Titel 3. Kwaliteitszorg
Wordt genoemd in:
Artikel 1.18
Het instellingsbestuur van een instelling voor hoger onderwijs draagt er zorg voor dat, zoveel mogelijk in samenwerking met andere instellingen, wordt voorzien in een regelmatige beoordeling, mede door onafhankelijke deskundigen, van de kwaliteit van de werkzaamheden van de instelling. De beoordeling geschiedt mede aan de hand van het oordeel van studenten over de kwaliteit van het onderwijs van de instelling. Het deel van de beoordeling dat is uitgevoerd door onafhankelijke deskundigen wordt door het instellingsbestuur openbaar gemaakt. Bij de beoordeling worden de uitkomsten van eerdere beoordelingen betrokken.
Artikel 2.14
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld voor de inrichting van het verslag en bij algemene maatregel van bestuur kunnen een of meer branchecodes voor goed bestuur worden aangewezen.
Artikel 5.11
Lid 1
Accreditatie bestaande opleiding kan worden verkregen door een opleiding waaraan accreditatie nieuwe opleiding is verleend en waarvan de kwaliteit voor het eind van de accreditatietermijn van accreditatie nieuwe opleiding is beoordeeld op de kwaliteitsaspecten, genoemd in artikel 5.12, overeenkomstig de procedure genoemd in artikel 5.13.
Lid 2
Accreditatie bestaande opleiding wordt de eerste keer verleend op aanvraag van het instellingsbestuur, die voor een door het accreditatieorgaan te bepalen datum moet worden ingediend, rekening houdend met de periode waarin visitatie, binnen de visitatiegroep waartoe de opleiding behoort, doorgaans plaatsvindt.
Lid 3
Indien van toepassing vermeldt het instellingsbestuur bij de aanvraag tevens de door hem beoogde gewijzigde
naam van de opleiding; en
toevoeging aan de graad als bedoeld in artikel 7.10a, tweede en derde lid, voor zover het een opleiding in het hoger beroepsonderwijs betreft.
Lid 4
Het instellingsbestuur verstrekt bij de aanvraag, de delen van het visitatierapport, genoemd in artikel 5.13, vierde lid, onderdelen a en b.
Artikel 5.12
In het kader van een aanvraag voor accreditatie bestaande opleiding wordt de kwaliteit van de opleiding beoordeeld aan de hand van de volgende kwaliteitsaspecten:
het beoogde eindniveau van de opleiding, gelet op hetgeen internationaal gewenst en gangbaar is;
de inhoud en opzet van het onderwijsprogramma;
de kwaliteit van het docententeam;
de opleidingsspecifieke voorzieningen alsmede de instellingsbrede voorzieningen die van invloed zijn op de kwaliteit van de opleiding, daaronder mede begrepen voldoende studiebegeleiding en voorzieningen die de toegankelijkheid en studeerbaarheid voor studenten met een functiebeperking bevorderen;
de vormgeving en effectiviteit van de interne kwaliteitszorg gericht op de systematische verbetering van de opleiding;
het gerealiseerde eindniveau, gelet op hetgeen internationaal gewenst en gangbaar is; en
de deugdelijkheid van beoordeling, toetsing en examinering van de studenten.
Artikel 5.13
Lid 1
Onverminderd artikel 1.18, draagt het instellingsbestuur er zorg voor dat de kwaliteit van de opleiding ter verkrijging van accreditatie bestaande opleiding wordt gevisiteerd, in samenwerking met andere instellingen binnen de visitatiegroep. Daarbij bevordert het instellingsbestuur een brede inbreng van studenten.
Lid 2
De visitatie wordt uitgevoerd door de commissie van deskundigen, bedoeld in artikel 5.2, tweede lid, onderdeel c.
Lid 3
De visitatie vindt plaats op basis van een zelfevaluatie van de opleiding door het instellingsbestuur die in beginsel een door studenten aan de opleiding geschreven bijdrage bevat.
Lid 4
Van de visitatie wordt door de commissie van deskundigen een rapport opgesteld. Het visitatierapport bevat:
een oordeel over de kwaliteitsaspecten, genoemd in artikel 5.12;
een samenvatting van de beoordeling, alsmede een eindoordeel;
een bijlage waarin de aanbevelingen voor verdere ontwikkeling van de opleiding zijn opgenomen.
Lid 5
Het visitatierapport wordt door het instellingsbestuur binnen een week nadat het dit rapport van de commissie van deskundigen heeft ontvangen, verstrekt aan de universiteitsraad, bedoeld in artikel 9.31, dan wel de faculteitsraad, bedoeld in artikel 9.37, of de medezeggenschapsraad, bedoeld in artikel 10.17, of aan de ondernemingsraad en het orgaan binnen de universiteit of de hogeschool, dat op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 9.30, derde lid, artikel 10.16a, derde lid, respectievelijk artikel 11.13 is ingesteld, en aan de opleidingscommissie, bedoeld in artikel 9.18, artikel 10.3c respectievelijk artikel 11.11.
Lid 6
De bijlage, bedoeld in het vierde lid, onderdeel c, wordt binnen een jaar nadat het accreditatieorgaan het accreditatierapport heeft vastgesteld door het instellingsbestuur openbaar gemaakt.
Artikel 5.14
Lid 1
Het accreditatieorgaan stemt in met de samenstelling van de commissie van deskundigen, bedoeld in 5.2, tweede lid, onderdeel c, indien de commissie:
ten minste één student-lid heeft;
bestaat uit leden die niet verbonden zijn aan de instelling die de opleiding verzorgt;
haar werkzaamheden aantoonbaar zo inricht dat de beoordeling van de kwaliteit van de opleiding ten behoeve van verkrijging van accreditatie bestaande opleiding apart wordt verricht van de beoordeling van de opleiding ten behoeve van aanbevelingen voor verdere ontwikkeling; en
voldoet aan de overige waarborgen voor de onafhankelijkheid en voor deskundigheid, die in het accreditatiekader zijn opgenomen.
Lid 2
Het instellingsbestuur doet tevens een voorstel voor een secretaris voor de commissie. Het accreditatieorgaan stemt in met de voorgestelde secretaris indien hij voldoet aan de waarborgen voor de onafhankelijkheid en voor deskundigheid die in het accreditatiekader zijn opgenomen.
Lid 3
Het instellingsbestuur dient voor een door het accreditatieorgaan te bepalen datum een aanvraag in om de instemming te verkrijgen.
Lid 4
Het accreditatieorgaan beslist binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag.
Artikel 5a.14
Vervallen
Artikel 5.15
Lid 1
Het accreditatieorgaan beoordeelt op basis van het door hem ontvangen deel van het visitatierapport of een positief besluit op de aanvraag kan worden genomen.
Lid 2
In het geval, bedoeld in artikel 5.11, derde lid, alsmede indien er zich anderszins wijzigingen hebben voorgedaan in de opleiding, de sector, de visitatiegroep of de toevoeging aan de graad, beoordeelt het accreditatieorgaan tevens de naam en de toevoeging aan de graad. Artikel 5.7, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Lid 3
Het accreditatieorgaan beslist binnen drie maanden na de uiterste aanvraagdatum op de aanvraag en verricht de beoordeling van de aanvragen van alle opleidingen binnen een visitatiegroep gezamenlijk en in dezelfde periode.
Lid 4
Indien op een aanvraag voor accreditatie bestaande opleiding pas kan worden beslist nadat de termijn van accreditatie nieuwe opleiding is verstreken, wordt de accreditatie nieuwe opleiding stilzwijgend verlengd totdat het besluit op de aanvraag voor accreditatie bestaande opleiding in werking treedt.
Lid 5
Het instellingsbestuur is het accreditatieorgaan een vergoeding verschuldigd van de kosten van de beoordeling van de aanvraag met dien verstande dat het instellingsbestuur het accreditatieorgaan geen vergoeding verschuldigd is voor de beoordeling door de commissie van deskundigen.
Lid 6
Artikel 5.10 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in het accreditatierapport tevens de visitatiegroep wordt vastgelegd waarin de opleiding wordt ingedeeld.
Artikel 5a.15
Vervallen
Artikel 5.16
Lid 1
Indien de opleiding door het accreditatieorgaan op alle kwaliteitsaspecten, genoemd in artikel 5.12 positief wordt beoordeeld, wordt accreditatie bestaande opleiding verleend, met dien verstande dat de opleiding elke zes jaar wordt herbeoordeeld en de kwaliteit van de opleiding bij die gelegenheid door het accreditatieorgaan telkens positief moet worden beoordeeld. De artikelen 5.11 tot en met 5.15 zijn op de herbeoordeling van overeenkomstige toepassing.
Lid 2
In het besluit tot verlening van accreditatie bestaande opleiding en de bevestiging daarvan, bedoeld in het derde lid, vermeldt het accreditatieorgaan de datum waarop het visitatierapport moet worden overgelegd met het oog op de eerstvolgende herbeoordeling.
Lid 3
Voor zover de opleiding telkens op alle kwaliteitsaspecten door het accreditatieorgaan positief wordt beoordeeld en de opleiding accreditatie bestaande opleiding behoudt, stuurt het accreditatieorgaan het instellingsbestuur daarvan een bevestiging binnen drie maanden na de datum, bedoeld in het tweede lid, waarop het visitatierapport moet worden overgelegd, tenzij Onze Minister uitstel heeft verleend als bedoeld in het vierde lid in welk geval de door Onze Minister bepaalde datum in de plaats treedt van de datum, bedoeld in het tweede lid. Hij stuurt daarbij een besluit met betrekking tot het eindoordeel bedoeld in artikel 5.15, zesde lid, en in voorkomend geval met betrekking tot een wijziging in de naam en de toevoeging aan de graad, bedoeld in artikel 5.15, tweede lid.
Lid 4
Indien wegens onvoorziene omstandigheden het visitatierapport niet tijdig door het instellingsbestuur kan worden overgelegd, kan Onze Minister besluiten hem daarvan uitstel te verlenen.
Artikel 5a.16
Vervallen
Artikel 5.17
Lid 1
Accreditatie bestaande opleiding wordt door het accreditatieorgaan geweigerd indien de kwaliteit van de opleiding negatief wordt beoordeeld op een of meer van de kwaliteitsaspecten, genoemd in artikel 5.12.
Lid 2
In afwijking van het eerste lid, kan het accreditatieorgaan accreditatie bestaande opleiding onder voorwaarden verlenen, indien de tekortkomingen op de kwaliteitsaspecten naar zijn oordeel binnen afzienbare tijd kunnen worden weggenomen. Artikel 5.9, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5.18
Onverminderd artikel 5.16, derde lid, kan het accreditatieorgaan besluiten dat de opleiding accreditatie bestaande opleiding behoudt, ingeval de opleiding bij een herbeoordeling als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, door het accreditatieorgaan op een of meer van de kwaliteitsaspecten genoemd in artikel 5.12 negatief wordt beoordeeld maar de tekortkomingen naar zijn oordeel binnen afzienbare tijd kunnen worden weggenomen. Artikel 5.9, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6.12a
Vervallen
Artikel 6.13
Lid 1
De Registratie instellingen en opleidingen omvat een systematisch geordende verzameling gegevens met betrekking tot de opleidingen die door de instellingen voor hoger onderwijs verzorgd worden. Onze Minister is belast met de aanleg, het beheer en de bekendmaking van het register en met het verstrekken van informatie uit het register.
Lid 2
Vervallen.
Lid 3
Bij algemene maatregel van bestuur worden de inrichting en de werking van de Registratie instellingen en opleidingen geregeld. Deze bevat bepalingen omtrent het verstrekken van informatie uit het register. Daarbij kan worden bepaald dat voor het verstrekken van informatie aan anderen dan de besturen van de instellingen waarop deze wet betrekking heeft, een in de algemene maatregel van bestuur vastgestelde vergoeding verschuldigd is. De algemene maatregel van bestuur bevat de indeling van het register in onderdelen en voorzover nodig subonderdelen. De onderdelen betreffen gebieden van onderwijs. De indeling bevat ten minste onderdelen voor de volgende gebieden van onderwijs: onderwijs, landbouw en natuurlijke omgeving, techniek, recht, taal en cultuur, en gezondheidszorg. De indeling bevat voorts voor het onderdeel onderwijs in elk geval het subonderdeel lerarenopleidingen op het gebied van de kunst en voor het onderdeel taal en cultuur in elk geval het subonderdeel opleidingen op het gebied van de kunst.
Lid 4
De Registratie instellingen en opleidingen bevat van elke opleiding als bedoeld in artikel 7.3a de volgende gegevens:
de naam van de opleiding en de instelling die de opleiding verzorgt, gesteld in het Nederlands en desgewenst in het Engels of in een andere internationale taal die gangbaar is,
of het hoger beroepsonderwijs dan wel wetenschappelijk onderwijs betreft,
of de opleiding is geaccrediteerd dan wel de toets nieuwe opleiding met positief gevolg heeft ondergaan alsmede de geldigheidsduur daarvan,
de indeling in het register,
indien het een gezamenlijke opleiding, een gezamenlijke afstudeerrichting of een gezamenlijk Ad-programma als bedoeld in artikel 7.3c betreft: aan welke instellingen de opleiding, de afstudeerrichting of het Ad-programma wordt verzorgd,
het voltijdse, deeltijdse of duale karakter,
de studielast waarbij ten aanzien van masteropleidingen is aangegeven of deze is vastgesteld van rechtswege, door het instellingsbestuur of, wat betreft masteropleidingen in het wetenschappelijk onderwijs, op zijn verzoek door Onze Minister,
of aan een bacheloropleiding een propedeutisch examen is verbonden,
of het een opleiding gericht op een bepaald beroep betreft, waarvoor bij of krachtens de wet vereisten zijn vastgesteld,
of toepassing is gegeven aan artikel 7.25, vierde lid,
of eisen omtrent het verrichten van werkzaamheden als bedoeld in artikel 7.27 gesteld worden,
de gemeente, de gemeenten, het openbaar lichaam BES, de openbare lichamen BES of de plaats in het buitenland waar de opleiding is gevestigd,
de door de instelling op grond van artikel 5.21, tweede lid vastgestelde termijn,
de door Onze Minister op grond van artikel 5.21, zesde lid, of artikel 5.32, vastgestelde termijn,
of toepassing is gegeven aan artikel 5.9, tweede lid, artikel 5.17, tweede lid, respectievelijk artikel 5.18,
het tijdstip waarop voor het eerst inschrijving voor de opleiding mogelijk is,
indien de opleiding niet langer zal worden verzorgd, het tijdstip waarop de registratie zal worden beëindigd, alsmede het tijdstip waarop voor het eerst inschrijving in de propedeutische fase van de opleiding of, indien die fase niet is ingesteld, de eerste periode in een associate degree-opleiding of een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs met een studielast van 60 studiepunten, niet meer mogelijk is,
indien toepassing is gegeven aan artikel 5.31, derde lid, de termijn waarvoor accreditatie nieuwe opleiding wordt verlengd,
of Onze Minister met betrekking tot een opleiding toestemming heeft verleend voor het hanteren van specifieke selectiecriteria, bedoeld in artikel 6.7, en in samenhang daarmee voor het vaststellen van een hoger collegegeld als bedoeld in dat artikel,
of binnen de opleiding een programma wordt aangeboden ten aanzien waarvan Onze Minister toestemming heeft verleend voor het hanteren van specifieke selectiecriteria, bedoeld in artikel 6.7, en in samenhang daarmee voor het vaststellen van een hoger collegegeld als bedoeld in dat artikel,
of Onze Minister toestemming heeft verleend voor het vaststellen van een hoger collegegeld als bedoeld in artikel 6.8,
of binnen de opleiding een versneld traject wordt aangeboden als bedoeld in artikel 7.9a,
de graad en de toevoeging ingevolge artikel 7.10a, eerste en tweede lid,
of toepassing is gegeven aan artikel 7.53, eerste lid,
het NLQF-niveau dat is vastgesteld bij of krachtens de Wet NLQF en het daarmee corresponderende EQF-niveau.
