Titel 2. Vooropleidingseisen en toelatingseisen
Wordt genoemd in:
Artikel 7.23b
In deze paragraaf wordt onder «opleiding» verstaan een associate degree-opleiding of een bacheloropleiding.
Artikel 7.24
Lid 1
Onverminderd het derde lid geldt voor de inschrijving voor een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs als opleidingseis het bezit van het diploma vwo, bedoeld in artikel 2.58, tweede lid, onderdeel a, of 2.80, tweede lid, onderdeel a, van de Wet voortgezet onderwijs 2020.
Lid 2
Onverminderd het derde en het vierde lid geldt voor de inschrijving voor een opleiding in het hoger beroepsonderwijs als vooropleidingseis het bezit van:
het diploma vwo, bedoeld in artikel 2.58, tweede lid, onderdeel a, of 2.80, tweede lid, onderdeel a, van de Wet voortgezet onderwijs 2020,
het diploma havo, bedoeld in artikel 2.58, tweede lid, onderdeel a, of 2.80, tweede lid, onderdeel a, van de Wet voortgezet onderwijs 2020,
het diploma van een middenkaderopleiding of van een specialistenopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder d, onderscheidenlijk e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs,
het diploma van een middenkaderopleiding of van een specialistenopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder d, onderscheidenlijk e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES,
het diploma van de bij ministeriële regeling aangewezen vakopleidingen, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder c, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, of
het diploma van de bij ministeriële regeling aangewezen vakopleidingen, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder c, van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES.
Lid 3
Voor de inschrijving voor een opleiding of voor een onderwijseenheid, behorend tot een opleiding, aan de Open Universiteit gelden geen vooropleidingseisen, tenzij het een gezamenlijke opleiding betreft als bedoeld in artikel 7.3c. Indien geen vooropleidingseisen gelden, staat de inschrijving voor een opleiding of voor een onderwijseenheid, behorend tot een opleiding, open voor ieder die de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.
Lid 4
Voor de inschrijving voor een opleiding tot leraar basisonderwijs kunnen bijzondere nadere vooropleidingseisen worden gesteld als bedoeld in de artikelen 7.25a en 7.25b.
Artikel 7.24a
Lid 1
Voor de inschrijving voor een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs met alleen het oogmerk gebruik te maken van de educatieve module geldt als vooropleidingseis, dat:
aan de betrokkene de graad Bachelor of Master in het wetenschappelijk onderwijs is verleend; of
de betrokkene blijkens een al dan niet in Nederland afgegeven diploma in het bezit is van de kennis, het inzicht en de vaardigheden op het niveau van een graad Bachelor in het wetenschappelijk onderwijs; en
de betrokkene voldoet aan de door het instellingsbestuur gestelde eisen.
Lid 2
De artikelen 7.30d en 7.30f zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 7.25
Lid 1
Onverminderd het vierde lid kan bij ministeriële regeling bepaald worden dat een instellingsbestuur de mogelijkheid heeft om voor een bij die regeling aan te wijzen opleiding of groep van opleidingen enkel als studenten en extranei in te schrijven degene van wie het diploma betrekking heeft op een of meer bij die ministeriële regeling aan te wijzen profielen, bedoeld in artikel 2.20 van de Wet voortgezet onderwijs 2020, waarbij de profielen betrekking hebben op de volgende diploma’s:
het diploma vwo, bedoeld in artikel 2.58, tweede lid, onderdeel a, of 2.80, tweede lid, onderdeel a, van de Wet voortgezet onderwijs 2020; of
het diploma havo, bedoeld in artikel 2.58, tweede lid, onderdeel a, of 2.80, tweede lid, onderdeel a, van de Wet voortgezet onderwijs 2020.
Lid 2
Onverminderd het vierde lid kan bij ministeriële regeling tevens bepaald worden dat een instellingsbestuur de mogelijkheid heeft om voor een bij die regeling aan te wijzen opleiding of groep van opleidingen enkel als studenten en extranei in te schrijven degene van wie het examen ter verkrijging van een in het eerste lid bedoeld diploma voor een deel bestaat uit bij die ministeriële regeling aangewezen vakken en andere programmaonderdelen, indien het betreft:
een diploma dat betrekking heeft op een profiel waarvan het profieldeel niet voor alle kandidaten dezelfde vakken en andere programmaonderdelen omvat;
een diploma dat betrekking heeft op een ander profiel dan een krachtens het eerste lid aangewezen profiel; of
in bijzondere gevallen, een opleiding waarop geen enkel profiel zonder meer een goede voorbereiding geeft.
