Art. 7:269 Burgerlijk Wetboek Boek 7

Lid 1

De onderhuur die betrekking heeft op een zelfstandige woning waar de onderhuurder zijn hoofdverblijf heeft, wordt in geval van beëindiging van de huur tussen huurder en verhuurder voortgezet door de verhuurder.

Lid 2

De verhuurder kan binnen zes maanden nadat hij op grond van lid 1 de onderhuur heeft voortgezet vorderen dat de rechter zal bepalen dat de huur met ingang van een in het vonnis te bepalen tijdstip zal eindigen op de grond dat:

  1. de wederpartij vanuit financieel oogpunt onvoldoende waarborg biedt voor een behoorlijk nakoming van de huur;

  2. de onderhuur is aangegaan met de kennelijke strekking de onderhuurder de positie van huurder te verschaffen;

  3. in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, mede gelet op de inhoud van de huurovereenkomsten die betrekking hebben op soortgelijke woonruimte alsmede op de inhoud van de geëindigde huur tussen hem en de huurder en de inhoud van de voortgezette huurovereenkomst, niet van hem kan worden gevergd dat hij de huur met de wederpartij voortzet;

  4. de wederpartij indien het woonruimte betreft waarop hoofdstuk 2 van de Huisvestingswet 2014 van toepassing is, niet een huisvestingsvergunning als bedoeld in artikel 8 van die wet overlegt.

Lid 3

Ingeval van onderverhuur welke al dan niet een zelfstandige woning vormt, zet degene die op grond van de artikelen 266, 267 en 268 huurder is geworden of de huur heeft voortgezet, als onderverhuurder de huur met de onderhuurder voort.

Recente uitspraken

Art. 7:269 BW is sinds 1982 in 169 uitspraken op wetboek.org gekoppeld, met name door Rb. Rotterdam, Rb. Amsterdam en Rb. Midden-Nederland.

  • ECLI:NL:HR:1994:ZC1245 — 28-01-1994 Hoge Raad
    Huurrecht woonruimte. Zelfstandige woning in de zin van art. 7A:1623a lid 3 BW (thans art. 7:234 BW) in geval van voortzetting overeenkomst van onderhuur ex art. 7A:1623k lid 1 (thans art. 7:269 BW). Van een “zelfstandige woning” in art. 7A:1623a lid 3 BW is sprake als de woning…
  • ECLI:NL:HR:1982:AG4467 — 29-10-1982 Hoge Raad
    Huurrecht. Art. 7a:1623k (thans art. 7:269 BW) niet van toepassing op beëindiging van huurovereenkomsten die, voor wat betreft het onderverhuurde gedeelte van het gehuurde, niet zijn te beschouwen als overeenkomsten van huur en verhuur van woonruimte in de zin van art. 7a:1623 a…
  • ECLI:NL:OGHACMB:2026:8 — 21-01-2026 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van A
    Sint Maarten. Huurrecht. Art. 7:246 lid 1 en 3 BW. Huurster door het Gerecht in haar beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Geen doorbreking appelverbod. Geen apparaatsfout.
  • ECLI:NL:GHARL:2026:6363 — 06-10-2026 Hof Arnhem-Leeuwarden
    Vordering in kortgeding tot ontruiming van huurwoningen van arbeidsmigranten op vakantiepark, nadat de gemeente de verhuurder een dwangsom heeft opgelegd strekkende tot beëindiging van de permanente bewoning van de huurwoningen. Anders dan de kantonrechter wijst het hof de…
  • ECLI:NL:GHAMS:2026:2644 — 03-09-2026 Hof Amsterdam
    Huur woonruimte. Kort geding. Een eigenaar/hoofdverhuurder vordert ontruiming door een onderhuurder na het faillissement van de huurder/onderverhuurder. De onderhuurovereenkomst is door de latere failliet gesloten met een groep personen. De vraag is of de onderhuurovereenkomst…

Bekijk alle 169 uitspraken »

Bron: Rechtspraak.nl — uitspraken bevatten verwijzingen naar dit artikel.