Lid 5
De Registratie instellingen en opleidingen bevat van elke opleiding als bedoeld in artikel 7.3b:
de naam van de opleiding en de rechtspersoon waarvan de opleiding uitgaat, en
de gegevens, bedoeld in het vierde lid, onderdelen b tot en met g, m, n, o, q, v, w en y.
Lid 6
Onze Minister legt het ontwerp van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het derde lid, voor aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal. De voordracht voor die algemene maatregel van bestuur wordt niet gedaan dan nadat dertig dagen na die voorlegging zijn verstreken.
Artikel 6.14
Lid 1
Het instellingsbestuur doet een aanvraag tot registratie van een opleiding waaraan accreditatie is verleend. Indien er sprake is van het ongedaan maken van een samenvoeging als bedoeld in artikel 6.2, vijfde lid, onderdeel b, doet het instellingsbestuur een nieuwe aanvraag tot registratie van de oorspronkelijke opleidingen. Voor zover er sprake is van het behoud van accreditatie bestaande opleiding doet het accreditatieorgaan een melding tot het registreren van de bevestiging, bedoeld in artikel 5.16, derde lid, en het daarbij vermelden van de datum waarop het eerstvolgende visitatierapport moet worden overgelegd.
Lid 2
De aanvraag geschiedt onder vermelding van de gegevens, bedoeld in artikel 6.13, vierde lid. Bij de aanvraag voegt het instellingsbestuur het besluit, bedoeld in artikel 5.8, eerste lid, artikel 5.16, eerste lid, of artikel 5.22, tweede lid, en het besluit, bedoeld in artikel 6.2, eerste lid. Het instellingsbestuur dat een aanvraag doet voor registratie van een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs voegt zo nodig het besluit, bedoeld in 7.5c, eerste lid, toe.
Lid 3
Onze Minister registreert binnen een redelijke termijn de opleiding overeenkomstig de door het instellingsbestuur verstrekte gegevens in de Registratie instellingen en opleidingen.
Lid 4
Indien de gegevens niet volledig zijn of de indeling in de Registratie instellingen en opleidingen naar het oordeel van Onze Minister in redelijkheid niet passend kan worden geacht voor de opleiding stelt Onze Minister het instellingsbestuur in de gelegenheid om, binnen een door Onze Minister te bepalen termijn, te voorzien in de ontbrekende gegevens onderscheidenlijk de indeling te herzien. Hij houdt daarbij rekening met de termijn, bedoeld in artikel 5.8, eerste lid, onderdelen a en b. Onverminderd artikel 6.15 weigert Onze Minister registratie in het register uitsluitend, indien Onze Minister de gegevens binnen deze termijn niet of niet volledig heeft ontvangen, indien hij constateert dat de gegevens niet juist zijn, of indien de herziene indeling naar het oordeel van Onze Minister in redelijkheid niet passend geoordeeld kan worden voor de opleiding.
Lid 5
Indien Onze Minister constateert dat de gegevens in de Registratie instellingen en opleidingen onvolledig of onjuist zijn of de indeling niet passend is voor de opleiding, kunnen de gegevens of de indeling door Onze Minister aangepast worden.
Lid 6
Dit artikel is van overeenkomstige toepassing bij wijziging van de gegevens, bedoeld in artikel 6.13, vierde en vijfde lid.
Artikel 6.15
Lid 1
Onze Minister beëindigt de registratie van een opleiding als bedoeld in artikel 7.3a indien:
het instellingsbestuur te kennen heeft gegeven dat de instelling de opleiding beëindigt, na de termijn bedoeld in artikel 7.3, zesde lid;
accreditatie bestaande opleiding wordt geweigerd of accreditatie wordt ingetrokken, op de datum, bedoeld in artikel 5.21, eerste lid, of na de termijn, bedoeld in het derde lid;
Onze Minister met toepassing van artikel 6.5 heeft besloten dat ten aanzien van de opleiding de rechten, genoemd in artikel 1.9, eerste en tweede lid, ontnomen worden; of
Onze Minister met toepassing van de artikelen 6.9, vierde lid, of 6.10 heeft besloten dat ten aanzien van de opleiding de rechten, bedoeld in artikel 1.12, ontnomen worden.
Lid 2
Onze Minister wijzigt de registratie van het gegeven, bedoeld in artikel 6.13, vierde lid, onder l, overeenkomstig het besluit, bedoeld in artikel 7.17a.
Lid 3
Onze Minister wijzigt de registratie van het gegeven, bedoeld in artikel 6.13, vierde lid, onderdeel s, overeenkomstig het besluit, bedoeld in artikel 6.7d.
Lid 4
De kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, onder a, geschiedt uiterlijk op 28 februari van het kalenderjaar voorafgaand aan het eerste studiejaar waarin de inschrijving voor de propedeutische fase van de bacheloropleiding of, indien die fase niet is ingesteld, de inschrijving voor een opleiding niet meer openstaat.
Artikel 7.31
In deze paragraaf wordt onder «opleiding» verstaan een associatie degree-opleiding of een bacheloropleiding.
Artikel 7.31a
Lid 1
Uiterlijk op 1 mei voorafgaand aan het desbetreffende studiejaar meldt degene die zich als student wil inschrijven voor de eerste periode van een associate degree-opleiding met een studielast van 60 studiepunten, voor een bepaalde propedeutische fase van een bacheloropleiding aan een bepaalde instelling of, indien die fase niet is ingesteld, de eerste periode in een bacheloropleiding met een studielast van 60 studiepunten, zich aan bij Onze Minister, met inachtneming van artikel 7.31d en overeenkomstig bij ministeriële regeling vast te stellen regels van procedurele aard.
Lid 2
De aanmelding geschiedt onder vermelding van de instelling waarbij en de opleiding waarvoor de betrokkene zich wil inschrijven.
Lid 3
Indien de betrokkene zich voorafgaand aan het desbetreffende studiejaar voor meer dan een opleiding wil aanmelden, geldt de verplichting, bedoeld in het eerste lid, voor één opleiding.
Lid 4
Onze Minister levert de aanmeldingsgegevens, bedoeld in dit artikel en de artikelen 7.31c en 7.31d, aan de instelling of instellingen waarvoor de betrokkene zich heeft aangemeld.
Lid 5
Dit artikel is niet van toepassing op een student die zich na 1 mei aanmeldt bij een andere opleiding dan die waarbij hij oorspronkelijk was ingeschreven maar kan aantonen dat de nieuwe aanmelding het gevolg is van een beëindiging van de inschrijving op grond van artikel 7.8b, vijfde lid, op een zodanig tijdstip dat hij zich niet kon aanmelden voor 1 mei, voorafgaand aan het studiejaar waarvoor hij zich wenst in te schrijven.
Artikel 7.31b
Lid 1
Indien de betrokkene zich uiterlijk op 1 mei voor een of meer opleidingen heeft aangemeld op de wijze, bedoeld in artikel 7.31a, eerste lid, heeft hij het recht deel te nemen aan door de instelling met betrekking tot de desbetreffende opleidingen te organiseren studiekeuzeactiviteiten. Het instellingsbestuur kan besluiten dat de betrokkene verplicht is deel te nemen aan de studiekeuzeactiviteiten.
Lid 2
Voor het geval dat het overbruggen van de afstand tussen woon- of verblijfplaats en de plaats waar de studiekeuzeactiviteiten plaatsvinden voor een aspirant-student tot overwegende bezwaren leidt, treft het instellingsbestuur zodanige voorzieningen dat deze aspirant-student kan deelnemen aan de studiekeuzeactiviteiten zonder dat diens fysieke aanwezigheid is vereist.
Lid 3
Het instellingsbestuur brengt ten aanzien van elke student die zich heeft aangemeld en die heeft deelgenomen aan de studiekeuzeactiviteiten, een studiekeuzeadvies uit. Bij ministeriële regeling kan een maximum aantal studiekeuzeadviezen worden vastgesteld waarop de betrokkene recht heeft.
Lid 4
Indien toepassing is gegeven aan de tweede volzin van het eerste lid en de betrokkene zonder geldige reden niet deelneemt aan de studiekeuzeactiviteiten, bedoeld in dat lid, kan het instellingsbestuur besluiten de inschrijving van de betrokkene te weigeren.
Lid 5
Het instellingsbestuur stelt ter uitvoering van het eerste tot en met vierde lid nadere regels vast die in elk geval betrekking hebben op:
de aard en de inhoud van de studiekeuzeactiviteiten voor de instelling of per opleiding;
de termijn waarbinnen de studiekeuzeactiviteiten plaatsvinden;
de termijn waarbinnen en de wijze waarop het studiekeuzeadvies wordt uitgebracht;
de geldige redenen van verhindering voor het deelnemen aan studiekeuzeactiviteiten;
de gevolgen van het zonder geldige reden van verhindering niet deelnemen aan studiekeuzeactiviteiten; en
de voorzieningen, bedoeld in het tweede lid.
Lid 6
Het eerste tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op de inschrijving voor een bacheloropleiding waarvoor een selectieprocedure is ingesteld.
Artikel 7.31c
Lid 1
Indien de betrokkene heeft voldaan aan de verplichting, bedoeld in artikel 7.31a, eerste lid, behorend bij die andere opleiding en zich na 1 mei voor een andere opleiding dan de opleiding, bedoeld in genoemde bepaling, aanmeldt, kan het instellingsbestuur besluiten dat de betrokkene verplicht is deel te nemen aan de studiekeuzeactiviteiten, bedoeld in artikel 7.31b, eerste lid.
Lid 2
Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de student, bedoeld in artikel 7.31a, vijfde lid.
Artikel 7.31d
Lid 1
Indien de betrokkene niet heeft voldaan aan de aanmeldingsverplichting, bedoeld in artikel 7.31a, eerste lid, en zich na 1 mei voor een opleiding aanmeldt, kan het instellingsbestuur besluiten:
dat de betrokkene de inschrijving voor de desbetreffende opleiding wordt geweigerd, of
dat de betrokkene verplicht is deel te nemen aan de studiekeuzeactiviteiten, bedoeld in artikel 7.31b, eerste lid.
Lid 2
De bevoegdheid de betrokkene de inschrijving te weigeren, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, is niet van toepassing op een student als bedoeld in artikel 7.31a, vijfde lid.
Lid 3
Indien de betrokkene op grond van het eerste lid, aanhef en onderdeel b, verplicht wordt deel te nemen aan de studiekeuzeactiviteiten, is artikel 7.31b, tweede en derde lid, van toepassing.
Lid 4
Indien het instellingsbestuur op grond van artikel 7.31b, derde lid, een negatief studiekeuzeadvies uitbrengt aan de betrokkene, kan het instellingsbestuur besluiten de betrokkene de inschrijving voor de desbetreffende opleiding te weigeren.
Lid 5
Artikel 7.31b, vierde, vijfde en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 7.31e
Lid 1
Bij de aanmelding, bedoeld in deze paragraaf, legt de betrokkene mede zijn persoonsgebonden nummer over. Indien de student aannemelijk maakt dat hij geen persoonsgebonden nummer kan overleggen, vindt de aanmelding plaats met inachtneming van het derde lid.
Lid 2
Het persoonsgebonden nummer wordt overgelegd door middel van een van overheidswege verstrekt document, waarop tevens de gegevens over de geslachtsnaam, de voorletters, de geboortedatum en het geslacht van de betrokkene zijn vermeld.
Lid 3
Indien de betrokkene aannemelijk maakt dat hij geen persoonsgebonden nummer kan overleggen, verstrekt Onze Minister binnen acht weken na ontvangst van de aanmelding aan hem zijn onderwijsnummer. Het onderwijsnummer is een door Onze Minister uitgegeven en aan de betrokkene toegekend persoonsgebonden nummer.
Lid 4
Onze Minister verstrekt binnen acht weken na ontvangst van de aanmelding aan het instellingsbestuur van de instelling waaraan de betrokkene zich wil inschrijven, het persoonsgebonden nummer van de betrokkene en de gegevens, bedoeld in artikel 7.52, tweede lid, voorzover die door de betrokkene zijn verstrekt.
Artikel 7.31f
De artikelen 7.31a tot en met 7.31d zijn niet van toepassing op de Open Universiteit.
Artikel 7.32
Lid 1
Onverminderd artikel 7.51e, tweede lid, aanhef en onder d, dient een ieder die wenst gebruik te kunnen maken van onderwijsvoorzieningen, examenvoorzieningen of voorzieningen van andere aard ten behoeve van initieel onderwijs aan een instelling, zich door het instellingsbestuur als student of extraneus te laten inschrijven.
Lid 2
In afwijking van het eerste lid is inschrijving voor een duale opleiding dan wel aan de Open Universiteit uitsluitend mogelijk als student.
