Titel 2. De instellingen

Artikel 1.8

Lid 1

De bekostigde instellingen voor hoger onderwijs zijn de instellingen, opgenomen in de bijlage van deze wet onder a tot en met i.

Lid 2

De in de bijlage van deze wet onder a, h en j opgenomen instellingen bezitten rechtspersoonlijkheid.

Lid 3

Een wijziging van de statutaire naam van een stichting of vereniging, genoemd in de bijlage, is van kracht met ingang van het tijdstip waarop de wijziging schriftelijk aan Onze Minister is medegedeeld.

Artikel 1.9

Lid 1

Ten behoeve van het verzorgen van initieel onderwijs en, voorzover het universiteiten betreft, mede ten behoeve van het verrichten van wetenschappelijk onderzoek hebben de in de bijlage van deze wet onder a, c, h en j opgenomen instellingen, onderscheidenlijk rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid, waarvan de overige in de bijlage van deze wet opgenomen instellingen uitgaan, aanspraak op bekostiging uit ’s Rijks kas, voorzover aan de aan die instellingen verbonden opleidingen accreditatie is verleend of die opleidingen de toets nieuwe opleiding met positief gevolg hebben ondergaan. Voor de toepassing van dit lid worden de ontwerp- en ontwikkelactiviteiten en onderzoek gericht op de beroepspraktijk, aan hogescholen gerekend tot het daarop betrekking hebbende onderwijs.

Lid 2

Aan de met goed gevolg afgelegde examens van initiële opleidingen, verzorgd door bekostigde instellingen, is een graad verbonden. Degenen aan wie een dergelijke graad is verleend onderscheidenlijk degenen die hebben voldaan aan de vereisten, gesteld in artikel 7.18, zijn gerechtigd in de daarvoor in aanmerking komende gevallen de graden, genoemd in de artikelen 7.10a en 7.18, in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen.

Lid 3

Voorwaarde voor het bepaalde in het eerste en tweede lid is dat de desbetreffende instelling in acht neemt hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald ten aanzien van:

  1. de kwaliteitszorg,

  2. de planning en bekostiging,

  3. het personeel,

  4. het onderwijsaanbod, de registratie, het onderwijs, de examens en de promoties,

  5. de vooropleidings-, selectie- of toelatingseisen,

  6. de studenten en extraneï,

  7. de rechtsbescherming van studenten en extraneï, en

  8. het bestuur en de inrichting.

Artikel 1.10

De bepalingen in deze wet die het openbaar hoger onderwijs regelen, gelden voor het bekostigde bijzonder hoger onderwijs als bekostigingsvoorwaarden, tenzij anders is bepaald.

Artikel 1.11

Vervallen

Artikel 1.12

Lid 1

Aan de met goed gevolg afgelegde examens van initiële opleidingen, verzorgd door rechtspersonen voor hoger onderwijs, is een graad als bedoeld in artikel 7.10a verbonden.

Lid 2

Voorwaarde voor het bepaalde in het eerste lid is dat de desbetreffende rechtspersoon in acht neemt hetgeen is bepaald in het derde lid, alsmede hetgeen is bepaald bij of krachtens deze wet ten aanzien van:

  1. de kwaliteitszorg,

  2. de registratie, het onderwijs en de examens,

  3. de vooropleidingseisen,

  4. het gebruik van het persoonsgebonden nummer.

Lid 3

Het bestuur van de rechtspersoon verstrekt Onze Minister de nodige inlichtingen omtrent de rechtspersoon. Het bestuur van de rechtspersoon doet Onze Minister jaarlijks een verslag toekomen omtrent de werkzaamheden van de rechtspersoon en betrekt daarbij de uitkomsten van kwaliteitsbeoordeling als bedoeld in artikel 1.18, alsmede andere gegevens omtrent de kwaliteit van de werkzaamheden van de rechtspersoon.

Lid 4

Onder de nodige inlichtingen, bedoeld in het derde lid, eerste volzin, worden in ieder geval begrepen informatie over wijzigingen in de eigendomsverhoudingen, de financiële soliditeit of de bestuursstructuur van de rechtspersoon alsmede alle wijzigingen van de gegevens betreffende de rechtspersoon bij de Kamer van Koophandel.

