vermeld.

Artikel 18.54

Op de verzoeken om toestemming als bedoeld in artikel 7.17, tweede lid, zoals die bepaling luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, die voor dat tijdstip zijn ingediend, blijven de op de dag voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet geldende voorschriften van toepassing.

Artikel 18.62

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2019/119.

Onze Minister neemt de gegevens die zijn opgenomen in het Centraal register inschrijving hoger onderwijs op in het basisregister onderwijs, voor zover het gegevens betreft als bedoeld in artikel 7.52. Onze Minister vervangt daarbij de nummers die in het Centraal register aan de studenten zijn toegekend door een persoonsgebonden nummer.

Artikel 18.63

Personen die een voor 1 september 2007 op grond van artikel 7.11, vierde lid, afgegeven verklaring betreffende een Ad-programma overleggen aan het instellingsbestuur van de instelling waar die verklaring is afgegeven, ontvangen een desbetreffend getuigschrift en een desbetreffend diplomasupplement als bedoeld in het genoemde artikel, indien Onze Minister bij besluit met het Ad-programma heeft ingestemd. Tevens verleent het instellingsbestuur op grond van artikel 7.10b, eerste lid, de graad Associate degree aan degenen die met goed gevolg het examen hebben afgelegd van een Ad-programma met een studielast van ten minste 120 studiepunten.

Artikel 18.64

Lid 1

Universitaire eerstegraads lerarenopleidingen als bedoeld in artikel 7.4, vierde lid, zoals die bepaling op 31 augustus 2002 luidde, worden, voorzover die opleidingen op 31 augustus 2002 aan de desbetreffende bekostigde of aangewezen universiteit zijn verbonden, aangemerkt als de masteropleidingen in het wetenschappelijk onderwijs, bedoeld in artikel 7.30c.

Lid 2

Onder de opleidingen, bedoeld in het eerste lid, worden mede begrepen de opleidingen die zijn ingesteld en geregistreerd in de Registratie instellingen en opleidingen, bedoeld in artikel 6.13, dan wel tijdig voor registratie in dat register zijn aangemeld.

Artikel 18.65

Lid 1

Aan de opleidingen die tot 1 januari 2006 werden verzorgd door de instelling, bedoeld in artikel 16.21, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, en met ingang van die datum worden verzorgd door de bijzondere universiteit te Tilburg, blijft de verleende accreditatie verbonden.

Lid 2

Onze Minister draagt zorg voor de wijziging van de registratie van de opleidingen, bedoeld in het eerste lid, in de Registratie instellingen en opleidingen. Daarbij wordt vastgelegd dat die opleidingen in Tilburg worden verzorgd.

Artikel 18.66

Lid 1

Aan de opleidingen die tot 1 juli 2006 werden verzorgd door de instelling, bedoeld in artikel 16.21, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, en met ingang van die datum worden verzorgd door de bijzondere universiteit te Tilburg, blijft de verleende accreditatie verbonden.

Lid 2

Onze Minister draagt zorg voor de wijziging van de registratie van de opleidingen, bedoeld in het eerste lid, in de Registratie instellingen en opleidingen. Daarbij wordt vastgelegd dat die opleidingen in Utrecht worden verzorgd.

Artikel 18.67

Titel 3 van hoofdstuk 7 en hoofdstuk 9 worden van toepassing op het instellingsbestuur van een levensbeschouwelijke universiteit als bedoeld in artikel 1.3, tweede lid, en de betrokken studenten zes maanden na de inwerkingtreding van de artikelen van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) die zien op de opheffing van de uitzonderingspositie van de levensbeschouwelijke universiteiten.

Artikel 18.68

Indien op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel AH, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) voor een opleiding toepassing is gegeven aan artikel 5a.12, eerste of vijfde lid, zoals die bepaling op die dag luidde, geldt voor die opleiding de redelijke termijn zoals die door de instelling is vastgesteld.

Artikel 18.69

Indien op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel AI, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) voor een opleiding toepassing is gegeven aan artikel 5a.12a zoals die bepaling op die dag luidde, geldt voor die opleiding de herstelperiode, bedoeld in artikel 5a.12a, zoals die bepaling op die dag luidde.