Lid 3
De inschrijving geschiedt voor een opleiding, met dien verstande dat de inschrijving aan de Open Universiteit geschiedt voor een of meer onderwijseenheden. De inschrijving voor een opleiding geschiedt ook indien een student gebruik wil maken van een educatieve module en alleen met dat oogmerk wenst te worden ingeschreven.
Lid 4
De inschrijving voor een opleiding geschiedt voor het gehele studiejaar. Indien de inschrijving plaatsvindt in de loop van het studiejaar, geldt zij voor het resterende gedeelte van het studiejaar.
Lid 5
De inschrijving als student of extraneus staat slechts open voor degene waarvan de ouders, voogden of verzorgers aantonen, dan wel, indien hij meerderjarig en handelingsbekwaam is, degene die aantoont dat hij:
de Nederlandse nationaliteit bezit of op grond van een wettelijke bepaling als Nederlander wordt behandeld,
vreemdeling is en jonger is dan 18 jaar op de eerste dag waarop de opleiding begint waarvoor voor de eerste maal inschrijving wordt gewenst,
vreemdeling is, 18 jaar of ouder is op de eerste dag waarop de opleiding begint waarvoor voor de eerste maal inschrijving wordt gewenst en op die dag rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000,
vreemdeling is en buiten Nederland verblijf houdt op de eerste dag waarop de opleiding begint waarvoor voor de eerste maal de inschrijving wordt gewenst, of
vreemdeling is, niet meer voldoet aan een van de voorwaarden, genoemd onder b, c of d, en eerder in overeenstemming met een van die onderdelen is ingeschreven voor een opleiding van een instelling, welke opleiding nog steeds wordt gevolgd en nog niet is voltooid.
Lid 6
Indien na de inschrijving blijkt dat deze op welke grond dan ook niet in overeenstemming met het vijfde lid heeft plaatsgevonden wordt de inschrijving van de student of extraneus onmiddellijk beëindigd.
Lid 7
Het instellingsbestuur kan de inschrijving laten ingaan met ingang van de eerste dag van de maand waarin de inschrijving heeft plaatsgevonden. Bij ministeriële regeling kan de bevoegdheid, bedoeld in de eerste volzin, worden beperkt.
Artikel 7.33
Lid 1
Onverminderd artikel 7.39, geschiedt de inschrijving overeenkomstig door het instellingsbestuur vast te stellen regels van procedurele aard.
Lid 2
Aan degene die is ingeschreven, wordt door het instellingsbestuur een bewijs van inschrijving verstrekt, waarin zijn rechten zijn omschreven.
Lid 3
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden gegeven omtrent de in het eerste lid bedoelde regels.
Artikel 7.34
Lid 1
De inschrijving als student geeft het recht:
aan het initieel onderwijs van de instelling deel te nemen, behoudens de bevoegdheid van het instellingsbestuur van een universiteit, hogeschool of levensbeschouwelijke universiteit in geval van toepassing van de artikelen 6.7a, 7.9, eerste lid, 7.30b, eerste lid, 7.42a, 7.53, derde lid, 7.56 of 7.57h anders te beslissen,
de tentamens af te leggen van de onderwijseenheden behorend tot de opleiding, alsmede de examens af te leggen van die opleiding,
van toegang tot de bij de instelling behorende inrichtingen en verzamelingen, tenzij naar het oordeel van het instellingsbestuur de aard of het belang van het onderwijs of het onderzoek zich daartegen verzet,
gebruik te maken van andere ten behoeve van de studenten getroffen voorzieningen, daaronder begrepen, behoudens wat de Open Universiteit betreft, de diensten van een studentendecaan, en
op studiebegeleiding; het instellingsbestuur besteedt daarbij bijzondere zorg aan de begeleiding van studenten die behoren tot een etnische of culturele minderheid waarvan de deelname aan het hoger onderwijs in betekenende mate achterblijft bij de deelname van Nederlanders die niet behoren tot een dergelijke minderheid.
Lid 2
Indien het instellingsbestuur een opleiding beëindigt, bepaalt dat bestuur het tijdstip waarop die beslissing van kracht wordt, zodanig dat de voor de opleiding ingeschreven studenten de opleiding aan dezelfde of aan een andere instelling binnen een redelijke tijd kunnen voltooien.
Lid 3
Het instellingsbestuur van de Open Universiteit stelt ten aanzien van studenten, woonachtig buiten Nederland, regels vast met betrekking tot de in het eerste lid onder a tot en met d, bedoelde rechten.
Lid 4
Een student die een associate degree-opleiding volgt dat voor een deel wordt uitgevoerd door een instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs heeft gedurende de tijd dat hij de opleiding volgt recht op toegang tot alle relevante onderwijsvoorzieningen van die instelling.
Artikel 7.35
Vervallen
Artikel 7.36
De inschrijving als extraneus geeft uitsluitend de rechten, vermeld in artikel 7.34, eerste lid onder b en c.
Artikel 7.37
Lid 1
De inschrijving staat open voor degene die voldoet aan de in titel 2 van dit hoofdstuk gestelde eisen, onverminderd artikel 7.8b, vijfde lid, en de artikelen 7.31a tot en met 7.31d, met dien verstande dat de inschrijving als extraneus uitsluitend openstaat, indien naar het oordeel van het instellingsbestuur de aard of het belang van het onderwijs zich daartegen niet verzet.
Lid 2
Tot de inschrijving wordt niet overgegaan dan nadat het bewijs is overgelegd dat het verschuldigde collegegeld is of wordt voldaan, het verschuldigde examengeld is voldaan dan wel, in geval van inschrijving aan de Open Universiteit, het verschuldigde collegegeld OU is of wordt voldaan. Voor de inschrijving voor een opleiding tot piloot als bedoeld in artikel 7.3h geldt als aanvullende voorwaarde dat degene die daarvoor wenst te worden ingeschreven het bewijs overlegt dat de vergoeding verschuldigd aan de opleidingsorganisatie, bedoeld in Verordening (EU) nr. 1178/2011, door of namens hem is of wordt voldaan. Deze voorwaarde geldt uitsluitend voor de inschrijving voor studiejaren waarin de student onderwijs volgt aan de opleidingsorganisatie.
Lid 3
Indien een meerderjarige student of extraneus het collegegeld, het examengeld of het cursusgeld niet zelf voldoet, wordt niet overgegaan tot inschrijving dan nadat door de student of extraneus schriftelijk is verklaard dat hij ermee instemt dat een in die verklaring vermelde derde namens hem het collegegeld, het examengeld of het cursusgeld voldoet.
Lid 4
Het bestuur van een bijzondere instelling kan aangeven dat degenen die wensen te worden ingeschreven, geacht worden de grondslag en de doelstellingen van de instelling te respecteren. De inschrijving kan worden geweigerd dan wel ingetrokken indien betrokkene de grondslag en de doelstellingen van de instelling niet respecteert. De weigering dan wel de intrekking van de inschrijving geschiedt schriftelijk en is met redenen omkleed.
Lid 5
De inschrijving aan een bijzondere instelling kan worden geweigerd dan wel ingetrokken indien gegronde vrees bestaat dat de betrokkene van die inschrijving en daaraan verbonden rechten misbruik zal maken door in ernstige mate afbreuk te doen aan de eigen aard van die instelling, dan wel is gebleken dat de betrokkene van die inschrijving en daaraan verbonden rechten zulk een misbruik heeft gemaakt. De weigering dan wel intrekking van de inschrijving geschiedt schriftelijk en is met redenen omkleed.
Lid 6
De inschrijving kan niet worden ingetrokken op grond van het vijfde lid, indien voor betrokkene geen gelegenheid bestaat de opleiding aan een andere instelling te volgen.
Artikel 7.37a
In afwijking van artikel 7.37, eerste lid, staat de inschrijving voor een opleiding die is aangewezen op grond van artikel 6 of artikel 8 van de Experimentenwet vooropleidingseisen, selectie en collegegeldheffing, eveneens open voor degene die voldoet aan de in die artikelen bedoelde eisen.
Artikel 7.37b
In afwijking van artikel 7.37, eerste lid, staat de inschrijving voor een opleiding die is aangewezen op grond van artikel 7 van de Experimentenwet vooropleidingseisen, selectie en collegegeldheffing, in voorkomende gevallen in verband met het deelnemen aan een experimenteel programma, slechts open voor degene die tevens voldoet aan de in dat artikel bedoelde eisen.
Artikel 7.37c
Vervallen
Artikel 7.37d
Vervallen
Artikel 7.37e
Vervallen
Artikel 7.38
Vervallen
Artikel 7.39
Lid 1
Bij de inschrijving legt de student of extraneus tevens zijn persoonsgebonden nummer over door middel van een van overheidswege verstrekt document, waarop tevens de geslachtsnaam, de voorletters, de geboortedatum en het geslacht van de betrokkene zijn vermeld. Indien de student of extraneus aannemelijk maakt dat hij geen persoonsgebonden nummer kan overleggen, vindt de inschrijving plaats met inachtneming van het tweede lid.
Lid 2
Indien de student of extraneus aannemelijk maakt dat hij geen persoonsgebonden nummer kan overleggen, meldt het instellingsbestuur binnen twee weken aan Onze Minister de beschikbare gegevens van de student of extraneus, bedoeld in het eerste lid, alsmede zijn adres en woonplaats.
Lid 3
Onze Minister verstrekt binnen acht weken na ontvangst van de melding, bedoeld in het tweede lid, aan het instellingsbestuur het burgerservicenummer van de student of extraneus, dan wel, indien is gebleken dat hem niet van overheidswege een burgerservicenummer is verstrekt, het onderwijsnummer van de student of extraneus.
Lid 4
Het instellingsbestuur neemt het persoonsgebonden nummer van de student of extraneus op in de administratie van de instelling.
Lid 5
Indien aan een student of extraneus een onderwijsnummer is toegekend en het instellingsbestuur daarna de beschikking krijgt over zijn burgerservicenummer, neemt het instellingsbestuur dit burgerservicenummer terstond als persoonsgebonden nummer op in de administratie van de instelling in de plaats van het onderwijsnummer. Het instellingsbestuur meldt deze wijziging binnen twee weken aan Onze Minister onder opgave van het burgerservicenummer en het onderwijsnummer van de student of extraneus.
Artikel 7.40
Vervallen
Artikel 7.41
Vervallen
Artikel 7.42
Lid 1
Het instellingsbestuur beëindigt op verzoek van degene die is ingeschreven voor een opleiding diens inschrijving met ingang van de volgende maand.
Lid 2
Indien degene die is ingeschreven voor een opleiding zijn wettelijk collegegeld, instellingscollegegeld, collegegeld OU of examengeld na aanmaning niet heeft voldaan, kan het instellingsbestuur de inschrijving, met ingang van de tweede maand volgend op de aanmaning beëindigen.
Lid 3
Indien een inschrijving wordt beëindigd in een geval als bedoeld in artikel 7.8b, vijfde lid, artikel 7.12b, artikel 7.37, vierde of vijfde lid, artikel 7.42a, artikel 7.42b of artikel 7.57h, eerste of tweede lid, beëindigt het instellingsbestuur de inschrijving met ingang van de volgende maand.
Lid 4
Het instellingsbestuur stelt regels van procedurele aard vast met betrekking tot de toepassing van dit artikel.
Lid 5
Het instellingsbestuur informeert de betrokkene en Onze Minister over de beëindiging van de inschrijving.
Artikel 7.42a
Lid 1
Het instellingsbestuur kan in bijzondere gevallen na advies van de examencommissie, de decaan of een met de decaan vergelijkbaar orgaan binnen de instelling en na zorgvuldige afweging van de betrokken belangen de inschrijving van een student voor een opleiding beëindigen dan wel weigeren, als die student door zijn gedragingen of uitlatingen blijk heeft gegeven van ongeschiktheid voor de uitoefening van een of meer beroepen waartoe de door hem gevolgde opleiding hem opleidt, dan wel voor de praktische voorbereiding op de beroepsuitoefening.
Lid 2
Het instellingsbestuur dan wel het instellingsbestuur van een andere instelling die een zelfde of verwante opleiding verzorgt, kan besluiten de student niet opnieuw of niet voor die opleiding in te schrijven.
Lid 3
Indien de student, bedoeld in het eerste lid, is ingeschreven voor een andere opleiding en daarbinnen het onderwijs volgt van een afstudeerrichting die overeenkomt met of gelet op de praktische voorbereiding op de beroepsuitoefening verwant is aan de opleiding waarvoor de inschrijving met toepassing van het eerste lid is beëindigd, kan het instellingsbestuur na advies van de examencommissie, de decaan of een met de decaan vergelijkbaar orgaan binnen de instelling en na zorgvuldige afweging van de betrokken belangen besluiten dat de student die afstudeerrichting of andere onderdelen van die opleiding niet mag volgen.
Lid 4
Artikel 7.42, vierde en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 7.42b
Lid 1
Van de student die een bacheloropleiding of afstudeerrichting als bedoeld in artikel 7.3h volgt en van wie gedurende de opleiding of afstudeerrichting blijkt dat hij niet langer voldoet aan de eisen van medische geschiktheid voor het beroep van piloot of luchtverkeersleider, beëindigt het instellingsbestuur de inschrijving voor de desbetreffende opleiding of beslist het instellingsbestuur dat de student de desbetreffende afstudeerrichting niet meer kan volgen.
Lid 2
Artikel 7.42, vierde en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 7.43
Lid 1
Een student is voor elk studiejaar dat hij door het instellingsbestuur voor een opleiding is ingeschreven, aan de desbetreffende instelling volledig, gedeeltelijk of verlaagd wettelijk collegegeld als bedoeld in de artikelen 7.45 en 7.45a of instellingscollegegeld als bedoeld in artikel 7.46 verschuldigd. Een student die door het instellingsbestuur van de Open Universiteit voor een onderwijseenheid is ingeschreven, is het collegegeld OU, bedoeld in artikel 7.45b, verschuldigd.
Lid 2
Met uitzondering van de gevallen, bedoeld in de artikelen 7.47a en 7.48, eerste en tweede lid, is artikel 7.42, tweede lid, van toepassing.
Artikel 7.44
Lid 1
Een extraneus is voor elk studiejaar dat hij door het instellingsbestuur voor een opleiding is ingeschreven, aan de desbetreffende instelling examengeld verschuldigd.
Lid 2
Het instellingsbestuur stelt de hoogte van het examengeld vast.
