Artikel 247a Faillissementswet
Lid 1
Uiterlijk op de achtste dag voorafgaande aan de dag bepaald overeenkomstig artikel 215, tweede lid, doch in ieder geval niet later dan twee maanden na de dag waarop de surseance voorlopig is verleend, kan de rechtbank op verzoek van de schuldenaar, zijnde een natuurlijke persoon, de hem voorlopig verleende surseance intrekken onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling bedoeld in titel III.
Lid 2
De schuldenaar zal zich daartoe met een verzoek als bedoeld in artikel 284 wenden tot de rechtbank die de surseance voorlopig heeft verleend.
Lid 3
Alvorens te beslissen kan de rechtbank de schuldenaar, de rechter-commissaris en de bewindvoerder oproepen om te worden gehoord.
Lid 4
Artikel 6, tweede lid, is van toepassing.
Lid 5
Bij toewijzing van het verzoek, spreekt de rechtbank de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling uit.
Lid 6
Van de intrekking van de voorlopig verleende surseance wordt door de griffier kennis gegeven in de aankondiging die is voorgeschreven in artikel 293. In die aankondiging wordt tevens mededeling gedaan dat het verhoor van de schuldeisers, bepaald overeenkomstig artikel 215, tweede lid, niet zal worden gehouden. Indien op de voet van artikel 255 of 264 reeds een tijdstip was bepaald voor de raadpleging en stemming over een akkoord, wordt in die aankondiging mededeling gedaan dat die raadpleging en stemming niet zullen plaatsvinden.
Dit artikel verwijst naar:
Wordt genoemd in:
Recente uitspraken
Art. 247a Fw is sinds 2005 in 3 uitspraken op wetboek.org gekoppeld, met name door Hof 's-Hertogenbosch, Hoge Raad en Rb. Haarlem.
- ECLI:NL:HR:2005:AT6856 — 14-10-2005 Hoge Raad
WSNP, verzoek tot opheffing van een op een ingetrokken surséance van betaling gevolgd faillissement (art. 242 lid 4 F.) en toepassing van schuldsaneringsregeling voor natuurlijke personen die een zelfstandig beroep of bedrijf uitoefenen, ontvankelijkheid van de schuldenaar,… - ECLI:NL:GHSHE:2011:BT7412 — 11-10-2011 Hof 's-Hertogenbosch
De rechtbank dient, alvorens een surseance van betaling te beeïndigen en het faillissement uit te spreken, de schuldenaar in de gelegenheid stellen toepassing van de schuldsaneringsregeling te verzoeken. Hoger beroep van LJN BU9109 - ECLI:NL:RBHAA:2006:AV1422 — 07-02-2006 Rb. Haarlem
Verzoek ex art. 390 Rv jo. art. 382 Rv tot herroeping beschikking ex art. 242 lid 1 Fw niet-ontvankelijk, nu strekking en regeling van de Faillissementswet zich tegen een beslissing op een zodanig verzoek verzet.
Bron: Rechtspraak.nl — uitspraken bevatten verwijzingen naar dit artikel.