Lid 3
Onverminderd het vierde lid kan bij ministeriële regeling bepaald worden dat een instellingsbestuur de mogelijkheid heeft om eisen te stellen om te worden ingeschreven voor een bepaalde opleiding of groep van opleidingen in het hoger beroepsonderwijs in verband met de gewenste aansluiting van het diploma van:
een middenkaderopleiding of een specialistenopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder d, onderscheidenlijk e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs; of
een bij de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 7.24, tweede lid, onder e, aangewezen vakopleiding op een opleiding of een groep van opleidingen in het hoger beroepsonderwijs.
Lid 4
Bij de ministeriële regeling, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, kan worden bepaald dat voor een bij die regeling aangewezen opleiding of groep van opleidingen het instellingsbestuur een of meer van de nadere vooropleidingseisen, bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, stelt om te kunnen worden ingeschreven.
Lid 5
De vertegenwoordigers van de hogescholen en van de instellingen, bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, kunnen gezamenlijk voorstellen doen over de gewenste invulling van de aansluiting, bedoeld in het derde lid.
Lid 6
Indien de nadere vooropleidingseisen, bedoeld in het eerste tot en met vierde lid, van toepassing zijn, kan degene die hier niet aan voldoet toch als student of extraneus worden ingeschreven, onder de voorwaarde dat blijkens een onderzoek wordt voldaan aan inhoudelijk daarmee vergelijkbare eisen. Het instellingsbestuur bepaalt dat aan deze eisen moet zijn voldaan voor de aanvang van de opleiding dan wel uiterlijk bij afronding van de propedeutische fase of, indien die fase niet is ingesteld, bij afronding van de eerste periode in die opleiding met een studielast van 60 studiepunten. De eisen worden opgenomen in de onderwijs- en examenregeling.
Lid 7
Artikel 7.24, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 7.25a
Lid 1
Voor de opleiding tot leraar basisonderwijs kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur als voorwaarde voor de inschrijving tot die opleiding bijzondere nadere vooropleidingseisen worden gesteld. Indien uitvoering is gegeven aan de eerste volzin, is artikel 7.25, tweede en derde lid, niet van toepassing op de opleiding tot leraar basisonderwijs.
Lid 2
De bijzondere nadere vooropleidingseisen, bedoeld in het eerste lid, hebben betrekking op onderdelen of kennisgebieden als bedoeld in artikel 9, eerste en tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs. Op basis van die eisen toont de aspirant-student voor de inschrijving bij de opleiding tot leraar basisonderwijs aan, te beschikken over voldoende kennis om te kunnen deelnemen aan die opleiding.
Lid 3
Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, kan worden bepaald met welke vakken die deel hebben uitgemaakt van het examen ter verkrijging van een diploma als bedoeld in artikel 7.24, de kennis, bedoeld in het tweede lid, kan worden aangetoond. Bij of krachtens die algemene maatregel van bestuur wordt het niveau van de kennis vastgesteld dat anders is dan het niveau van het examen, bedoeld in de eerste volzin.
Artikel 7.25b
Lid 1
De aspirant-student, bedoeld in artikel 7.25a, tweede lid, kan aantonen over de kennis, bedoeld in dat artikel, te beschikken door middel van:
het overleggen van een diploma als bedoeld in artikel 7.24, en wat betreft de vakken die deel hebben uitgemaakt van het examen ter verkrijging van dat diploma, de bij het diploma behorende cijferlijst of resultatenlijst waaruit blijkt dat hij over de desbetreffende kennis beschikt, of
in voorkomende gevallen, al dan niet in aanvulling op het overleggen van een diploma als bedoeld in onderdeel a, het overleggen van een of meer certificaten als bedoeld in artikel 7.4.11, vijfde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs of artikel 7.4.13, vijfde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES, waaruit blijkt dat hij over de desbetreffende kennis beschikt.
