Titel 1. Het bestuur en de inrichting van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen

Artikel 13.1

Lid 1

De bevoegdheid tot regeling en bestuur van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen berust bij het algemeen bestuur, voorzover die bevoegdheid niet bij of krachtens deze wet aan andere organen van de academie is opgedragen. Het algemeen bestuur oefent de taken en bevoegdheden uit die bij of krachtens deze wet aan het instellingsbestuur zijn opgedragen, voorzover bij of krachtens dit hoofdstuk niet anders is bepaald.

Lid 2

De leden van de academie vormen de algemene vergadering. De wijze waarop de leden van de academie worden benoemd, wordt geregeld in het reglement, bedoeld in artikel 13.2.

Lid 3

De leden van het algemeen bestuur worden gekozen door en uit de algemene vergadering.

Lid 4

Het algemeen bestuur is verantwoording verschuldigd aan de algemene vergadering. Het verstrekt de algemene vergadering en Onze Minister de gevraagde inlichtingen.

Lid 5

Onze Minister kan aan een of meer leden van het algemeen bestuur een bezoldiging of toelage toekennen. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels vastgesteld betreffende de rechtspositie van de leden van het algemeen bestuur aan wie een bezoldiging is toegekend.

Lid 6

De voorzitter van het algemeen bestuur vertegenwoordigt de academie in en buiten rechte.

Artikel 13.2

Lid 1

Ten behoeve van de nadere regeling van het bestuur en de inrichting van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen stelt de algemene vergadering met inachtneming van het daaromtrent bij of krachtens deze wet bepaalde een reglement vast.

Lid 2

Het reglement regelt in elk geval de wijze van benoeming, schorsing en ontslag van de leden van het algemeen bestuur alsmede hun vervanging bij afwezigheid of ontstentenis.

Lid 3

Het algemeen bestuur zendt het reglement en elke wijziging daarvan ter kennis aan Onze Minister.