Artikel 18.70

Lid 1

De leden van de examencommissie, bedoeld in artikel 7.12, zoals die bepaling luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel BH, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119), worden aangemerkt als de leden van de examencommissie, bedoeld in artikel 7.12, zoals die bepaling luidt na inwerkingtreding van artikel I, onderdeel BH, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119).

Lid 2

De examinatoren, bedoeld in artikel 7.12, derde lid, zoals die bepaling luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel BH, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119), worden aangemerkt als de examinatoren, bedoeld in artikel 7.12c, zoals die bepaling luidt na inwerkingtreding van artikel I, onderdeel BH, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119).

Artikel 18.71

Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip gelden de verplichtingen op grond van artikel 7.52 zoals dat luidt na de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel BX, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) niet voor de Open Universiteit.

Artikel 18.72

Klachten van studenten die zijn ingediend op grond van artikel 9.28 zoals die bepaling luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel CQ, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) worden na inwerkingtreding van dat artikel aangemerkt als klachten ingediend op grond van artikel 7.59b zoals luidend na inwerkingtreding van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119).

Artikel 18.73

Lid 1

De leden van het college van beroep voor het hoger onderwijs, bedoeld in artikel 7.64 zoals die bepaling luidde voor de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel CH, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119), worden aangemerkt als leden van het college van beroep voor het hoger onderwijs, bedoeld in artikel 7.64 zoals die bepaling luidt na inwerkingtreding van artikel I, onderdeel CH, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119).

Lid 2

Voor de zittende leden van het college van beroep voor het hoger onderwijs blijven bij de toepassing van artikel 7.65, eerste lid, zoals die bepaling luidt na de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel CH, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119), de benoemingstermijnen, bedoeld in artikel 7.65, eerste lid, zoals die bepaling luidde voor de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel CH, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119), van kracht.

Lid 3

Over beroepen die zijn ingesteld bij het college van beroep voor het hoger onderwijs oordeelt het college van beroep met inachtneming van de voorschriften van de artikelen waarop het beroep ziet zoals die golden voor de inwerkingtreding van de verschillende onderdelen van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119).

Artikel 18.74

Lid 1

De colleges van beroep bijzonder onderwijs, zoals die bestonden op grond van artikel 7.68 zoals die bepaling luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel CI, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119), blijven in stand tot ten hoogste een jaar na inwerkingtreding van artikel I, onderdeel CI, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119). De behandeling van beroepen vindt plaats overeenkomstig artikel 7.68 zoals dat luidde op de dag voor inwerkingtreding van artikel I, onderdeel CI, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119).

Lid 2

Na ten hoogste een jaar na inwerkingtreding van artikel I, onderdeel CI, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) wordt de behandeling van de geschillen door een college van beroep bijzonder onderwijs dat niet is ingesteld door een instellingsbestuur van een bijzondere instelling met een levensbeschouwelijke aard of instellingsbesturen van bijzondere instellingen met een levensbeschouwelijke aard overgedragen aan het college van beroep voor het hoger onderwijs, bedoeld in artikel 7.64.

Lid 3

Het instellingsbestuur of de instellingsbesturen verleent respectievelijk verlenen eervol ontslag aan de leden en plaatsvervangende leden van het college van beroep bijzonder onderwijs, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 18.75

Lid 1

Aanvragen om een besluit tot aanwijzing op grond van artikel 6.9, zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel AP, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) waarop nog niet onherroepelijk is beslist, worden behandeld als aanvragen op grond van artikel 6.9 zoals dat artikel luidt na inwerkingtreding van artikel I, onderdeel AP, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119).

Lid 2

De hogescholen die krachtens artikel 6.9, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel AP, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119), waren aangewezen, worden met ingang van de datum van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel AP, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) aangemerkt als rechtspersonen voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.1, onder aa.

Lid 3

De universiteiten als bedoeld in artikel 1.2, onderdeel b, zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel B van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) blijven universiteiten aangewezen op grond van artikel 6.9, zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel AP, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119). De artikelen die bij of krachtens de wet gelden voor de rechtspersonen voor hoger onderwijs zijn op die universiteiten van toepassing, evenals de artikelen 7.18 en 7.19.