Lid 2
Indien de aspirant-student niet voldoet aan het eerste lid, kan hij aantonen over de kennis, bedoeld in artikel 7.25a, te beschikken door het met goed gevolg afleggen van een toets.
Lid 3
Het instellingsbestuur stelt de aspirant-student in de gelegenheid een toets af te leggen en stelt met betrekking tot de toets regels van procedurele aard vast.
Artikel 7.26
Lid 1
Indien de uitoefening van het beroep of de beroepen waarop een opleiding voorbereidt, dan wel de organisatie en de inrichting van het onderwijs, specifieke eisen stelt ten aanzien van kennis of vaardigheden die niet of niet in voldoende mate onderdeel zijn van het voortgezet onderwijs, bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020, of van het beroepsonderwijs, bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs, onderscheidenlijk specifieke eisen stelt ten aanzien van de eigenschappen van de student, kunnen bij ministeriële regeling opleidingen worden aangewezen die op daarbij aangegeven gronden eisen kunnen stellen in aanvulling op de eisen, bedoeld in artikel 7.24. Het instellingsbestuur stelt een regeling vast voor de selectiecriteria en -procedure. De selectiecriteria kunnen uitsluitend eisen bevatten die direct verband houden met de gronden, bedoeld in de eerste volzin. Dit lid is niet van toepassing op opleidingen op het gebied van de kunst en lerarenopleidingen op het gebied van de kunst.
Lid 2
Bij de ministeriële regeling, bedoeld in het eerste lid, kunnen tevens voorschriften van procedurele aard worden vastgesteld.
Artikel 7.26a
Lid 1
Bij ministeriële regeling kunnen opleidingen op het gebied van de kunst en lerarenopleidingen op het gebied van de kunst worden aangewezen die in verband met de organisatie en inrichting van het onderwijs dan wel de kennis of vaardigheden van de aanstaande studenten en extraneï specifieke eisen kunnen stellen in aanvulling op de eisen, bedoeld in artikel 7.24. Voor de inschrijving voor deze opleidingen geldt als eis het bezit van een bewijs van toelating als bedoeld in het vierde lid.
Lid 2
Met betrekking tot de opleidingen waarop het eerste lid van toepassing is, stelt het instellingsbestuur ter uitwerking van de in het eerste lid bedoelde specifieke eisen voor een opleiding criteria vast betreffende selectie en toelating van studenten en extraneï. De selectiecriteria kunnen uitsluitend eisen bevatten die direct verband houden met de gronden, bedoeld in de eerste volzin van het eerste lid.
Lid 3
Voor elke opleiding stelt het instellingsbestuur een commissie in, die is belast met het onderzoek of aanstaande studenten of extraneï voldoen aan de in het eerste lid bedoelde eisen en de in het tweede lid bedoelde criteria. De commissie brengt het instellingsbestuur een gemotiveerd advies uit.
Lid 4
Het instellingsbestuur neemt ten aanzien van elke aanstaande student of extraneus een beslissing of deze voldoet aan de in het eerste lid bedoelde eisen en de in het tweede lid bedoelde criteria. Het instellingsbestuur bericht de student of extraneus over de uitslag van het desbetreffende onderzoek en reikt hem, indien het resultaat van het onderzoek daartoe aanleiding geeft, ten bewijze daarvan een bewijs van toelating uit.
Lid 5
Bij de ministeriële regeling, bedoeld in het eerste lid, kunnen tevens voorschriften van procedurele aard worden vastgesteld.
Artikel 7.27
Het instellingsbestuur kan met het oog op de inschrijving voor een deeltijdse opleiding aan een universiteit of aan een hogeschool eisen omtrent het verrichten van werkzaamheden tijdens het volgen van de opleiding stellen indien de desbetreffende werkzaamheden in de onderwijs- en examenregeling als onderwijseenheden zijn aangemerkt.
