Titel 2. Opleidingen rechtspersonen voor hoger onderwijs

Wordt genoemd in:

Artikel 6.9

Lid 1

Een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die de bevoegdheid wenst te verkrijgen om graden te verlenen als bedoeld in artikel 7.10a, dient daartoe een verzoek in bij Onze Minister onder overlegging van een verzwaarde toets nieuwe opleiding voor een bacheloropleiding of een masteropleiding.

Lid 2

Naar aanleiding van het verzoek, bedoeld in het eerste lid, adviseert de inspectie Onze Minister over de continuïteit van de desbetreffende rechtspersoon en de naleving door de desbetreffende rechtspersoon van de artikelen 1.12, tweede lid en 1.12a en van de leveringsverplichting, bedoeld in artikel 12, eerste en vierde lid, van de Wet register onderwijsdeelnemers.

Lid 3

Naar aanleiding van het verzoek en mede op grond van het advies beslist Onze Minister of de artikelen 1.12, eerste lid, of 1.12a op de opleiding, verzorgd door de desbetreffende rechtspersoon, van toepassing zijn. Onze Minister wijst het verzoek om graden te mogen verlenen in ieder geval af indien de continuïteit van de desbetreffende rechtspersoon of de naleving van de artikelen 1.3, vijfde lid, en 1.12, tweede lid en derde lid, en van de leveringsverplichting, bedoeld in artikel 12, eerste en vierde lid, van de Wet register onderwijsdeelnemers in onvoldoende mate zijn gewaarborgd. Onze Minister neemt binnen 16 weken na ontvangst van het verzoek, bedoeld in het eerste lid, een besluit.

Lid 4

Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing indien de desbetreffende rechtspersoon de opleiding overdraagt aan een andere rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid waarop de artikelen 1.12 of 1.12a op het moment van de overdracht niet van toepassing zijn.

Lid 5

Indien door de in het eerste lid bedoelde rechtspersoon geen in de Registratie instellingen en opleidingen, bedoeld in artikel 6.13, geregistreerde opleidingen meer worden verzorgd, naast een associate degree-opleiding als bedoeld in artikel 7.3a, tweede lid, onderdeel a, niet langer een bacheloropleiding als bedoeld in artikel 7.3a, tweede lid, onderdeel b, of uitsluitend een opleiding in afbouw als bedoeld in artikel 5.21, derde lid, wordt verzorgd dan wel door de rechtspersoon uitsluitend een opleiding in afbouw als bedoeld in artikel 5.21, derde lid, wordt verzorgd, kan deze rechtspersoon slechts opnieuw graden verlenen na toepassing van het eerste tot en met derde lid.

Artikel 6.10

Lid 1

Onze Minister kan besluiten dat aan een opleiding of aan alle opleidingen, verzorgd door een rechtspersoon voor hoger onderwijs, de rechten, genoemd in artikel 1.12, eerste lid, worden ontnomen, indien de continuïteit van de desbetreffende rechtspersoon of de naleving van de artikelen 1.3, vijfde lid, 1.12, tweede lid, of 1.12, derde lid, niet of niet langer is gewaarborgd of aan de leveringsverplichting, bedoeld in artikel 12, eerste en vierde lid, van de Wet register onderwijsdeelnemers, niet of niet meer wordt voldaan.

Lid 2

Een besluit op grond van het eerste lid houdt in dat aan de examens van de desbetreffende opleiding of van alle opleidingen geen graad als bedoeld in artikel 7.10a is verbonden, dat de registratie in de Registratie instellingen en opleidingen, bedoeld in artikel 6.13, wordt beëindigd en dat de instelling niet meer het recht heeft zich universiteit te noemen, als bedoeld in artikel 1.22, eerste lid, dan wel hogeschool als bedoeld in artikel 1.23, eerste lid.

Lid 3

Artikel 6.5, tweede en derde lid, en artikel 6.6 zijn van overeenkomstige toepassing.

Lid 4

Voordat Onze Minister een besluit op grond van het eerste lid neemt, geeft hij het instellingsbestuur een waarschuwing onder bepaling van een termijn waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven en desgewenst overleg met hem dienaangaande plaats kan vinden. De termijn waarbinnen aan de waarschuwing gevolg moet zijn gegeven, bedraagt ten minste drie maanden.

Lid 5

Indien Onze Minister een besluit als bedoeld in het eerste lid heeft genomen ten aanzien van alle opleidingen verzorgd door de desbetreffende rechtspersoon, kan deze rechtspersoon slechts opnieuw graden als bedoeld in artikel 7.10a verlenen na toepassing van artikel 6.9.

Artikel 6.11

Lid 1

Er is een commissie van advies die tot taak heeft om Onze Minister op diens verzoek advies te geven indien hij, vanwege het door een instelling niet nakomen van de verplichting het maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef van studenten te bevorderen als bedoeld in artikel 1.3, vijfde lid, eerste en tweede volzin, overweegt een besluit te nemen om een verzoek als bedoeld in artikel 6.9, eerste lid, af te wijzen of een besluit te nemen op grond van artikel 6.5, eerste lid, 6.10, eerste lid, of 15.1, eerste lid, van deze wet dan wel op grond van artikel 4:49 van de Algemene wet bestuursrecht.

Lid 2

Onze Minister neemt geen besluit als bedoeld in het eerste lid dan nadat hij advies heeft gevraagd aan de commissie van advies.

Lid 3

De commissie bestaat uit drie leden die voldoen aan de vereisten voor benoembaarheid tot rechterlijk ambtenaar, bedoeld in artikel 5 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren. De leden worden benoemd en ontslagen door Onze Minister.

Lid 4

Over de samenstelling, werkwijze en bezoldiging van de commissie worden regels gesteld bij ministeriële regeling.

Artikel 6.12

Vervallen