Lid 4

Onze Minister trekt de aanwijzing bedoeld in het derde lid in, indien de instelling geen in de Registratie instellingen en opleidingen geregistreerde opleiding verzorgt of niet wordt voldaan aan artikel 1.12, tweede, derde of vierde lid. Artikel 6.10, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Lid 5

De instellingen die geaccrediteerd postinitieel onderwijs verzorgen als bedoeld in artikel 1.12a, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel L van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119),worden met ingang van de datum van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel L, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) beschouwd als rechtspersonen voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.1, onder aa.

Lid 6

Indien een instelling op grond van artikel 1.12a, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel L van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) tevens postinitiële masteropleidingen verzorgt of een aanvraag voor een toets nieuwe opleiding voor een postinitiële masteropleiding heeft ingediend bij het accreditatieorgaan voor 1 september 2010, kan deze instelling overeenkomstig artikel 1.1, sub aa, zoals dit artikel luidt na de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel L van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) deze opleidingen als rechtspersoon voor hoger onderwijs verzorgen, bedoeld in het vierde lid of kan de instelling deze opleidingen in een afzonderlijke privaatrechtelijke rechtspersoon onderbrengen die rechtspersoon voor hoger onderwijs is.

Artikel 18.76

Artikel 2.15 zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel X, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119), blijft tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip van toepassing, met dien verstande dat het vierde lid uitsluitend geldt voor de borging van de lopende leningen die hogescholen zijn aangegaan met het oog op de overdracht van het economisch claimrecht als bedoeld in de wet van 11 november 1993, Stb. 629, houdende wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband met decentralisatie van huisvestings- en bestedingsbeslissingen en regeling van de overname van het economisch claimrecht.

Artikel 18.77

Vervallen

Artikel 18.78

Lid 1

In afwijking van artikel 7.45, tweede lid, zoals dat luidde op 1 september 2011, wordt voor het studiejaar 2011–2012 het bedrag van het volledig wettelijk collegegeld bij wet vastgesteld.

Lid 2

Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, bedraagt volgens het basistarief voor het studiejaar 2011–2012 1713 euro.

Lid 3

Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, bedraagt volgens het verhoogde tarief voor het studiejaar 2011–2012 1713 euro.

Artikel 18.79

Lid 1

In afwijking van artikel 7.45, derde lid, zoals dat luidde op 1 september 2011, wordt voor het studiejaar 2011–2012 het bedrag van het minimum- en maximumbedrag van het gedeeltelijk wettelijk collegegeld bij wet vastgesteld.

Lid 2

Het minimumbedrag, bedoeld in het eerste lid, bedraagt volgens het basistarief voor het studiejaar 2011–2012 961 euro.

Lid 3

Het maximumbedrag, bedoeld in het eerste lid, bedraagt volgens het basistarief voor het studiejaar 2011–2012 1713 euro.

Lid 4

Het minimumbedrag, bedoeld in het eerste lid, bedraagt volgens het verhoogde tarief voor het studiejaar 2011–2012 961 euro.

Lid 5

Het maximumbedrag, bedoeld in het eerste lid, bedraagt volgens het verhoogde tarief voor het studiejaar 2011–2012 1713 euro.

Artikel 18.80

Vervallen

Artikel 18.81

Lid 1

In afwijking van artikel 7.45, tweede lid, zoals dat luidde op 1 september 2011, wordt voor het studiejaar 2012–2013 het bedrag van het volledig wettelijk collegegeld bij wet vastgesteld.

Lid 2

Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, bedraagt volgens het basistarief voor het studiejaar 2012–2013 1771 euro.

Lid 3

Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, bedraagt volgens het verhoogde tarief voor het studiejaar 2012–2013 1771 euro.

Artikel 18.82

Lid 1

In afwijking van artikel 7.45, derde lid, zoals dat luidde op 1 september 2011, wordt voor het studiejaar 2012–2013 het minimum- en maximumbedrag van het gedeeltelijk wettelijk collegegeld bij wet vastgesteld.

Lid 2

Het minimumbedrag, bedoeld in het eerste lid, bedraagt volgens het basistarief voor het studiejaar 2012–2013 1003 euro.