Lid 3
Artikel 7.42, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 7.45
Lid 1
De hoogte van het volledig wettelijk collegegeld wordt bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld.
Lid 2
De hoogte van het gedeeltelijk wettelijk collegegeld wordt door het instellingsbestuur vastgesteld en is gelegen tussen een minimum- en een maximumbedrag. Deze bedragen worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgesteld.
Lid 3
Het gedeeltelijk wettelijk collegegeld bedraagt niet meer dan het volledig wettelijk collegegeld of, indien dat op een student van toepassing is, niet meer dan het verlaagd wettelijk collegegeld.
Lid 4
Het instellingsbestuur informeert Onze Minister over de hoogte van het bedrag dat het instellingsbestuur op grond van het tweede lid heeft vastgesteld.
Lid 5
Indien op grond van artikel 7.45a, vijfde lid, groepen studenten zijn aangewezen die verlaagd wettelijk collegegeld verschuldigd zijn, wordt de hoogte van het verlaagd wettelijk collegegeld bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld, waarbij onderscheid kan worden gemaakt naar opleiding, leerjaar, de wijze waarop een opleiding is ingericht en instroomcohort.
Lid 6
De bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde bedragen, bedoeld in het eerste, tweede en vijfde lid, worden jaarlijks volgens de consumentenprijsindex geïndexeerd, op de wijze bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaald. Bij algemene maatregel van bestuur wordt tevens bepaald wat onder de consumentenprijsindex wordt verstaan.
Artikel 7.45a
Lid 1
Het wettelijk collegegeld is verschuldigd door een student die tot één van de groepen van personen, bedoeld in artikel 2.2 van de Wet studiefinanciering 2000 behoort of die de Surinaamse nationaliteit bezit. Voor een inschrijving aan een associate degree-opleiding geldt als aanvullende voorwaarde, dat de student blijkens het register onderwijsdeelnemers sedert 1 september 1991 niet eerder bij een bekostigde instelling in verband met het volgen van initieel onderwijs een graad Associate degree, een graad Bachelor of een graad Master als bedoeld in artikel 7.10a heeft behaald. Voor een inschrijving aan een bacheloropleiding geldt als aanvullende voorwaarde, dat de student blijkens het register onderwijsdeelnemers sedert 1 september 1991 niet eerder bij een bekostigde instelling in verband met het volgen van initieel onderwijs een graad Bachelor als bedoeld in artikel 7.10a heeft behaald. Voor een inschrijving aan een masteropleiding geldt als aanvullende voorwaarde, dat de student blijkens het register onderwijsdeelnemers sedert 1 september 1991 niet eerder bij een bekostigde instelling in verband met het volgen van initieel onderwijs een graad Master als bedoeld in artikel 7.10a heeft behaald.
Lid 2
Bij algemene maatregel van bestuur kan de categorie studenten, bedoeld in het eerste lid, worden uitgebreid.
Lid 3
Een student als bedoeld in het eerste en tweede lid, die is ingeschreven voor een voltijdse opleiding is het volledig wettelijk collegegeld, bedoeld in artikel 7.45, eerste lid, verschuldigd.
Lid 4
Een student als bedoeld in het eerste en tweede lid, die is ingeschreven voor een deeltijdse of duale opleiding, is het gedeeltelijk wettelijk collegegeld, bedoeld in artikel 7.45, tweede lid, verschuldigd.
Lid 5
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen groepen studenten worden aangewezen die verlaagd wettelijk collegegeld verschuldigd zijn, waarbij onderscheid kan worden gemaakt naar opleiding, leerjaar, de wijze waarop een opleiding is ingericht en het instroomcohort.
Lid 6
Indien een student als bedoeld in het eerste en tweede lid meer dan één opleiding volgt en de opleiding waarvoor hij het eerst is ingeschreven met goed gevolg afrondt, is deze student het wettelijk collegegeld verschuldigd voor het resterende deel van het studiejaar. Het verschuldigde bedrag wordt in dat geval berekend naar rato van het aantal resterende maanden van het desbetreffende studiejaar.
Lid 7
Voor de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, wordt met een student die een bachelorgraad als bedoeld in artikel 7.10a heeft behaald gelijkgesteld:
een student die met goed gevolg het afsluitend examen heeft afgelegd van een hogere beroepsopleiding met een studielast van 168 studiepunten, volgens de wet zoals die luidde op 31 augustus 2002, en
een student die met goed gevolg het kandidaatsexamen heeft afgelegd van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 7.8, zoals dat artikel luidde op 31 augustus 2002.
Lid 8
Voor de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, wordt met een student die een bachelor- en mastergraad als bedoeld in artikel 7.10a heeft behaald, gelijkgesteld:
een student die met goed gevolg het afsluitend examen heeft afgelegd van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 7.3, zoals dat artikel luidde op 31 augustus 2002; en
een student die op grond van artikel 18.15 met goed gevolg het afsluitend examen heeft afgelegd van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs.
Lid 9
Voor de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, wordt een student die voor inwerkingtreding van de Wet invoering associate degree-opleiding met goed gevolg het afsluitend examen heeft afgelegd van een Ad-programma gelijkgesteld met een student die een graad Associate degree heeft behaald.
Artikel 7.45Aa
Vervallen
Artikel 7.45b
Lid 1
Een student als bedoeld in artikel 7.45a, eerste en tweede lid, die is ingeschreven voor een onderwijseenheid bij de Open Universiteit, is collegegeld OU verschuldigd ter hoogte van ten minste één zestigste deel en ten hoogste één dertigste deel van het volledig wettelijk collegegeld, bedoeld in artikel 7.45, eerste lid, vermenigvuldigd met het aantal studiepunten dat een onderwijseenheid groot is.
Lid 2
In afwijking van het eerste lid, kan bij algemene maatregel van bestuur voor de in het eerste lid bedoelde studenten een verlaagd collegegeld OU worden vastgesteld. De artikelen 7.45, zesde lid, en 7.45a, vijfde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
Lid 3
Een student die is ingeschreven voor een onderwijseenheid bij de Open Universiteit en die niet voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 7.45a, eerste en tweede lid, is collegegeld OU verschuldigd ter hoogte van ten minste één dertigste deel van het volledig wettelijk collegegeld, bedoeld in artikel 7.45, eerste lid, vermenigvuldigd met het aantal studiepunten dat een onderwijseenheid groot is.
Lid 4
De hoogte van het collegegeld OU wordt door het instellingsbestuur van de Open Universiteit vastgesteld. Voor de categorie studenten, bedoeld in het derde lid, kan het instellingsbestuur van de Open Universiteit per onderwijseenheid of groep van onderwijseenheden of per groep of groepen studenten een verschillend collegegeld OU vaststellen.
Lid 5
Indien een student als bedoeld in het derde lid gedurende een studiejaar alsnog voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 7.45a, eerste en tweede lid, is hij voor het resterende deel van het studiejaar op zijn verzoek het collegegeld OU, bedoeld in het eerste of tweede lid, verschuldigd, en betaalt het instellingsbestuur OU hem het hogere collegegeld OU, dat de student voor het restant van het studiejaar heeft betaald, terug.
Lid 6
Het instellingsbestuur van de Open Universiteit stelt regels vast met betrekking tot de toepassing van dit artikel.
Artikel 7.46
Lid 1
Een student die niet voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 7.45a, eerste, tweede en zesde lid, en niet is ingeschreven voor een onderwijseenheid bij de Open Universiteit, is het instellingscollegegeld verschuldigd.
Lid 2
De hoogte van het instellingscollegegeld wordt door het instellingsbestuur vastgesteld. Het instellingsbestuur kan per opleiding of groep van opleidingen of per groep of groepen studenten een verschillend instellingscollegegeld vaststellen.
Lid 3
Onverminderd artikel 7.3f, bedraagt het instellingscollegegeld ten minste het volledig wettelijk collegegeld, bedoeld in artikel 7.45, eerste lid.
Lid 4
Indien de student, bedoeld in het eerste lid, gedurende een studiejaar alsnog voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 7.45a, eerste, tweede en zesde lid, is hij voor het resterende deel van het studiejaar op zijn verzoek het wettelijk collegegeld verschuldigd en betaalt het instellingsbestuur hem het hogere instellingscollegegeld, dat de student voor het restant van het studiejaar heeft betaald, terug.
Lid 5
Het instellingsbestuur stelt regels vast met betrekking tot de toepassing van dit artikel.
Artikel 7.47
Lid 1
Het collegegeld wordt door of namens de student voldaan door:
betaling ineens,
betaling in vijf termijnen, op verzoek van degene die zich tot betaling heeft verbonden, dan wel
betaling in een ander aantal termijnen overeenkomstig een door het instellingsbestuur en degene die zich tot betaling heeft verbonden te treffen betalingsregeling.
Lid 2
Indien er sprake is van betaling in termijnen kunnen door het instellingsbestuur administratiekosten in rekening worden gebracht tot een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgesteld bedrag.
Artikel 7.47a
Indien een student bij een instelling is ingeschreven voor een opleiding kan het instellingsbestuur eenmalig en voor een periode van één studiejaar die student vrijstellen van het betalen van wettelijk collegegeld, indien die student voltijds:
het lidmaatschap bekleedt van het bestuur van een studentenorganisatie van enige omvang met volledige rechtsbevoegdheid, de universiteitsraad, het orgaan dat is ingesteld op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 9.30, derde lid, of 10.16a, derde lid, de medezeggenschapsraad, of de studentenraad, of
activiteiten op bestuurlijk of maatschappelijk gebied ontplooit die naar het oordeel van het instellingsbestuur mede in het belang zijn van de instelling of van het onderwijs bij die instelling,
mits de student gedurende die periode geen onderwijs volgt of examens of tentamens aflegt aan de instelling of een andere bekostigde instelling, en het onder a bedoelde lidmaatschap of de onder b bedoelde activiteiten niet commercieel van aard zijn.
Artikel 7.48
Lid 1
Indien een student als bedoeld in artikel 7.45a bij een instelling is ingeschreven voor een opleiding en aan dezelfde of een andere bekostigde instelling met uitzondering van de Open Universiteit een tweede inschrijving wenst, is hij voor de laatstbedoelde inschrijving vrijgesteld van het betalen van collegegeld. Indien het betaalde dan wel te betalen bedrag voor de eerste inschrijving lager is dan het volledig wettelijk collegegeld, bedoeld in artikel 7.45, eerste lid, is het verschil verschuldigd. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat een student die aanspraak maakt op wettelijk collegegeld op grond van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 7.45a, tweede lid, voor een andere inschrijving niet wordt vrijgesteld van het betalen van collegegeld als bedoeld in dit lid.
Lid 2
Degene die voor het volgen van uit de openbare kas bekostigd onderwijs les- of cursusgeld verschuldigd is op grond van de Les- en cursusgeldwet, en die in plaats daarvan, dan wel daarnaast in hetzelfde studiejaar wenst te worden ingeschreven en daarvoor het wettelijk collegegeld, bedoeld in artikel 7.45, eerste of vijfde lid, is verschuldigd, is voor de inschrijving voor een opleiding aan een bekostigde instelling met uitzondering van de Open Universiteit een collegegeld verschuldigd, dat het verschil bedraagt tussen de reeds voldane bijdrage en het bedoelde wettelijk collegegeld. Indien hij een collegegeld verschuldigd is dat lager is dan het reeds voldane bedrag wordt hij van het betalen van collegegeld vrijgesteld.
Lid 3
Een student is slechts een gedeelte van het door hem verschuldigde wettelijk collegegeld verschuldigd, indien de student zich gedurende het studiejaar inschrijft. In dat geval wordt het verschuldigde bedrag berekend naar rato van het aantal resterende maanden van het desbetreffende studiejaar.
Lid 4
De student heeft aanspraak op terugbetaling van een twaalfde gedeelte van het door hem verschuldigde wettelijk collegegeld voor elke maand dat het studiejaar na beëindiging van zijn inschrijving duurt, tenzij een betalingsregeling als bedoeld in artikel 7.47, onderdeel b, is getroffen. Indien een student in de loop van het studiejaar overlijdt, wordt voor elke daaropvolgende maand van het studiejaar na diens overlijden, een twaalfde gedeelte van het betaalde wettelijk collegegeld terugbetaald. Bij beëindiging van de inschrijving met ingang van juli of augustus heeft de student geen aanspraak op beëindiging van betaling van de termijnen, bedoeld in artikel 7.47, onderdeel b, en op terugbetaling van het voor die maanden betaalde collegegeld, tenzij het instellingsbestuur dat anders heeft geregeld. Dit lid is niet van toepassing op de Open Universiteit.
Lid 5
Vermindering of vrijstelling van het wettelijk collegegeld in andere gevallen dan bedoeld in het eerste tot en met vierde lid, de artikelen 7.3f of 7.47a wordt aangemerkt als niet doelmatige aanwending van de rijksbijdrage, bedoeld in artikel 2.9, eerste lid.
Lid 6
Het instellingsbestuur van de Open Universiteit stelt een regeling vast waarin een voorziening in de vorm van een verlaging van het collegegeld OU wordt getroffen, voor studenten als bedoeld in artikel 7.45b, eerste of tweede lid, van wie het toetsingsinkomen, bedoeld in artikel 8, eerste tot en met zesde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, minder dan 110% van het belastbaar minimumloon bedraagt. In de regeling stelt het instellingsbestuur vast welke aanvraagbescheiden moeten worden ingediend. De hoogte van de verlaging, bedoeld in de eerste volzin, is in elk geval afhankelijk van het inkomen van de betrokkene.
Lid 7
Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de verplichting tot betaling van het verschil, bedoeld in het eerste lid, tweede volzin, buiten toepassing blijft indien een student voor een van diens inschrijvingen verlaagd wettelijk collegegeld verschuldigd is en voorts voldoet aan de daarbij te stellen voorwaarden.
Artikel 7.49
Lid 1
Het instellingsbestuur stelt in afwijking van artikel 7.45, eerste lid, voor een opleiding die of voor een experimenteel programma dat is aangewezen op grond van artikel 9 van de Experimentenwet vooropleidingseisen, selectie en collegegeldheffing, een collegegeld vast. Het collegegeld bedraagt ten hoogste vijf keer het volledig wettelijk collegegeld, bedoeld in artikel 7.45, eerste lid.
Lid 2
Het instellingsbestuur draagt tijdig voor de aanvang van het studiejaar zorg voor openbaarmaking van het op grond van het eerste lid vastgestelde bedrag.