Artikel 7.28
Lid 1
Onverminderd artikel 7.28, derde en vierde lid, is degene aan wie een graad Bachelor of een graad Master is verleend, vrijgesteld van de in artikel 7.24, eerste en tweede lid bedoelde vooropleidingseisen en is degene aan wie een graad Associate degree is verleend, vrijgesteld van de in artikel 7.24, tweede lid, bedoelde vooropleidingseisen. Van de in de eerste volzin bedoelde vooropleidingseisen is eveneens vrijgesteld degene die toegang heeft tot het wetenschappelijk onderwijs of het hoger beroepsonderwijs in het land van een verdragspartij die het Verdrag inzake de erkenning van kwalificaties betreffende hoger onderwijs in de Europese regio (Trb. 2002, 137) heeft geratificeerd, onverminderd de bevoegdheid van het instellingsbestuur om op grond van artikel IV.1 van het genoemde verdrag een aanzienlijk verschil aan te tonen tussen de algemene eisen betreffende de toegang op het grondgebied van het bedoelde land waar de kwalificatie werd behaald en de algemene eisen bij of krachtens deze wet. Gelijke bevoegdheid bestaat op grond van het tweede lid, derde en vierde volzin, het derde en vierde lid en de artikelen 7.26, 7.26a en 7.27.
Lid 1a
Het instellingsbestuur kan met het oog op de inschrijving voor een bacheloropleiding aan een universiteit van de bezitter van een graad Associate degree of van de bezitter van een getuigschrift van een met goed gevolg afgelegd propedeutisch examen aan een instelling voor hoger onderwijs die niet in het bezit is van een diploma als bedoeld in artikel 7.24, eerste lid, dan wel een op grond van het tweede lid bij ministeriële regeling als ten minste gelijkwaardig aangemerkt onderscheidenlijk naar het oordeel van het instellingsbestuur daaraan ten minste gelijkwaardig diploma eisen dat hij aantoont over kennis, inzicht en vaardigheden te beschikken om de bedoelde bacheloropleiding met goed gevolg af te ronden.
Lid 2
Het instellingsbestuur verleent vrijstelling van de in artikel 7.24, eerste onderscheidenlijk tweede lid, bedoelde vooropleidingseis aan de bezitter van een al dan niet in Nederland afgegeven diploma dat bij ministeriële regeling is aangemerkt als tenminste gelijkwaardig aan het in het desbetreffende lid bedoelde diploma, onverminderd het derde en vierde lid. Het instellingsbestuur kan vrijstelling verlenen van de in artikel 7.24, eerste onderscheidenlijk tweede lid, bedoelde vooropleidingseisen aan de bezitter van een al dan niet in Nederland afgegeven diploma dat niet in de in de eerste volzin genoemde ministeriële regeling is opgenomen, indien dat diploma naar het oordeel van het instellingsbestuur tenminste gelijkwaardig is aan het in artikel 7.24, eerste onderscheidenlijk tweede lid bedoelde diploma, onverminderd het derde en vierde lid. Indien het een buiten Nederland afgegeven diploma betreft, kan het instellingsbestuur bepalen dat geen examens of onderdelen daarvan worden afgelegd dan nadat ten genoegen van de desbetreffende examencommissie het bewijs is geleverd van voldoende beheersing van de Nederlandse taal voor het met vrucht kunnen volgen van het onderwijs. Het instellingsbestuur kan tevens bepalen dat betrokkene niet wordt ingeschreven zolang het in de voorgaande volzin bedoelde bewijs niet is geleverd.
Lid 3
Indien nadere vooropleidingseisen als bedoeld in artikel 7.25, eerste tot en met vierde lid, van toepassing zijn, of bijzondere nadere vooropleidingseisen als bedoeld in artikel 7.25a, eerste lid, zijn vastgesteld kan de bezitter van een diploma als bedoeld in het eerste tot en met tweede lid geen examens afleggen voordat hij op een door het instellingsbestuur te bepalen wijze op grond van een aanvullend onderzoek heeft aangetoond te beschikken over de kennis en vaardigheden waarop de nadere of bijzondere nadere vooropleidingseisen, bedoeld in de artikelen 7.25 onderscheidenlijk 7.25a, betrekking hebben.