Artikel 1.12a

Aan de met goed gevolg afgelegde examens van een postinitiële masteropleiding, verzorgd door rechtspersonen voor hoger onderwijs is een mastergraad als bedoeld in artikel 7.10a verbonden. Artikel 1.12, tweede, derde en vierde lid, is van toepassing.

Artikel 1.12b

Aan de met goed gevolg afgelegde examens van een postinitiële masteropleiding, verzorgd door instellingen als bedoeld in artikel 1.8, eerste lid, is een mastergraad als bedoeld in artikel 7.10a verbonden.

Artikel 1.13

Lid 1

Bij elke in artikel 1.8 bedoelde universiteit die een opleiding voor het beroep van arts verzorgt, is een academisch ziekenhuis. De academische ziekenhuizen zijn opgenomen in onderdeel j van de bijlage van deze wet.

Lid 2

De academische ziekenhuizen, opgenomen in onderdeel j, onder 1, van de bijlage van deze wet, bezitten rechtspersoonlijkheid.

Lid 3

In afwijking van het eerste lid, is het bijzondere academisch ziekenhuis te Amsterdam verbonden aan zowel de bijzondere als de openbare universiteit te Amsterdam.

Artikel 1.14

Lid 1

De academische ziekenhuizen hebben ten behoeve van het vervullen van hun in deze wet opgedragen werkzaamheden ten dienste van het wetenschappelijk geneeskundig onderwijs en onderzoek aanspraak op een door Onze Minister te bepalen deel van de rijksbijdrage die op grond van artikel 2.5 is vastgesteld voor de universiteiten waaraan zij zijn verbonden.

Lid 2

Voorwaarde voor het bepaalde in het eerste lid is, dat de desbetreffende instelling in acht neemt het bij of krachtens deze wet voor de academische ziekenhuizen bepaalde ten aanzien van:

  1. de planning en bekostiging,

  2. het personeel, en

  3. het bestuur en de inrichting.

Artikel 1.15

De bepalingen in deze wet die de openbare academische ziekenhuizen regelen, gelden voor de bijzondere academische ziekenhuizen als bekostigingsvoorwaarden, tenzij anders is bepaald.

Artikel 1.16

De Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en de Koninklijke Bibliotheek bezitten rechtspersoonlijkheid.

Artikel 1.16a

De Kaderwet zelfstandige bestuursorganen is van toepassing op de Koninklijke Bibliotheek, met uitzondering van artikel 15 van die wet.

Artikel 1.17

Lid 1

De Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen heeft aanspraak op een bijdrage uit ’s Rijks kas ten behoeve van het vervullen van haar bij deze wet opgedragen werkzaamheden. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op de Koninklijke Bibliotheek, onverminderd haar aanspraak op een bijdrage op grond van artikel 9 van de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen.

Lid 2

Voorwaarde voor het bepaalde in het eerste lid is dat de desbetreffende instelling in acht neemt het bij of krachtens deze wet bepaalde ten aanzien van:

  1. de kwaliteitszorg,

  2. de planning en bekostiging,

  3. het personeel, en

  4. het bestuur en de inrichting.

Lid 3

De voorwaarden, bedoeld in het tweede lid onder a, en onder b voor wat betreft de planning, hebben geen betrekking op de adviestaak van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen.

Artikel 1.17a

Lid 1

Het instellingsbestuur van een instelling voor wetenschappelijk onderzoek als bedoeld in artikel 1.5 draagt er zorg voor dat wordt voorzien in een regelmatige beoordeling, mede door onafhankelijke deskundigen, van de kwaliteit van de werkzaamheden van de instelling. Voor zover die beoordeling mede geschiedt door onafhankelijke deskundigen worden de uitkomsten van dat deel van de beoordeling door het instellingsbestuur openbaar gemaakt.

Lid 2

Onze Minister ziet toe op de uitvoering van het eerste lid. Hij kan onderzoek laten verrichten naar de kwaliteit van de werkzaamheden van de instellingen.