Lid 3
Indien het eerste lid voor een opleiding toepassing heeft gevonden, komt het overeenkomstig het eerste lid vastgestelde collegegeld in de plaats van het collegegeld, genoemd in artikel 7.45, eerste lid.
Lid 4
Artikel 7.45, zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Lid 5
Artikel 7.47 is van toepassing.
Artikel 7.49a
Lid 1
Het instellingsbestuur kan voor het aanbieden van een premaster en een educatieve module een vergoeding vragen.
Lid 2
Een student die gebruik maakt van een premaster of een educatieve module, terwijl hij een opleiding volgt waarvoor hij wettelijk collegegeld, bedoeld in artikel 7.45, eerste lid, of collegegeld OU, bedoeld in artikel 7.45b, eerste lid, verschuldigd is, wordt vrijgesteld van het betalen van een vergoeding voor de premaster onderscheidenlijk de educatieve module.
Lid 3
Een student die gebruik maakt van een premaster of een educatieve module en, in afwijking van artikel 7.32, derde lid, alleen met dat oogmerk is ingeschreven voor een opleiding, betaalt gedurende de periode van de premaster of de educatieve module in plaats van collegegeld een vergoeding voor de premaster onderscheidenlijk de educatieve module.
Artikel 7.49b
Lid 1
Artikel 7.4, eerste en tweede lid, is op de berekening van de studielast van een premaster of een educatieve module van overeenkomstige toepassing.
Lid 2
De vergoeding voor een premaster met een studielast van 60 studiepunten of meer bedraagt maximaal het volledige wettelijk collegegeld, bedoeld in artikel 7.45, eerste lid, of, in geval van doorstroming naar een masteropleiding bij de Open Universiteit, maximaal het collegegeld OU, bedoeld in artikel 7.45b, eerste lid.
Lid 3
In afwijking van het tweede lid, bedraagt de vergoeding voor studenten die niet tot één van de groepen van personen, bedoeld in artikel 2.2 van de Wet studiefinanciering 2000 behoren, noch de Surinaamse nationaliteit bezitten, voor een premaster met een studielast van 60 studiepunten of meer minimaal de hoogte van het volledige wettelijk collegegeld, bedoeld in artikel 7.45, eerste lid, of, in geval van doorstroming naar een masteropleiding bij de Open Universiteit, minimaal het collegegeld OU, bedoeld in artikel 7.45b, eerste lid.
Lid 4
De vergoeding voor een premaster of een educatieve module van minder dan 60 studiepunten bedraagt maximaal een proportioneel deel van het wettelijk collegegeld, bedoeld in artikel 7.45, eerste lid, of, in geval van doorstroming naar een masteropleiding bij de Open Universiteit, maximaal een proportioneel deel van het collegegeld OU, bedoeld in artikel 7.45b, eerste lid.
Lid 5
In afwijking van het vierde lid, bedraagt de vergoeding voor studenten die niet tot één van de groepen van personen, bedoeld in artikel 2.2 van de Wet studiefinanciering 2000 behoren, noch de Surinaamse nationaliteit bezitten, voor een premaster of een educatieve module met een studielast van minder dan 60 studiepunten minimaal een proportioneel deel van het volledige wettelijk collegegeld, bedoeld in artikel 7.45, eerste lid, of, in geval van doorstroming naar een masteropleiding bij de Open Universiteit, minimaal het proportionele deel van het collegegeld OU, bedoeld in artikel 7.45b, eerste lid.
Lid 6
Artikel 7.47 is van overeenkomstige toepassing op het voldoen van de vergoeding voor een premaster en de vergoeding voor een educatieve module.
Artikel 7.50
Lid 1
Bij ministeriele regeling kan worden bepaald dat het instellingsbestuur een andere bijdrage dan bedoeld in de artikelen 7.43 tot en met 7.49b bij een aspirant-student of student in rekening kan brengen voor kosten die:
verband houden met de inschrijving;
voortvloeien uit de bijzondere aard van de opleiding;
verband houden met de inschrijving voor een tentamen na de reguliere inschrijfperiode van dit tentamen, bedoeld in artikel 7.13, tweede lid, onder j; of
direct verband houden met het verstrekken van een vervangend getuigschrift of een vervangende verklaring als bedoeld in artikel 7.11a, eerste lid.
Lid 2
Bij ministeriele regeling wordt vastgesteld op welke kostensoorten het eerste lid betrekking heeft en kan worden vastgesteld welk bedrag ten hoogste in rekening kan worden gebracht en voor welke kostensoorten het instellingsbestuur een kosteloos alternatief biedt.
Lid 3
Het instellingsbestuur treft voorzieningen voor de financiële ondersteuning van degenen die tot één van de groepen van personen, bedoeld in artikel 2.2 van de Wet studiefinanciering 2000 behoren dan wel de Surinaamse nationaliteit bezitten, en voor wie de bijdrage, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a tot en met b, een onoverkomelijke belemmering vormt.
Lid 4
Indien het instellingsbestuur een bijdrage, als bedoeld in het eerste lid, in rekening brengt stelt hij regels vast over de bijdrage en over de financiële ondersteuning, bedoeld in het derde lid.
Artikel 7.50a
De voordracht voor een krachtens artikel 7.45, vijfde lid, 7.45a, vijfde lid, 7.45b, tweede lid, of 7.48, zevende lid, vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 7.51
Lid 1
Het bestuur van een bekostigde instelling voor hoger onderwijs treft voorzieningen voor de financiële ondersteuning van een bij die instelling ingeschreven student die in verband met de aanwezigheid van een bijzondere omstandigheid studievertraging heeft opgelopen of naar verwachting zal oplopen.
Lid 2
De bijzondere omstandigheden, bedoeld in het eerste lid, zijn:
het lidmaatschap van het bestuur van een studentenorganisatie van enige omvang met volledige rechtsbevoegdheid, een opleidingscommissie, het bestuur van een opleiding als bedoeld in artikel 9.17, de universiteitsraad, de faculteitsraad, het orgaan dat is ingesteld op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 9.30, derde lid, of 10.16a, derde lid, de medezeggenschapsraad, de deelraad of de studentenraad,
activiteiten op bestuurlijk of maatschappelijk gebied die naar het oordeel van het instellingsbestuur mede in het belang zijn van de instelling of van het onderwijs dat de student volgt,
ziekte of zwangerschap en bevalling,
een handicap of chronische ziekte,
bijzondere familieomstandigheden,
een onvoldoende studeerbare opleiding,
overige door het instellingsbestuur vastgestelde bijzondere omstandigheden waarin een student verkeert,
andere dan de in de onderdelen a tot en met g bedoelde omstandigheden die, indien een daarop gebaseerd verzoek om financiële ondersteuning door het instellingsbestuur niet zou worden gehonoreerd, zouden leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Artikel 7.51a
Lid 1
Het instellingsbestuur treft voorzieningen voor de financiële ondersteuning van een student die aan de desbetreffende instelling is ingeschreven voor een opleiding waarvoor het instellingsbestuur een grotere studielast heeft vastgesteld op grond van artikel 7.5d, onderdeel a.
Lid 2
De duur van de financiële ondersteuning bedraagt de periode die overeenstemt met de studielast die uitgaat boven het toepasselijke aantal studiepunten, bedoeld in artikel 7.5, eerste lid, onderdelen b en d.
Artikel 7.51b
Het instellingsbestuur treft voorzieningen voor de financiële ondersteuning van een student die aan de desbetreffende instelling is ingeschreven voor een opleiding die accreditatie bestaande opleiding is geweigerd als bedoeld in artikel 5.17, eerste lid, of waarvan accreditatie is ingetrokken als bedoeld in artikel 5.19 en artikel 5.20 waardoor de student niet langer aanspraak op studiefinanciering maakt.
Artikel 7.51c
Een student komt voor de financiële ondersteuning, bedoeld in de artikelen 7.51 tot en met 7.51b, uitsluitend in aanmerking, indien:
de student voor de desbetreffende opleiding wettelijk collegegeld is verschuldigd; en
de student voor die opleiding aanspraak heeft of aanspraak heeft gehad op de prestatiebeurs hoger onderwijs als bedoeld in de Wet studiefinanciering 2000.
Artikel 7.51d
Lid 1
Het instellingsbestuur kan voorzieningen treffen voor de financiële ondersteuning van een student die aan de desbetreffende instelling is ingeschreven voor een opleiding waarvoor aan hem nog geen graad is verleend, en noch tot een van de groepen van personen, bedoeld in artikel 2.2 van de Wet studiefinanciering 2000 behoort, noch de Surinaamse nationaliteit bezit.
Lid 2
Het instellingsbestuur kan voorzieningen treffen voor de financiële ondersteuning van een student die buiten Nederland hoger onderwijs wenst te volgen.
Artikel 7.51e
Lid 1
Het instellingsbestuur kan voorzieningen treffen voor de financiële ondersteuning van een persoon die niet aan de desbetreffende instelling is ingeschreven, maar die, indien hij ingeschreven zou staan aan een instelling, aanspraak zou hebben op een vorm van studiefinanciering als bedoeld in artikel 5.2 van de Wet studiefinanciering 2000.
Lid 2
De financiële ondersteuning, bedoeld in het eerste lid
heeft de vorm van een overeenkomst,
wordt slechts getroffen voor de periode van een jaar,
wordt slechts getroffen voor een persoon die naar het oordeel van het instellingsbestuur activiteiten uitvoert op bestuurlijk of maatschappelijk gebied die mede in het belang zijn van de instelling en niet commercieel van aard zijn, en
bevat in elk geval een regeling op grond waarvan de persoon voor wie de voorziening wordt getroffen toegang heeft tot de voorzieningen van de instelling, niet zijnde het onderwijs.
Artikel 7.51f
De financiële ondersteuning, bedoeld in de artikelen 7.51 tot en met 7.51e, is niet hoger dan de studiefinanciering die betrokkene geniet uit hoofde van hoofdstuk 3 van de Wet studiefinanciering 2000, dan wel zou hebben genoten, indien hij daarop aanspraak zou maken of zou hebben mogen maken.
Artikel 7.51g
In aanvulling op de voorzieningen, bedoeld in de artikelen 7.51 tot en met 7.51e, kan een voorziening voor financiële ondersteuning worden getroffen, die samen met de financiële ondersteuning ingevolge de voorzieningen, bedoeld in de artikelen 7.51 tot en met 7.51e, hoger is dan de studiefinanciering die betrokkene geniet uit hoofde van hoofdstuk 3 van de Wet studiefinanciering 2000, dan wel zou hebben genoten, indien hij daarop aanspraak zou maken of zou hebben mogen maken. Deze aanvulling wordt verstrekt onder de benaming: voorziening voor aanvullende ondersteuning.
Artikel 7.51h
Lid 1
Het instellingsbestuur stelt regels van procedurele aard vast met betrekking tot de toepassing van de artikelen 7.51 tot en met 7.51d, waartoe in ieder geval behoren regels over de aanvang, de duur en de hoogte van de financiële ondersteuning.
Lid 2
Het instellingsbestuur kan aan de toekenning van financiële ondersteuning de verplichting verbinden dat de student feitelijk studerend is.
Artikel 7.51i
Het instellingsbestuur stelt de student schriftelijk op de hoogte van de financiële ondersteuning, bedoeld in deze paragraaf, waarbij het bedrag van de aanvullende ondersteuning afzonderlijk wordt vermeld. Voorts legt het instellingsbestuur de aan de student verstrekte financiële ondersteuning vast in zijn administratie, onder vermelding van het burgerservicenummer van de student en de hoogte van het toegekende bedrag, waarbij de hoogte van de aanvullende ondersteuning afzonderlijk wordt vermeld.
Artikel 7.51j
Deze paragraaf is van overeenkomstige toepassing op een student die aan de Open Universiteit is ingeschreven voor een onderwijseenheid.
Artikel 7.51k
Lid 1
Onze Minister treft voorzieningen voor de financiële ondersteuning van een student die bestuurslid is van een politieke jongerenorganisatie van enige omvang die uitgaat van een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid of van een landelijke organisatie van enige omvang die voor het hoger onderwijs of het beroepsonderwijs, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, relevante activiteiten ontplooit en die daartoe daadwerkelijke activiteiten ontplooit.
Lid 2
Bij ministeriële regeling worden de voorwaarden gesteld waaronder deze financiële ondersteuning plaatsvindt.
Lid 3
De artikelen 7.51g en 7.51i zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 7.52
Lid 1
Het instellingsbestuur kan het persoonsgebonden nummer van een student of extraneus gebruiken in het verkeer met de student of extraneus op wie het nummer betrekking heeft.
Lid 2
Vervallen.
Lid 3
Vervallen.
Lid 4
Het instellingsbestuur kan het persoonsgebonden nummer van een student of extraneus, al dan niet tezamen met een of meer van de gegevens, bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de Wet register onderwijsdeelnemers, gebruiken in het verkeer met Onze Minister ten behoeve van de vaststelling van de bekostiging van de instelling.
Lid 5
Vervallen.
Lid 6
Het instellingsbestuur gebruikt het persoonsgebonden nummer van een student of extraneus in het verkeer met een andere instelling of een instelling voor ander onderwijs ten behoeve van de in- en uitschrijving van die student of extraneus.
Lid 7
Het instellingsbestuur gebruikt het persoonsgebonden nummer van een student aan een opleiding in het kader van de uitvoering van subsidieregelingen van het Europees Sociaal Fonds.
Lid 8
Het instellingsbestuur van een universiteit of hogeschool verstrekt geen persoonsgebonden nummer van een student of extraneus ter uitvoering van artikel 107, vijfde lid, van de Vreemdelingenwet 2000, anders dan ter nakoming van verplichtingen als referent in de zin van artikel 1 van die wet.
Lid 9
Het instellingsbestuur kan het persoonsgebonden nummer van een student of extraneus eenmalig gebruiken ten behoeve van het genereren van een pseudoniem voor deze student of extraneus met het oog op het bieden van voorzieningen in het kader van het onderwijs en de begeleiding van studenten of extraneï. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat het pseudoniem wordt bewaard in de systemen waarin de studenten en extraneï zijn geregistreerd.
