Art. 7:276 Burgerlijk Wetboek Boek 7

Lid 1

Indien de verhuurder de overeenkomst heeft opgezegd op de grond, bedoeld in artikel 274 lid 1 onder c of h en de vordering tot beëindiging van de huurovereenkomst is toegewezen dan wel de huurder met de beëindiging heeft ingestemd, is de verhuurder jegens de huurder tot schadevergoeding gehouden, indien de wil om het verhuurde duurzaam in eigen gebruik te nemen respectievelijk te verkopen in werkelijkheid niet aanwezig is geweest.

Lid 2

Behoudens tegenbewijs wordt die wil geacht niet aanwezig te zijn geweest, indien niet binnen een jaar na het einde van de overeenkomst het verhuurde duurzaam door hem in gebruik is genomen respectievelijk te koop is aangeboden.

Lid 3

De rechter die een vordering op de grond, bedoeld in artikel 274 lid 1 onder c of h, toewijst, kan op verlangen van de huurder of ambtshalve een bedrag bepalen dat de verhuurder aan de huurder moet betalen, indien later mocht blijken dat de wil om het verhuurde duurzaam in eigen gebruik te nemen respectievelijk te verkopen in werkelijkheid niet aanwezig is geweest, onverminderd het recht van de huurder op verdere schadevergoeding.

Lid 4

De vordering van de huurder op grond van dit artikel vervalt vijf jaren na het einde van de huurovereenkomst.

Lid 5

De verhuurder is eveneens tot schadevergoeding gehouden jegens onderhuurders aan wie bevoegdelijk is onderverhuurd of die krachtens artikel 269 bevoegd waren hun overeenkomst met de hoofdverhuurder voort te zetten. De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing.

Recente uitspraken

Art. 7:276 BW is sinds 2006 in 24 uitspraken op wetboek.org gekoppeld, met name door Rb. Amsterdam, Hof Amsterdam en Rb. Midden-Nederland.

  • ECLI:NL:GHDHA:2025:963 — 01-04-2025 Hof Den Haag
    Huur bedrijfsruimte. Vordering tot huurbeëindiging o.g.v. dringend persoonlijk gebruik (art. 7:296 lid 1 onder b BW) dan wel redelijke belangenafweging (art. 7:296 lid 4 BW). Vordering ontvankelijk nu opzegbrief tegelijk met dagvaarding aan huurder is betekend? (vgl. art. 7:295…
  • ECLI:NL:GHAMS:2021:1282 — 04-05-2021 Hof Amsterdam
    Huur woonruimte; dringend eigen gebruik; artikel 7:276-2 BW; bewijsvermoeden is voldoende weerlegd.
  • ECLI:NL:GHARL:2020:1166 — 11-02-2020 Hof Arnhem-Leeuwarden
    Huurzaak. Bewijsvermoeden van art. 7:276 BW is ontzenuwd wederpartij toegelaten tot het bewijs dat er geen wil was om het verhuurde duurzaam in eigen gebruik te nemen. Partij heeft afgezien van bewijslevering.
  • ECLI:NL:GHAMS:2013:CA3119 — 19-02-2013 Hof Amsterdam
    Huur woonruimte; beeindiging wegens dringend eigen gebruik. Verhuurster heeft progressieve ziekte en wil het gehuurde gebruiken om kantoor aan huis mogelijk te maken. Huurster heeft, met haar recent oveleden echtgenoot, sinds omstreeks 1970 in het gehuurde gewoond.…
  • ECLI:NL:GHSHE:2011:BU8916 — 20-12-2011 Hof 's-Hertogenbosch
    beëindiging huurovereenkomst woonruimte met stallingsmogelijkheid paarden wegens dringend eigen gebruik als bedoeld in art. 7:274 lid 1 sub c BW.

Bekijk alle 24 uitspraken »

Bron: Rechtspraak.nl — uitspraken bevatten verwijzingen naar dit artikel.