Lid 3

Het maximumbedrag, bedoeld in het eerste lid, bedraagt volgens het basistarief voor het studiejaar 2012–2013 1771 euro.

Lid 4

Het minimumbedrag, bedoeld in het eerste lid, bedraagt volgens het verhoogde tarief voor het studiejaar 2012–2013 1003 euro.

Lid 5

Het maximumbedrag, bedoeld in het eerste lid, bedraagt volgens het verhoogde tarief voor het studiejaar 2012–2013 1771 euro.

Artikel 18.83

Lid 1

In afwijking van artikel 7.45, eerste lid, wordt voor het studiejaar 2012–2013 het bedrag van het volledig wettelijk collegegeld bij wet vastgesteld. Het volledig wettelijk collegegeld bedraagt voor het studiejaar 2012–2013 euro 1771.

Lid 2

In afwijking van artikel 7.45, tweede lid, tweede volzin, wordt voor het studiejaar 2012–2013 het minimum- en maximumbedrag van het gedeeltelijk wettelijk collegegeld bij wet vastgesteld. Voor het studiejaar 2012–2013 bedraagt het gedeeltelijk wettelijk collegegeld minimaal euro 1003 en maximaal euro 1771.

Artikel 18.84

Het instellingsbestuur dat voorzieningen heeft getroffen voor studenten op grond van artikel 7.51, eerste lid, onderdeel f, of vierde lid, tweede volzin, stelt regels vast met betrekking tot de afhandeling van de wederzijdse financiële verplichtingen ten aanzien van de opslag, bedoeld in artikel 7.45, eerste lid, tweede volzin, van de wet zoals deze luidde op 1 september 2011.

Artikel 18.85

Aspirant-studenten die op het moment van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel AW, onderscheidenlijk onderdeel AX, van de Wet van 10 juli 2013 (Stb. 2013, 298) beschikken over een bewijs van toelating als bedoeld in de artikelen 7.57c en 7.57d, zoals die artikelen luidden op de dag voordat het desbetreffende onderdeel in werking treedt, behouden hun recht op inschrijving voor de propedeutische fase van de desbetreffende opleiding.

Artikel 18.86

Wijzigt deze wet.

Artikel 18.87

Lid 1

Op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet invoering associate degree-opleiding wordt een Ad-programma dat door een instelling wordt verzorgd van rechtswege omgezet in een associate degree-opleiding tenzij het instellingsbestuur besluit het Ad-programma met ingang van dat moment te beëindigen.

Lid 2

Studenten die op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet invoering associate degree-opleiding zijn ingeschreven bij een bacheloropleiding en een Ad-programma worden met ingang van dat moment geacht te zijn ingeschreven bij de associate degree-opleiding, met dien verstande dat de inschrijving voor de toepassing van de Wet studiefinanciering 2000 een inschrijving blijft aan een associate degree-programma als bedoeld in artikel 7.8a, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet invoering associate degree-opleiding.

Lid 3

Indien het bevoegd gezag van de instelling besluit het Ad-programma te beëindigen op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet invoering associate degree-opleiding is artikel 7.3, zesde lid, van overeenkomstige toepassing.

Lid 4

Artikel 7.8a, vijfde lid, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet associate degree-opleiding, blijft van toepassing voor een persoon die voor dat tijdstip de graad Associate degree heeft behaald tot en met het tweede studiejaar volgend op de inwerkingtreding van die wet.

Artikel 18.88

Een aanvraag voor een toets nieuw Ad-programma die op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet invoering associate degree-opleiding in behandeling is bij het accreditatieorgaan wordt beschouwd als een aanvraag voor een toets nieuwe opleiding voor een associate degree-opleiding.

Artikel 18.89

In afwijking van artikel 5.13 en artikel 9.18, worden visitaties die op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet accreditatie op maat zijn gestart, door een commissie van deskundigen, van wie het accreditatieorgaan heeft ingestemd met de samenstelling overeenkomstig artikel 5a.2, tweede lid, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet accreditatie op maat, afgerond overeenkomstig artikel 1.18, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet accreditatie op maat.