Lid 10
Het bevoegd gezag kan het pseudoniem, bedoeld in het negende lid, gebruiken voor het genereren van een ander pseudoniem voor een student of extraneus in het kader van de toegang tot en het gebruik van digitale leermiddelen of het digitaal afnemen van tentamens en examens, waarbij het bevoegd gezag er zorg voor draagt dat dit andere pseudoniem wordt bewaard in de systemen waarin de studenten en extraneï zijn geregistreerd. Dit andere pseudoniem wordt uitsluitend verstrekt aan een leverancier die een digitaal product of een digitale dienst aanbiedt bestaande uit leerstof of toetsen en de daarmee samenhangende digitale diensten.
Lid 11
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere gevallen worden aangewezen dan het geval, bedoeld in het tiende lid, waarvoor het bevoegd gezag op basis van het pseudoniem, bedoeld in het negende lid, een ander pseudoniem kan genereren.
Daarbij worden in ieder geval de categorieën van ontvangers van dit andere pseudoniem aangewezen.
Lid 12
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de voorwaarden waaronder de pseudoniemen, bedoeld in het negende tot en met het elfde lid, kunnen worden gegenereerd en gebruikt. Deze voorwaarden betreffen in ieder geval de duur en de beveiliging, waaronder de gescheiden opslag van de pseudoniemen.
Artikel 7.52a
Vervallen
Artikel 7.52b
Vervallen
Artikel 7.52c
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
opleiding: een associate degree-opleiding of een bacheloropleiding of een programma binnen een associate degree-opleiding of een bacheloropleiding waarvan de studielast en de kwaliteiten op het gebied van kennis, inzicht en vaardigheden die een student bij de beëindiging van de opleiding moet hebben verworven, gelijk zijn aan die van de opleiding, en
propedeutische fase: de propedeutische fase of, indien die fase niet is ingesteld, de eerste periode in een opleiding met een studielast van 60 studiepunten.
Artikel 7.53
Lid 1
Het instellingsbestuur kan per opleiding in verband met de beschikbare onderwijscapaciteit het maximum aantal studenten vaststellen dat voor de eerste maal kan worden ingeschreven voor de propedeutische fase van de desbetreffende opleiding. De vaststelling geschiedt voor een studiejaar. Indien in een opleiding geen propedeutische fase is ingesteld, wordt onder «propedeutische fase» mede verstaan de fase in een bacheloropleiding die samenvalt met de eerste periode in een opleiding met een studielast van 60 punten.
Lid 2
Het instellingsbestuur selecteert de aspirant-studenten in verband met de beschikbare onderwijscapaciteit uitsluitend op grond van:
ten minste twee kwalitatieve selectiecriteria;
ongewogen loting; of
een combinatie van ten minste twee kwalitatieve selectiecriteria en loting, waarbij:
een deel van de aspirant-studenten toegelaten wordt op basis van selectie op grond van ten minste twee kwalitatieve selectiecriteria en de overige aspirant-studenten worden toegelaten op basis van ongewogen loting of de wijze van loting als bedoeld in subonderdeel 2°; of
alle aspirant-studenten op basis van loting worden toegelaten, waarbij gewicht wordt toegekend aan ten minste twee kwalitatieve selectiecriteria.
Lid 2a
Bij de toepassing van het tweede lid, onderdeel c, subonderdeel 1°, kan het instellingsbestuur de overige aspirant-studenten die op basis van selectie op grond van de kwalitatieve selectiecriteria niet zijn toegelaten, uitsluiten van de ongewogen loting of de wijze van loting als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, subonderdeel 2° op basis van de kwalitatieve selectiecriteria.
Lid 3
Het instellingsbestuur maakt tijdig de selectieprocedure en, indien van toepassing, de kwalitatieve selectiecriteria of de wijze van loting bekend op grond waarvan de toelating zal plaatsvinden indien het aantal aspirant-studenten het maximum aantal, bedoeld in het eerste lid, zou overschrijden. Het instellingsbestuur stelt daartoe een reglement vast. Bij het vaststellen van het reglement houdt het instellingsbestuur rekening met de belangen van aspirant-studenten afkomstig uit de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba onderscheidenlijk Aruba, Curaçao en Sint Maarten.
Lid 4
Het instellingsbestuur schrijft niet meer studenten in dan het maximum aantal dat het instellingsbestuur in verband met de beschikbare capaciteit heeft vastgesteld.
Lid 5
Indien ten aanzien van een opleiding een ministeriële regeling als bedoeld in artikel 7.56 is vastgesteld, blijft dit artikel buiten toepassing.
Lid 6
Voor 1 december van het kalenderjaar voorafgaande aan het studiejaar waarvoor de eerste vaststelling geschiedt, doet het instellingsbestuur hiervan mededeling aan Onze Minister.
Lid 7
Bij ministeriële regeling kunnen in ieder geval voorschriften worden vastgesteld met betrekking tot:
de aanmeldingsdatum voor selectie;
indien een opleiding door meer dan één instelling als bedoeld in artikel 1.2, onder a, wordt verzorgd, het aantal selectieprocedures van een bepaalde opleiding waaraan een aspirant-student in hetzelfde studiejaar kan deelnemen;
de loting; en
de wijze waarop twee kwalitatieve selectiecriteria en loting gecombineerd kunnen worden.
Artikel 7.54
Lid 1
Het instellingsbestuur kan, indien het van oordeel is dat de onderwijscapaciteit, die voor de postpropedeutische fase van een opleiding, waarvoor een beperking van de eerste inschrijving is vastgesteld, niet toereikend is voor een onbeperkte inschrijving, besluiten inschrijving voor de postpropedeutische fase van die opleiding te weigeren aan hen, die niet reeds ingeschreven zijn geweest aan die aan de instelling verbonden opleiding.
Lid 2
In dit artikel wordt, indien in een opleiding geen propedeutische fase is ingesteld, onder «postpropedeutische fase» mede verstaan de fase in een bacheloropleiding die volgt op de eerste periode in een opleiding met een studielast van 60 studiepunten.
Artikel 7.54a
Door vernummering vervallen.
Artikel 7.55
Het instellingsbestuur van de Open Universiteit kan de inschrijvingsmogelijkheid voor een bepaalde opleiding of onderwijseenheid opschorten voorzover en voor zolang de organisatorische en technische capaciteit voor het verzorgen van deze opleiding of onderwijseenheid daartoe naar zijn oordeel noodzaakt. Met inachtneming van de in de eerste volzin bedoelde beperkingen geschiedt de inschrijving in de volgorde van aanmelding voor de desbetreffende opleiding of onderwijseenheid, volgens door het instellingsbestuur vast te stellen regels van procedurele aard.
Artikel 7.56
Lid 1
Indien het aanbod van afgestudeerden van een bepaalde opleiding de behoefte daaraan op de arbeidsmarkt in aanmerkelijke mate overtreft of dreigt te overtreffen en in andere situaties waarin dit in verband met beheersing van de arbeidsmarkt wenselijk wordt geacht, kan bij ministeriële regeling het aantal personen worden vastgesteld dat voor de twee studiejaren na vaststelling van de ministeriële regeling ten hoogste voor de eerste maal kan worden ingeschreven voor het eerste studiejaar van de desbetreffende opleiding aan alle universiteiten of hogescholen waaraan deze is verbonden waarbij een verdeling kan worden gemaakt van dat aantal over elk van de bedoelde instellingen.
Lid 2
Artikel 7.53, tweede lid, derde lid, vijfde lid en zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
Lid 3
Een ministeriële regeling als bedoeld in het eerste lid wordt uiterlijk vastgesteld op 1 mei van het jaar voorafgaand aan het studiejaar waarin deze regeling voor het eerst van toepassing is.
Artikel 7.56a
Vervallen
Artikel 7.57
Voor de toepassing van deze paragraaf gelden door universiteiten onderscheidenlijk hogescholen verzorgde opleidingen met dezelfde naam als dezelfde opleidingen. Voor de toepassing van artikel 7.56 gelden bovendien door universiteiten of hogescholen verzorgde groepen van verwante opleidingen als dezelfde opleidingen.
Artikel 7.57a
Vervallen
Artikel 7.57b
Vervallen
Artikel 7.57c
Vervallen
Artikel 7.57d
Vervallen
Artikel 7.57e
Vervallen
Artikel 7.57f
Vervallen
Artikel 7.57g
Vervallen
Artikel 7.57h
Lid 1
Het instellingsbestuur kan voorschriften geven en maatregelen nemen met betrekking tot de goede gang van zaken in de gebouwen en terreinen van de instelling. Die maatregelen kunnen inhouden dat aan degene die de bedoelde voorschriften heeft overtreden, de toegang tot die gebouwen en terreinen geheel of gedeeltelijk voor de tijd van ten hoogste een jaar wordt ontzegd, of de inschrijving gedurende eenzelfde periode wordt beëindigd.
Lid 2
Als de persoon die de voorschriften, bedoeld in het eerste lid, overtreedt, ernstige overlast binnen de gebouwen en terreinen van de instelling heeft veroorzaakt en deze overlast ook na aanmaning door of vanwege het instellingsbestuur niet heeft gestaakt, kan het instellingsbestuur die student de toegang tot de instelling definitief ontzeggen of zijn inschrijving beëindigen.
Artikel 7.57i
Vervallen
Artikel 7.58
Vervallen
Artikel 7.59
Lid 1
Het instellingsbestuur stelt het studentenstatuut vast en maakt dit bekend.
Lid 2
Het instellingsbestuur verstrekt aan iedere student bij de eerste inschrijving voor een opleiding het studentenstatuut. Indien noodzakelijk verstrekt het instellingsbestuur ook bij inschrijving voor een volgend studiejaar het studentenstatuut.
Lid 3
Het studentenstatuut omvat een opleidingsspecifiek deel en een instellingsspecifiek deel.
Lid 4
Het opleidingsspecifiek deel bevat in elk geval:
een beschrijving van de studieopbouw en de ondersteunende faciliteiten die de student door de instelling worden aangeboden, waaronder in ieder geval worden begrepen:
informatie over de opzet, organisatie en uitvoering van het onderwijs,
de studentenvoorzieningen, en
de faciliteiten betreffende de studiebegeleiding,
de vastgestelde onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.13, eerste lid, en
een beschrijving van procedures die in aanvulling op de procedures, bedoeld in het vijfde lid onder b ten 2°, op de opleiding van toepassing zijn.
Lid 5
Het instellingsspecifiek deel bevat in elk geval:
een beschrijving van de rechten en verplichtingen van de studenten, voortvloeiende uit het bepaalde bij of krachtens de wet, en
een overzicht van de regelingen die beogen de rechten van studenten te beschermen, waarin worden opgenomen:
een beschrijving van de procedures voor de behandeling van klachten en geschillen, bedoeld in titel 4, alsmede van de procedures voor de behandeling van geschillen inzake medezeggenschap, alsmede van de beroepsrechten die kunnen worden ontleend aan deze wet en andere wettelijke regelingen, en
een beschrijving van aanvullende procedures ter bescherming van de rechten van studenten die door het instellingsbestuur worden getroffen.
Artikel 7.59bis
Lid 1
Loopbaanbegeleiding als bedoeld in dit artikel en de daarop berustende bepalingen omvat advisering en ondersteuning bij de overstap naar de arbeidsmarkt en wordt gerekend tot het initieel onderwijs dat wordt verzorgd of dat voorafgaand aan de loopbaanbegeleiding werd verzorgd.
Lid 2
Het instellingsbestuur kan loopbaanbegeleiding aanbieden tijdens de opleiding aan de student of degene met een handicap of chronische ziekte aan wie een getuigschrift als bedoeld in artikel 7.11 is uitgereikt, tot een jaar na uitreiking van dit getuigschrift.
Lid 3
Het instellingsbestuur stelt beleid vast met betrekking tot de loopbaanbegeleiding.
Lid 4
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de inhoud van het beleid, bedoeld in het derde lid, en de invulling van de loopbaanbegeleiding.
Artikel 9.51
Lid 1
De besturen van de verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid of stichtingen, waarvan de in de bijlage van deze wet onder b en i opgenomen universiteiten uitgaan, zijn verplicht elke wijziging van de statuten van de vereniging of stichting zo spoedig mogelijk ter kennis van Onze Minister te brengen.
Lid 2
Het college van bestuur stelt regelen vast inzake het college van bestuur en de inrichting van en de medezeggenschap binnen hun universiteit. Bij de vaststelling van die regelen alsmede bij wijziging daarvan worden de titels 1 en 2 van dit hoofdstuk in acht genomen voorzover de eigen aard van de bijzondere universiteit zich daartegen naar het oordeel van het college van bestuur niet verzet. In die regelen wordt bepaald welke faculteit of faculteiten de universiteit omvat. Het college van bestuur brengt die regelen alsmede wijzigingen daarvan zo spoedig mogelijk ter kennis van Onze Minister. Indien dat naar het oordeel van het college van bestuur wenselijk is op grond van de eigen aard van de bijzondere universiteit, kan de universiteit een functionele scheiding aanbrengen tussen het toezicht en het bestuur. In dat geval zijn de artikelen 9.8 tot en met 9.9b van overeenkomstige toepassing. In de statuten wordt vermeld op welke wijze de functionele scheiding wordt gewaarborgd. Het college van bestuur vermeldt jaarlijks in het bestuursverslag bedoeld in artikel 2.9 de redenen voor een eventuele afwijking.
Lid 3
De regelen alsmede de wijzigingen daarvan, bedoeld in het tweede lid, worden geacht te voldoen aan de in artikel 1.9, derde lid, onder h, bedoelde voorwaarde, indien Onze Minister niet binnen drie maanden na de ontvangst van de mededeling aan het het college van bestuur heeft verklaard van oordeel te zijn, dat het het college van bestuur bij de vaststelling van de regelen of de wijziging daarvan op door hem aan te wijzen punten de titels 1 en 2 van dit hoofdstuk niet in acht heeft genomen en daartoe in redelijkheid geen beroep heeft kunnen doen op de eigen aard van de bijzondere universiteit die zich tegen inachtneming daarvan zou verzetten, of dat onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Binnen drie maanden wordt het bezwaar ondervangen.
Lid 4
De werking van het besluit van Onze Minister, bedoeld in het derde lid, wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.
Lid 5
Het college van bestuur verstrekt aan Onze Minister de nodige inlichtingen omtrent de universiteit.
Lid 6
Onverminderd het in dit artikel bepaalde behoeft een besluit tot fusie, als bedoeld in artikel 16.16, van het college van bestuur, voorafgaande instemming van de universiteitsraad.