Lid 4
Het instellingsbestuur kan bepalen dat de bezitter van een diploma als bedoeld in het eerste dan wel tweede lid niet kan worden ingeschreven indien dat bestuur van oordeel is dat de eisen, bedoeld in de artikelen 7.25 of 7.25a, van dien aard zijn dat redelijkerwijs verwacht kan worden dat niet tijdens het eerste jaar van inschrijving voor de opleiding op grond van een aanvullend onderzoek als bedoeld in het derde lid aangetoond kan worden dat betrokkene beschikt over de kennis en vaardigheden waarop die eisen betrekking hebben. Het instellingsbestuur bepaalt op welke wijze betrokkene op grond van een aanvullend onderzoek met het oog op de inschrijving vrijgesteld kan worden van die eisen.
Lid 5
De bij het onderzoek, bedoeld in onderscheidenlijk de leden twee tot en met vier, te stellen eisen worden opgenomen in de onderwijs- en examenregeling.
Artikel 7.29
Lid 1
Het instellingsbestuur kan personen van eenentwintig jaar en ouder die niet voldoen aan de in artikel 7.24, eerste onderscheidenlijk tweede lid, bedoelde vooropleidingseis noch daarvan krachtens artikel 7.28 zijn vrijgesteld, van die vooropleidingseis vrijstellen, indien zij bij een onderzoek door een door het instellingsbestuur in te stellen commissie hebben blijk gegeven van geschiktheid voor het desbetreffende onderwijs en van voldoende beheersing van de Nederlandse taal voor het met vrucht kunnen volgen van dat onderwijs.
Lid 2
De bij het onderzoek te stellen eisen worden opgenomen in de onderwijs- en examenregeling.
Lid 3
Het instellingsbestuur kan ten aanzien van een bezitter van een buiten Nederland afgegeven diploma dat in het eigen land toegang geeft tot een opleiding aan een instelling voor hoger onderwijs, afwijken van de in het eerste lid genoemde leeftijdsgrens. Van die leeftijdsgrens kan het instellingsbestuur ook afwijken, indien in bijzondere gevallen geen diploma kan worden overgelegd.
Lid 4
Het instellingsbestuur kan ten aanzien van opleidingen op het gebied van de kunst in bijzondere gevallen afwijken van de in het eerste lid genoemde leeftijd.
Artikel 7.30
Lid 1
Voor de inschrijving voor een bacheloropleiding na het propedeutisch examen geldt als eis het bezit van een getuigschrift van het met goed gevolg afgelegde propedeutisch examen van die bacheloropleiding of van het met goed gevolg afgelegde propedeutisch examen dat die bacheloropleiding en een of meer andere bacheloropleidingen gemeen hebben.
Lid 2
Het instellingsbestuur kan vrijstelling verlenen van de in het eerste lid bedoelde eis aan de bezitter van een al dan niet in Nederland afgegeven diploma, indien dat diploma naar het oordeel van het instellingsbestuur ten minste gelijkwaardig is aan het in het eerste lid bedoelde getuigschrift. Indien het een buiten Nederland afgegeven diploma betreft, kan het instellingsbestuur daarbij bepalen dat geen examens of onderdelen daarvan worden afgelegd dan nadat ten genoegen van de desbetreffende examencommissie het bewijs is geleverd van voldoende beheersing van de Nederlandse taal voor het met vrucht kunnen volgen van het onderwijs.
Lid 3
Met inachtneming van het terzake bepaalde in de onderwijs- en examenregeling kan de examencommissie, in afwijking van het eerste lid, aan degene die is ingeschreven, op zijn verzoek, reeds de toegang tot het afleggen van een of meer onderdelen van het afsluitend examen verlenen voordat hij het propedeutisch examen van de desbetreffende bacheloropleiding met goed gevolg heeft afgelegd.
Artikel 7.30a
Vervallen
Artikel 7.30b
Lid 1
Voor de inschrijving voor een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs of voor een masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs geldt als toelatingseis:
het bezit van een graad Bachelor in het wetenschappelijk onderwijs onderscheidenlijk een graad Bachelor in het hoger beroepsonderwijs; of
het bezit van kennis, inzicht en vaardigheden op het niveau van een graad Bachelor in het wetenschappelijk onderwijs onderscheidenlijk een graad Bachelor in het hoger beroepsonderwijs.