Artikel 18.90

In afwijking van artikel 5.14, eerste lid, onderdeel c, richt de commissie van deskundigen, van wie het accreditatieorgaan heeft ingestemd met de samenstelling overeenkomstig artikel 5a.2, tweede lid, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van de Wet accreditatie op maat, zijn werkzaamheden in overeenkomstig artikel 1.18, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet accreditatie op maat.

Artikel 18.91

Lid 1

Een lopend besluit toets nieuwe opleiding, genomen op grond van artikel 5a.11 of artikel 5a.13g, zoals die artikelen luidden op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet accreditatie op maat, onderscheidenlijk een lopend accreditatiebesluit, genomen op grond van artikel 5a.9 of artikel 5a.13f, zoals die artikelen luidden op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet accreditatie op maat, onderscheidenlijk een lopend besluit toets nieuw Ad-programma, genomen op grond van artikel 5a.13, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet accreditatie op maat, wordt op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet accreditatie op maat omgezet in een accreditatie nieuwe opleiding als bedoeld in artikel 5.8 onderscheidenlijk een accreditatie bestaande opleiding als bedoeld in artikel 5.16 onderscheidenlijk een toets nieuw Ad-programma als bedoeld in artikel 5.22.

Lid 2

Voor opleidingen waarvoor artikel 5a.12a, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet accreditatie op maat, is toegepast of waarvoor het visitatieproces voor een accreditatiebesluit op grond van artikel 5a.9 of artikel 5a.13f, zoals die artikelen luidden op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet accreditatie op maat, op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet accreditatie op maat gaande is, blijft hoofdstuk 5a zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet accreditatie op maat van kracht tot het moment waarop het accreditatieorgaan een nieuw besluit heeft genomen.

Artikel 18.92

In afwijking van artikel 5.23, derde lid, worden aanvragen voor een instellingstoets kwaliteitszorg, ingediend voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet accreditatie op maat, beoordeeld overeenkomstig de kwaliteitsaspecten, genoemd in artikel 5a.13b, tweede lid, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet accreditatie op maat.

Artikel 18.95

Lid 1

Op een student als bedoeld in artikel 7.46, vierde lid, die een opleiding, waarvoor hij stond ingeschreven in het studiejaar waarin artikel V van de Wet taal en toegankelijkheid in werking trad en waarvoor hij instellingscollegegeld was verschuldigd, onafgebroken voortzet, blijft artikel 7.46, zoals dit luidde onmiddellijk voor inwerkingtreding van artikel V van de Wet taal en toegankelijkheid, van toepassing.

Lid 2

Op een student als bedoeld in artikel 7.46a, vierde lid, die in het studiejaar waarin artikel V van de Wet taal en toegankelijkheid in werking trad, stond ingeschreven voor een of meer onderwijseenheden van een opleiding waarvoor hij instellingscollegegeld was verschuldigd, en die ook na dit studiejaar onderwijseenheden van deze opleiding volgt, blijft artikel 7.45b zoals dit luidde onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel V van de Wet taal en toegankelijkheid van toepassing, mits dit onderwijs wordt gevolgd in aaneengesloten studiejaren.

Artikel 18.96

Lid 1

Op een student die, voor het studiejaar waarin artikel I, onderdeel BB, van de Wet tot wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, de Wet studiefinanciering 2000 en de Wet op het onderwijstoezicht in verband met een verbeterde regeling voor diverse onderwerpen op het terrein van het hoger onderwijs en de studiefinanciering (Variawet hoger onderwijs) (Stb. 2021, 263) in werking trad, een vergoeding was verschuldigd voor ondersteuning als bedoeld in artikel 7.57i, zoals dit artikel luidde onmiddellijk voor inwerkingtreding van artikel I, onderdeel BB, van voornoemde wet, en onafgebroken gebruik blijft maken van deze ondersteuning, blijft artikel 7.57i zoals dit luidde onmiddellijk voor inwerkingtreding van artikel I, onderdeel BB, van voornoemde wet, van toepassing.