Lid 7
Het college van bestuur stelt de universiteitsraad in de gelegenheid om tijdig voorafgaand aan het verzoek om instemming, bedoeld in het zesde lid, kennis te nemen van de opgestelde fusie-effectrapportage, bedoeld in artikel 16.16a, vierde lid.
Artikel 10.16a
Lid 1
Het college van bestuur besluit:
dat de Wet op de ondernemingsraden met uitzondering van hoofdstuk VII B van toepassing is op de hogeschool; of
dat de onder a bedoelde wet niet van toepassing is op de hogeschool.
Lid 2
Een besluit als bedoeld in het eerste lid, kan telkens opnieuw worden genomen, doch niet eerder dan nadat vijf jaren zijn verstreken sedert het van kracht worden van het vorige besluit terzake.
Lid 3
Het besluit, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, stelt de artikelen 10.17 tot en met 10.25 buiten werking voor de desbetreffende hogeschool. Dit besluit gaat gepaard met de vaststelling door het college van bestuur van een medezeggenschapsregeling ten behoeve van de studenten binnen de hogeschool, die ten minste gelijkwaardig is aan het bepaalde in de artikelen 10.17 tot en met 10.25.
Lid 4
Ten gevolge van het besluit, bedoeld in het eerste lid aanhef en onderdeel b, is deze titel van toepassing op de desbetreffende hogeschool.
Lid 5
In het geval dat het eerste lid, aanhef en onderdeel a, toepassing heeft gevonden, behoeft het college van bestuur de voorafgaande instemming van de ondernemingsraad voor het door het college van bestuur te nemen besluit met betrekking tot de keuze uit de medezeggenschapsstelsels, bedoeld in het eerste lid, alsmede voor vaststelling van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in het derde lid.
Lid 6
De in de medezeggenschapsregeling vast te stellen medezeggenschapsstructuren sluiten zo veel mogelijk aan bij de organisatiestructuur, besluitvormingsprocedures en verantwoordelijkheidsverdelingen binnen de instelling.
Artikel 10.16b
Lid 1
Indien een besluit als bedoeld in artikel 10.16a, eerste lid, aanhef en onderdeel a, is genomen, is er aan een hogeschool een gezamenlijke vergadering verbonden. Van deze vergadering maken deel uit de leden van de ondernemingsraad en de leden van het orgaan dat is ingesteld op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 10.16a, derde lid, tweede volzin.
Lid 2
Het college van bestuur behoeft de voorafgaande instemming van de gezamenlijke vergadering voor elk door hem te nemen besluit met betrekking tot de vaststelling of wijziging van:
het instellingsplan, bedoeld in artikel 2.2,
de vormgeving van het systeem van kwaliteitszorg overeenkomstig artikel 1.18 alsmede het voorgenomen beleid in het licht van de uitkomsten van de kwaliteitsbeoordeling, bedoeld in artikel 2.9, tweede lid, tweede volzin,
het bestuurs- en beheersreglement, bedoeld in artikel 10.3b, en
de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.13, met uitzondering van het tweede lid, onderdelen a tot en met g, v en z, en het derde lid, van dat artikel.
Lid 3
Het college van bestuur behoeft eveneens de voorafgaande instemming van de gezamenlijke vergadering over de hoofdlijnen van de jaarlijkse begroting, waarbij in ieder geval aandacht wordt besteed aan de beoogde verdeling van de middelen over de beleidsterreinen onderwijs, onderzoek, huisvesting en beheer, investeringen en personeel. Artikel 9.36, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Lid 4
Het college van bestuur stelt, met inachtneming van de voorschriften bij of krachtens deze wet, een reglement voor de gezamenlijke vergadering vast. De artikelen 10.21, tweede lid, en 10.22, aanhef en onderdelen f, g en j1, zijn van overeenkomstige toepassing. In het reglement kunnen worden geregeld de aangelegenheden waarover de gezamenlijke vergadering, onverminderd het tweede en derde lid, instemmingsrecht heeft. In het reglement wordt, indien de aantallen leden van de ondernemingsraad en het orgaan, bedoeld in het eerste lid, niet gelijk zijn, tevens geregeld de wijze waarop voor beide geledingen wordt voorzien in gelijke invloed op de besluitvorming binnen de gezamenlijke vergadering.
Lid 5
De gezamenlijke vergadering is bevoegd het college van bestuur ten minste twee maal per jaar uit te nodigen om het voorgenomen beleid te bespreken aan de hand van een door haar opgestelde agenda.
Lid 6
Het college van bestuur behoeft eveneens voorafgaande instemming van de gezamenlijke vergadering voor een besluit tot fusie als bedoeld in artikel 16.16.
Lid 7
Het college van bestuur stelt de gezamenlijke vergadering in de gelegenheid om tijdig voorafgaand aan het verzoek om instemming, bedoeld in het zesde lid, kennis te nemen van de opgestelde fusie-effectrapportage, bedoeld in artikel 16.16a, zesde lid.
Artikel 10.17
Lid 1
Aan elke hogeschool is een medezeggenschapsraad verbonden. Indien een hogeschool één of meer faculteiten of andere organisatorische eenheden omvat is aan elke faculteit en aan elk van de desbetreffende eenheden een deelraad als bedoeld in artikel 10.25, verbonden.
Lid 2
Het aantal leden van de raad bedraagt aan een hogeschool met minder dan 750 studenten ten hoogste tien leden, met 750 tot 1250 studenten ten hoogste veertien leden en met 1250 of meer studenten ten hoogste vierentwintig leden.
Lid 3
De raad bestaat voor de helft uit leden die uit en door het personeel worden gekozen, en voor de helft uit leden die uit en door de studenten worden gekozen.
Lid 4
Zij die deel uitmaken van het instellingsbestuur, het college van bestuur, de raad van toezicht dan wel het bestuur van een faculteit of een andere organisatorische eenheid, kunnen niet tevens lid zijn van de raad.
Lid 5
Kandidaten voor de verkiezingen van het deel van de raad dat uit en door het personeel wordt gekozen, kunnen worden gesteld door personeelsleden en door organisaties van personeel.
Lid 6
De verkiezing van de leden van de raad geschiedt bij geheime schriftelijke stemming. Stemming voor een geleding van de raad vindt slechts plaats, indien het aantal kandidaat-leden van een geleding groter is dan het aantal zetels ten behoeve van die geleding.
Lid 7
De raad stelt een reglement op voor de zaken van huishoudelijke aard en regelt tevens de wijze waarop door het instellingsbestuur betaalde bedragen ten behoeve van de raad en de eventuele deelraden en commissies als bedoeld in artikel 10.34, worden verdeeld.
Lid 8
Voor de toepassing van het eerste lid kan het Ad-programma worden beschouwd als een organisatorische eenheid waaraan een deelraad als bedoeld in artikel 10.25 is verbonden. Indien een deel van het Ad-programma wordt uitgevoerd door een instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs wordt het personeel van die instelling voor de toepassing van het derde en het vijfde lid beschouwd als personeel van de hogeschool.
Artikel 10.18
Vervallen
Artikel 10.19
Lid 1
Het college van bestuur stelt de medezeggenschapsraad ten minste twee maal per jaar in de gelegenheid de algemene gang van zaken in de hogeschool met hem te bespreken. Het college van bestuur en de raad komen met elkaar bijeen, indien daarom onder opgave van redenen wordt verzocht door het college van bestuur, de raad of het deel van de raad dat uit en door het personeel of uit en door de studenten is gekozen.
Lid 2
De raad is bevoegd over alle aangelegenheden, de hogeschool betreffende, aan het college van bestuur voorstellen te doen en standpunten kenbaar te maken. Het college van bestuur brengt op de voorstellen, bedoeld in de eerste volzin, binnen drie maanden een schriftelijke, met redenen omklede reactie uit aan de raad in de vorm van een voorstel. Alvorens over te gaan tot het uitbrengen van de in de vorige volzin bedoelde reactie, stelt het college van bestuur de raad ten minste eenmaal in de gelegenheid met hem overleg te plegen over zijn voorstel.
Lid 2a
De raad is voorts bevoegd het college van bestuur ten minste twee maal per jaar uit te nodigen om het voorgenomen beleid te bespreken aan de hand van een door hem opgestelde agenda.
Lid 3
De raad bevordert naar vermogen openheid, openbaarheid en onderling overleg in de hogeschool.
Lid 4
De raad waakt voorts in de hogeschool in het algemeen tegen discriminatie op welke grond dan ook en bevordert in het bijzonder de gelijke behandeling van mannen en vrouwen alsmede de inschakeling van personen met een handicap of chronische ziekte en personen met een migratieachtergrond. Het medezeggenschapsreglement bepaalt of de raad een overeenkomstige bevoegdheid bezit als bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onderdeel d, van de Wet College voor de rechten van de mens. In dat geval is artikel 21, tweede lid, van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen van overeenkomstige toepassing voor wat betreft het onderscheid, bedoeld in die wet of in artikel 646 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
Lid 5
Het college van bestuur verstrekt de raad aan het begin van het studiejaar schriftelijk de basisgegevens met betrekking tot de samenstelling van het college van bestuur dan wel de centrale directie, de organisatie binnen de hogeschool, de taakverdeling tussen college van bestuur en centrale directie en de hoofdpunten van het reeds vastgestelde beleid. Het college van bestuur stelt de raad ten minste eenmaal per jaar schriftelijk in kennis van het door hem in het afgelopen jaar gevoerde beleid en van de beleidsvoornemens voor het komende jaar ten aanzien van de hogeschool op financieel, organisatorisch en onderwijskundig gebied. Het college van bestuur stelt de medezeggenschapsraad onverwijld in kennis van voornemens met betrekking tot de aangelegenheden, beschreven in het plan, bedoeld in artikel 10.20, onder a.
Lid 6
Onverminderd het vijfde lid, verschaft het college van bestuur de raad, ongevraagd, tijdig alle inlichtingen die deze voor de vervulling van zijn taak naar redelijkheid en billijkheid nodig kan hebben en, gevraagd, tijdig alle inlichtingen die deze voor de vervulling van zijn taak naar redelijkheid en billijkheid nodig acht. Daartoe worden in ieder geval begrepen ten minste eenmaal per jaar gegevens over de hoogte en inhoud van de arbeidsvoorwaardelijke regelingen en afspraken per groep van de in de instelling werkzame personen, de leden van het college van bestuur, en de raad van toezicht.
Lid 7
Indien bij een bepaalde vergadering of een onderdeel daarvan een bij uitstek persoonlijk belang van een van de leden van de raad in het geding is, kan de raad bepalen dat het betrokken lid aan die vergadering of dat onderdeel daarvan, niet deelneemt. De raad bepaalt dan tevens dat de behandeling van de desbetreffende aangelegenheid in een besloten vergadering plaatsheeft.
Lid 8
De raad doet jaarlijks schriftelijk verslag van zijn werkzaamheden en draagt er zorg voor dat alle bij de hogeschool betrokkenen van het verslag kennis kunnen nemen. De raad draagt er zorg voor dat de agenda’s en verslagen van de vergaderingen van de raad worden toegezonden aan het college van bestuur, aan de deelraden, aan de eventuele commissies en aan de eventuele gemeenschappelijke medezeggenschapsraad en ter inzage worden gelegd op een algemeen toegankelijke plaats op de hogeschool ten behoeve van belangstellenden. De raad stelt de in de vorige volzin bedoelde commissies ten minste eenmaal per jaar in de gelegenheid om over aangelegenheden die de desbetreffende commissie in het bijzonder aangaan, met hem overleg te voeren.
Lid 9
Het college van bestuur draagt er jegens de medezeggenschapsraad zorg voor dat de leden van de raad niet uit hoofde van hun lidmaatschap van de raad worden benadeeld in hun positie met betrekking tot de hogeschool. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van kandidaat-leden en voormalige leden.
Lid 10
De beëindiging anders dan op eigen verzoek van de betrekking van een aan de hogeschool werkzame persoon mag geen verband houden met de kandidaatstelling voor het lidmaatschap, het lidmaatschap of het voormalig lidmaatschap van de betrokkene van de raad. Een beëindiging van de betrekking in strijd met het in dit lid bepaalde is nietig.
Artikel 10.19a
Indien het college van bestuur een voorstel voor advies of instemming voorlegt aan de medezeggenschapsraad, wijst het college de medezeggenschapsraad uitdrukkelijk op haar instemmings- of adviesbevoegdheid.
Artikel 10.20
Lid 1
Het college van bestuur behoeft de voorafgaande instemming van de medezeggenschapsraad voor elke door het college van bestuur te nemen beslissing met betrekking tot ten minste de vaststelling of wijziging van:
het instellingsplan,
de vormgeving van het systeem van kwaliteitszorg overeenkomstig artikel 1.18, alsmede het voorgenomen beleid in het licht van de uitkomsten van de kwaliteitsbeoordeling, bedoeld in artikel 2.9, tweede lid, tweede volzin,
het studentenstatuut,
het bestuurs- en beheersreglement,
de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.13, met uitzondering van de onderwerpen genoemd in het tweede lid, onder a tot en met g, v en z, alsmede het derde lid,
regels op het gebied van de arbeidsomstandigheden,
de keuze uit medezeggenschapsstelsels, bedoeld in artikel 10.16a, eerste lid,
het beleid van het instellingsbestuur bij de toepassing van de artikelen 7.51 tot en met 7.51g en de regels, bedoeld in artikel 7.51h, en
een besluit tot fusie als bedoeld in artikel 16.16.
Lid 2
Het college van bestuur stelt de medezeggenschapsraad in de gelegenheid tijdig voorafgaand aan het verzoek om instemming met een besluit tot fusie als bedoeld in het eerste lid, onderdeel i, kennis te nemen van de opgestelde fusie-effectrapportage bedoeld in artikel 16.16a, vierde lid.
Lid 3
Het college van bestuur behoeft eveneens de voorafgaande instemming van de medezeggenschapsraad over de hoofdlijnen van de jaarlijkse begroting, waarbij in ieder geval aandacht wordt besteed aan de beoogde verdeling van de middelen over de beleidsterreinen onderwijs, onderzoek, huisvesting en beheer, investeringen en personeel. Artikel 9.36, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Lid 4
Het college van bestuur behoeft eveneens de voorafgaande instemming van de medezeggenschapsraad met het besluit een opleiding in het buitenland te verzorgen als bedoeld in artikel 1.19a, eerste lid.