Lid 2
Het instellingsbestuur kan naast de eisen, bedoeld in het eerste lid, kwalitatieve toelatingseisen vaststellen. Deze eisen worden opgenomen in de onderwijs- en examenregeling.
Lid 3
Het instellingsbestuur laat degenen die aan de gestelde eisen voldoen toe tot een masteropleiding. Indien het instellingsbestuur een maximum aantal voor de opleiding in te schrijven personen heeft vastgesteld, geldt als extra toelatingseis dat dit aantal door de toelating niet wordt overschreden.
Lid 4
Het instellingsbestuur maakt tijdig de procedure bekend op grond waarvan de toelating zal plaatsvinden ingeval het aantal aspirant-studenten voor een masteropleiding het maximumaantal, bedoeld in het derde lid, zou overschrijden. Het instellingsbestuur stelt daartoe een reglement vast.
Lid 5
Indien er sprake is van kwalitatieve toelatingseisen van studenten bedraagt het aantal soorten daarvan ten minste twee.
Lid 6
Indien afgestudeerden van een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs zich niet kunnen of dreigen te kunnen inschrijven bij een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs, kan Onze Minister een of meer instellingsbesturen van universiteiten verplichten een of meer masteropleidingen aan te wijzen waaraan bedoelde afgestudeerden zich kunnen inschrijven.
Artikel 7.30c
Voor de inschrijving voor een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs tot leraar voor de periode van voorbereidend hoger onderwijs in vakken van voortgezet onderwijs gelden als toelatingseisen dat:
aan de betrokkene de graad Master, bedoeld in artikel 7.10a, is verleend, indien het een opleiding van minder dan 120 studiepunten betreft, en
de betrokkene voldoet aan de door het instellingsbestuur te stellen eisen.
Artikel 7.30d
Op de personen, bedoeld in artikel 7.28, eerste lid, tweede volzin, zijn, onverminderd de bevoegdheid van het instellingsbestuur om op grond van artikel IV.1 van het Verdrag inzake de erkenning van kwalificaties betreffende hoger onderwijs in de Europese regio (Trb. 2002, 137) een aanzienlijk verschil aan te tonen tussen de algemene eisen betreffende de toegang op het grondgebied van het bedoelde land waar de kwalificatie werd behaald en de algemene eisen bij of krachtens deze wet, niet van toepassing:
artikel 7.30b, met uitzondering van de eisen, bedoeld in het tweede lid, en
Artikel 7.30e
Indien de betrokkene niet voldoet aan de toelatingseisen, bedoeld in de artikelen 7.30b of 7.30c, en van hem redelijkerwijs kan worden verwacht dat hij daaraan binnen een redelijke termijn alsnog kan voldoen, wordt hem de mogelijkheid geboden, de tekortkoming weg te nemen en alsnog aan de toelatingseisen te voldoen.
Artikel 7.30f
Lid 1
Indien uit verdragen waarbij het Koninkrijk der Nederlanden partij is, voortvloeit dat het niveau zoals dat blijkt uit een buitenlands getuigschrift, gelijkwaardig is aan het niveau zoals dat blijkt uit een van de getuigschriften bedoeld in artikel 7.11, tweede lid, is het instellingsbestuur niet bevoegd:
om bij de bezitter van dat buitenlandse getuigschrift een aanzienlijk verschil aan te tonen tussen de algemene eisen betreffende de toegang tot het hoger onderwijs in het land waar het getuigschrift werd behaald en de algemene eisen, als bedoeld in de artikelen 7.28, eerste lid, tweede volzin, en 7.30d; of
van de bezitter van dat buitenlands getuigschrift nader bewijs te verlangen voor de vaststelling dat het niveau van het buitenlandse getuigschrift gelijkwaardig is aan het niveau van het desbetreffende Nederlandse getuigschrift, als bedoeld in de artikelen 7.28, tweede lid, tweede volzin.
Lid 2
Van de gelijkwaardigheid van de buitenlandse getuigschriften, bedoeld in het eerste lid, wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.