Artikel 249 Faillissementswet
Lid 1
Indien de faillietverklaring wordt uitgesproken ingevolge een der bepalingen van deze titel of wel binnen één maand na het einde der surseance, gelden de volgende regelen:
het tijdstip, waarop de termijnen vermeld in de artikelen 43 en 45 van deze wet en in de artikelen 138, zesde lid, en 248, zesde lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek aanvangen, wordt berekend van de aanvang der surseance af;
de curator oefent de bevoegdheid uit, in het eerste lid van artikel 228 aan de bewindvoerders toegekend;
handelingen, door de schuldenaar met medewerking, machtiging of bijstand van de bewindvoerders verricht, worden beschouwd als handelingen van de curator en boedelschulden, gedurende de surseance ontstaan, zullen ook in het faillissement als boedelschulden gelden;
de boedel is niet aansprakelijk voor verbintenissen van de schuldenaar, zonder medewerking, machtiging of bijstand van de bewindvoerders gedurende de surseance ontstaan, dan voorzover deze ten gevolge daarvan gebaat is.
Lid 2
Is opnieuw surseance verzocht, binnen een maand na afloop van een vroeger verleende, dan geldt hetgeen in het eerste lid is bepaald mede voor het tijdvak der eerstvolgende surseance.
Dit artikel verwijst naar:
Wordt genoemd in:
Recente uitspraken
Art. 249 Fw is sinds 2007 in 14 uitspraken op wetboek.org gekoppeld, met name door Rb. Amsterdam, Hoge Raad en Hof 's-Hertogenbosch.
- ECLI:NL:HR:2018:424 — 23-03-2018 Hoge Raad
Prejudiciële vragen (art. 392 Rv). Faillissementsrecht. Invloed faillissement op wederkerige overeenkomsten, art. 37-40 Fw. Fixatiebeginsel, art. 24 Fw. Mogelijkheid tot verificatie van vorderingen uit overeenkomst of andere rechtsverhouding die na ingaan van het faillissement… - ECLI:NL:HR:2017:2991 — 24-11-2017 Hoge Raad
Prejudiciële vraag (art. 392 Rv). Komt tijdens surseance vervallen rente die in de surseance buiten beschouwing moet blijven (art. 260 Fw), in aanmerking voor verificatie in opvolgend faillissement? Betekenis van art. 249 Fw. - ECLI:NL:GHSHE:2015:2008 — 26-05-2015 Hof 's-Hertogenbosch
hoger beroep van tussenvonnis; bewijsvermoeden van art. 2:138 lid 2 BW, publicatieplicht, administratieplicht; onrechtmatige daad rechtspersoon jegens bestuurder t.t.v. surseance een boedelvordering? - ECLI:NL:RBZWB:2022:108 — 12-01-2022 Rb. Zeeland-West-Brabant
Hoofdzaak. Ondanks schending publicatieplicht bestuurder niet aansprakelijk voor faillissementstekort op grond van artikel 2:248 lid 2 BW. Het betoog van de bestuurder, dat andere feiten of omstandigheden dan de (op basis van de schending van de publicatieplicht vaststaande)… - ECLI:NL:RBAMS:2017:2006 — 22-03-2017 Rb. Amsterdam
Prejudiciële vraag voor HR: Komt een vordering ter zake van rente vervallen in de periode vanaf datum van surseance van betaling tot aan de datum van een opvolgend faillissement over een vordering ten aanzien waarvan de surseance van betaling werkt in aanmerking voor verificatie…
Bron: Rechtspraak.nl — uitspraken bevatten verwijzingen naar dit artikel.