Lid 5
Het college van bestuur behoeft de voorafgaande instemming van het deel van de medezeggenschapsraad dat uit en door de studenten is gekozen, voor elk door het college van bestuur te nemen besluit met betrekking tot de regels die het instellingsbestuur vaststelt met betrekking tot de vergoeding, bedoeld in artikel 7.50, eerste lid, onder c.
Artikel 10.20a
Lid 1
Het college van bestuur vraagt, onverminderd het bepaalde in artikel 10.20, voorafgaand advies aan de medezeggenschapsraad voor elk door het college van bestuur te nemen besluit in ieder geval met betrekking tot:
aangelegenheden die de doelstellingen, het voortbestaan en de goede gang van zaken binnen de hogeschool betreffen, waaronder begrepen een institutionele fusie als bedoeld in artikel 16.16, eerste lid, en een bestuurlijke fusie als bedoeld in artikel 16.16, tweede lid,
de begroting, waaruit onder meer de hoogte van het instellingscollegegeld en die van het collegegeld, bedoeld in artikel 6.7, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 6.8, eerste lid, dienen te blijken.
Lid 2
Het college van bestuur vraagt voorafgaand advies van het deel van de medezeggenschapsraad dat uit en door de studenten is gekozen, voor elk door het college van bestuur te nemen besluit in ieder geval met betrekking tot:
het algemeen personeels- en benoemingsbeleid, tenzij artikel 10.24, tweede lid, van toepassing is,
het beleid ten aanzien van het instellingscollegegeld, bedoeld in artikel 7.46 en het collegegeld, bedoeld in artikel 6.7, eerste lid,
de regeling van het instellingsbestuur ten aanzien van terugbetaling van wettelijk collegegeld, bedoeld in artikel 7.48, vierde lid,
de regeling die het instellingsbestuur vaststelt voor de selectiecriteria en de selectieprocedure bedoeld in artikel 6.7a, eerste lid, onder b, onderscheidenlijk artikel 7.26, 7.26a en 7.53, derde lid, en voor zover het de selectieprocedure betreft artikel 7.30b, tweede lid, en artikel 7.3i,
de regeling die het instellingsbestuur vaststelt voor de criteria en de procedure voor dispensatie van betaling van het hogere collegegeld, bedoeld in artikel 6.7a, eerste lid, onder c, en
de regels die het instellingsbestuur vaststelt met betrekking tot de selectie, bedoeld in artikel 7.9b, eerste lid,
de regels die het instellingsbestuur vaststelt met betrekking tot de studiekeuzeadviezen en studiekeuzeactiviteiten, bedoeld in artikel 7.31b, vijfde lid.
Lid 3
De aanhef van het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot een voorgenomen besluit van de raad van toezicht:
ten aanzien van de profielen, bedoeld in artikel 10.3d, vierde lid,
ten aanzien van de profielen, bedoeld in artikel 10.2, derde lid, juncto artikel 9.3, tweede lid, en
als bedoeld in artikel 10.3d, tweede lid, onder a, met betrekking tot het benoemen of ontslaan van de leden van het college van bestuur.
Artikel 10.21
Lid 1
Het college van bestuur stelt, met inachtneming van de voorschriften bij of krachtens deze titel, een medezeggenschapsreglement voor de hogeschool vast.
Lid 2
Het college van bestuur legt het reglement, daaronder elke wijziging ervan mede begrepen, als voorstel aan de medezeggenschapsraad voor en stelt het niet vast dan voorzover het voorstel de instemming van twee derden van het aantal leden van de raad heeft verworven.
Artikel 10.22
In het medezeggenschapsreglement worden ten minste geregeld:
de aangelegenheden waarover de medezeggenschapsraad, onverminderd artikel 10.20, instemmingsrecht heeft,
de aangelegenheden waarover de medezeggenschapsraad, onverminderd artikel 10.20a, adviesrecht heeft,
het aantal leden van de medezeggenschapsraad,
de wijze en organisatie van de verkiezingen van de leden van de raad,
de zittingsduur van de leden van de raad,
de wijze waarop het instellingsbestuur informatie verschaft aan de raad,
de termijnen binnen welke tot instemming of onthouding van instemming dient te worden besloten, en de termijnen binnen welke advies dient te worden uitgebracht,
de bevoegdheden die door de deelraden worden uitgeoefend,
de toekenning aan het deel van de raad dat uit en door het personeel is gekozen, van de bevoegdheden inzake de arbeidsomstandigheden die krachtens de Arbeidsomstandighedenwet en de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 16 van die wet aan de medezeggenschapsraad zijn toegekend,
de toekenning aan de raad van een overeenkomstige bevoegdheid als bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onderdeel d, van de Wet College voor de rechten van de mens, waarbij dan artikel 21, tweede lid, van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen van overeenkomstige toepassing is,
de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de bevoegdheid die in artikel 10.19, lid 2a, aan de raad is toegekend waaronder de minimale termijn waarop het college van bestuur kan worden uitgenodigd,
de toekenning aan de raad of het deel van de raad dat uit en door het personeel is gekozen, van de bevoegdheden inzake de arbeidsomstandigheden in de hogeschool voorzover deze niet betreffen te nemen beslissingen van het instellingsbestuur, bedoeld in artikel 10.20, onder f, en
welke van de geschillen tussen het instellingsbestuur en de raad, waarvoor deze wet niet in een geschillenregeling voorziet, worden voorgelegd aan de commissie voor geschillen waarbij de hogeschool is aangesloten, wie het geschil aanhangig kan maken en of daarbij de commissie om bemiddeling dan wel een oordeel wordt verzocht, voorzover de commissie voor geschillen waarbij de hogeschool is aangesloten, in haar reglement daarvoor de mogelijkheid biedt.
Artikel 10.23
Indien een te nemen beslissing op grond van het bepaalde in het medezeggenschapsreglement krachtens artikel 10.22, onder b, vooraf voor advies dient te worden voorgelegd aan de medezeggenschapsraad, draagt het instellingsbestuur onderscheidenlijk de raad van toezicht er zorg voor dat:
advies wordt gevraagd op een zodanig tijdstip dat het advies van wezenlijke invloed kan zijn op de besluitvorming,
de raad in de gelegenheid wordt gesteld met hem overleg te voeren voordat advies wordt uitgebracht,
de raad zo spoedig mogelijk schriftelijk in kennis wordt gesteld van de wijze waarop aan het uitgebrachte advies gevolg wordt gegeven, en
de raad, indien het instellingsbestuur onderscheidenlijk de raad van toezicht het advies niet of niet geheel wil volgen, in de gelegenheid wordt gesteld nader overleg met hem te voeren alvorens de beslissing definitief wordt genomen.
Artikel 10.24
Lid 1
Het instellingsbestuur behoeft de voorafgaande instemming van het deel van de medezeggenschapsraad dat uit en door het personeel is gekozen, voor elke door het instellingsbestuur te nemen beslissing met betrekking tot aangelegenheden van algemeen belang voor de bijzondere rechtstoestand van het personeel in de hogeschool.
Lid 2
Het instemmingsrecht in aangelegenheden als bedoeld in het eerste lid wordt niet uitgeoefend voorzover de desbetreffende aangelegenheid voor de hogeschool reeds inhoudelijk is geregeld in een bij of krachtens de wet gegeven voorschrift of bij of krachtens collectieve arbeidsovereenkomst.
Lid 3
Alvorens tot benoeming of ontslag van een lid van het instellingsbestuur wordt overgegaan, wordt de medezeggenschapsraad, dan wel het orgaan binnen de hogeschool dat op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 10.16a, derde lid, tweede volzin, daartoe is aangewezen, vertrouwelijk gehoord over het voorgenomen besluit tot benoeming of ontslag. Het horen geschiedt op een zodanig tijdstip dat het van wezenlijke invloed kan zijn op de besluitvorming.
Artikel 10.25
Lid 1
Een deelraad oefent tegenover het bestuur van een faculteit of een andere organisatorische eenheid het instemmingsrecht en het adviesrecht uit dat toekomt aan de medezeggenschapsraad, voorzover het aangelegenheden betreft die het desbetreffende deel van de hogeschool in het bijzonder aangaan, en de desbetreffende bevoegdheden tevens aan het bestuur van die faculteit of andere organisatorische eenheid zijn toegekend.
Lid 2
Artikel 10.17, tweede tot en met zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 10.26
Lid 1
De geschillencommissie medezeggenschap, bedoeld in artikel 9.39, is bevoegd ten aanzien van geschillen binnen de hogescholen.
Lid 2
De artikelen 9.39, 9.40 en 9.46 zijn van overeenkomstige toepassing op de hogescholen, met dien verstande dat daarin onder «medezeggenschapsorgaan» wordt verstaan:
de gezamenlijke vergadering,
de ondernemingsraad,
het orgaan dat is ingesteld op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 10.16a, derde lid, tweede volzin,
de medezeggenschapsraad,
de deelraad, bedoeld in artikel 10.25, of
de opleidingscommissie.
Artikel 10.27
Vervallen
Artikel 10.28
Vervallen
Artikel 10.29
Vervallen
Artikel 10.30
Vervallen
Artikel 10.31
Vervallen
Artikel 10.32
Vervallen
Artikel 10.33
Vervallen
Artikel 10.34
Lid 1
Het instellingsbestuur stelt het personeel en de studenten in de gelegenheid om desgewenst onderscheidenlijk een personeelscommissie dan wel afzonderlijke commissies voor onderscheiden personeelscategorieën of -groeperingen, en een studentencommissie in te stellen. Een dergelijke commissie is bevoegd desgevraagd of eigener beweging advies uit te brengen aan de medezeggenschapsraad over die aangelegenheden die de desbetreffende commissie in het bijzonder aangaan.
Lid 2
Op verzoek van een commissie stelt de medezeggenschapsraad het instellingsbestuur in kennis van een schriftelijk advies als bedoeld in het eerste lid. Artikel 10.19, tweede lid, derde volzin, is ten aanzien van een dergelijk schriftelijk advies van overeenkomstige toepassing.
Artikel 10.35
Vervallen
Artikel 10.36
Vervallen
Artikel 10.37
Indien bijzondere omstandigheden een goede toepassing van een of meer onderdelen van deze titel in een hogeschool of in een aantal hogescholen die door dezelfde rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid in stand worden gehouden, in de weg staan, kan Onze Minister op verzoek van het instellingsbestuur toestaan, dat wat betreft een of meer onderdelen op de door hem aangewezen wijze wordt afgeweken van deze titel.
Artikel 10.38
Lid 1
Op gronden die verband houden met de godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging, die aan de hogeschool ten grondslag ligt, kan Onze Minister op verzoek van het college van bestuur van een bijzondere hogeschool ontheffing verlenen van de voorschriften van deze titel. Het college van bestuur toont bij zijn verzoek aan dat dit verzoek wordt ondersteund door een meerderheid van twee derden zowel van het personeel van de hogeschool als van de bij de hogeschool betrokken studenten.
Lid 2
Onze Minister verklaart de ontheffing vervallen, indien de gronden waarop zij berustte, niet meer aanwezig zijn dan wel indien zij niet meer wordt ondersteund door een meerderheid van twee derden van elk van de in het eerste lid bedoelde categorieën.
Lid 3
Het college van bestuur doet elke vijf jaren aan Onze Minister mededeling omtrent de stand van zaken met betrekking tot de gronden van de ontheffing en de ondersteuning ervan.
Artikel 10.39
Lid 1
Het instellingsbestuur staat de medezeggenschapsraad het gebruik toe van de voorzieningen waarover het kan beschikken, en die de raad voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig heeft waaronder in ieder geval worden verstaan ambtelijke, financiële en juridische ondersteuning en scholing. Het instellingsbestuur stelt de medezeggenschapsraad in de gelegenheid zoveel mogelijk tijdens werktijd te vergaderen.
Lid 2
Het instellingsbestuur stelt de leden van de medezeggenschapsraad een scholingsbudget ter beschikking, dat wordt vastgesteld door het instellingsbestuur en de raad gezamenlijk. Het personeel van de hogeschool wordt in de gelegenheid gesteld deze scholing in werktijd en met behoud van salaris te ontvangen.
Lid 3
Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op deelraden en opleidingscommissies.
Artikel 12.22
Het college van bestuur en de raad van bestuur kunnen bij overeenkomst een gemeenschappelijk uitvoeringsorgaan instellen voor de uitvoering van het document, bedoeld in artikel 12.21. Daartoe voorziet de overeenkomst in de overdracht van bevoegdheden van het college van bestuur en van de raad van bestuur aan het gemeenschappelijk uitvoeringsorgaan. De besluiten van het gemeenschappelijk uitvoeringsorgaan, genomen krachtens enige door het college van bestuur overgedragen bevoegdheid kunnen bij koninklijk besluit worden vernietigd.
Artikel 13.7
Vervallen
Artikel 13.8
Lid 1
Het algemeen bestuur verschaft desgevraagd alsmede uit eigen beweging informatie over de instelling aan belanghebbenden en belangstellenden. Het reglement regelt in welke gevallen het verschaffen van informatie achterwege blijft.
Lid 2
Het algemeen bestuur stelt regels vast voor het berekenen van tarieven bij het op verzoek verschaffen van informatie.
Artikel 13.9
Lid 1
De besluiten van het algemeen bestuur kunnen bij koninklijk besluit worden vernietigd. Het bepaalde in de eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op het besluit van de algemene vergadering van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen tot vaststelling of wijziging van het in artikel 13.2 bedoelde reglement.
Lid 2
Het besluit tot schorsing of vernietiging wordt in het Staatsblad geplaatst.
Lid 3
Het eerste lid is niet van toepassing op bestuursrechtelijke besluiten van het algemeen bestuur van de Koninklijke Bibliotheek. Hierop is artikel 22 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen van toepassing.
Artikel 13.10
Lid 1
Indien het algemeen bestuur naar het oordeel van Onze Minister zijn taak ernstig verwaarloost, kan Onze Minister de noodzakelijke voorzieningen treffen.
Lid 2
De voorzieningen worden, spoedeisende gevallen uitgezonderd, niet eerder getroffen dan nadat het algemeen bestuur in de gelegenheid is gesteld om binnen een door Onze Minister te stellen termijn alsnog zijn taak naar behoren uit te voeren.
Lid 3
Onze Minister stelt de beide Kamers der Staten-Generaal onverwijld in kennis van door hem getroffen voorzieningen als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 13.11
Vervallen
Artikel 17.3
Vervallen
Artikel 18.46
Vervallen