Lid 2

Op een student die, voor het studiejaar waarin artikel I, onderdeel W, van de Wet tot wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, de Wet studiefinanciering 2000 en de Wet op het onderwijstoezicht in verband met een verbeterde regeling voor diverse onderwerpen op het terrein van het hoger onderwijs en de studiefinanciering (Variawet hoger onderwijs) (Stb. 2021, 263) in werking trad, een vergoeding was verschuldigd voor ondersteuning als bedoeld in artikel 7.49b, derde of vijfde lid, zoals deze leden luidde onmiddellijk voor inwerkingtreding van artikel I, onderdeel W, van voornoemde wet, en onafgebroken gebruik blijft maken van deze ondersteuning, blijft artikel 7.49b, derde of vijfde lid, zoals deze leden luidden onmiddellijk voor inwerkingtreding van artikel I, onderdeel W, van voornoemde wet, van toepassing.

Artikel 18.97

De benoemingen van degenen die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit artikel benoemd zijn als lid of plaatsvervangend lid van het college van beroep voor het hoger onderwijs worden van rechtswege beëindigd.

Artikel 18.98

Lid 1

Ten aanzien van de behandeling van beroep dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel aanhangig is bij het college van beroep voor het hoger onderwijs, treedt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in de plaats van het college van beroep voor het hoger onderwijs. De bij het college van beroep voor het hoger onderwijs aanhangige zaken worden van rechtswege, in de stand waarin zij zich bevinden, overgedragen aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Lid 2

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de behandeling van onderscheidenlijk verzet, een verzoek om voorlopige voorziening, een verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade of een verzoek om herziening als bedoeld in onderscheidenlijk artikel 8:55, 8:81, 8:88 of 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht, dat voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel is gedaan bij het college van beroep voor het hoger onderwijs.

Lid 3

Voor de toepassing van de artikelen 8:55 en 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van uitspraken die voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel zijn gedaan door het college van beroep voor het hoger onderwijs, treedt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in de plaats van het college van beroep voor het hoger onderwijs.

Artikel 18.99

Onverminderd artikel 18.98, eerste lid, tweede volzin, worden de archiefbescheiden van het college van beroep voor het hoger onderwijs overgedragen aan Onze Minister.

Artikel 18.100

Degene die op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I van de Wet tot wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, de Wet studiefinanciering 2000 en de Wet voortgezet onderwijs 2020 houdende de verankering van het experiment educatieve module en enkele andere aangelegen wijzigingen op het gebied van de lerarenopleiding (Stb. 2023, 192) is ingeschreven bij een educatieve module op grond van artikel 27, derde lid, van het Besluit experimenten flexibel hoger onderwijs wordt van rechtswege ingeschreven voor een opleiding waartoe deze educatieve module behoort, met dien verstande dat in afwijking van artikel 7.49a en 7.49b de verschuldigdheid en de hoogte van een vergoeding worden bepaald aan de hand van artikel 27, derde lid, van het Besluit experimenten flexibel hoger onderwijs, zoals dat luidde onmiddellijk voor inwerkingtreding van artikel I van voornoemde wet.

Artikel 18.101

Lid 1

Het accreditatieorgaan besluit in het kader van de eerste herbeoordeling na inwerkingtreding van de Wet leeruitkomsten hoger onderwijs dat een bestaande deeltijdse of duale bacheloropleiding op basis van eenheden van leeruitkomsten waarbij het onderwijsaanbod beperkt is tot de afsluitende fase van de opleiding accreditatie bestaande opleiding behoudt of accreditatie bestaande opleiding onder voorwaarden behoudt voor een termijn van zes jaar, indien:

  1. voor deze opleiding eerder accreditatie bestaande opleiding is verleend op grond van het Besluit experimenten flexibel hoger onderwijs; en

  2. de opleiding op alle kwaliteitsaspecten, genoemd in artikel 5.12, positief wordt beoordeeld onderscheidenlijk op een of meer van deze aspecten negatief wordt beoordeeld maar de tekortkomingen naar zijn oordeel binnen afzienbare tijd kunnen worden weggenomen.

Lid 2

Een toets nieuwe opleiding als bedoeld in artikel 5.6 is niet vereist indien de opleiding, bedoeld in het eerste lid, binnen de in het eerste lid genoemde termijn wordt voortgezet als opleiding met een volledig curriculum.