Artikel 247 Faillissementswet

Lid 1

De schuldenaar is steeds bevoegd aan de rechtbank de intrekking van de surseance te verzoeken, op grond dat de toestand des boedels hem weer in staat stelt zijn betalingen te hervatten. De bewindvoerders en, indien het een definitief verleende surseance betreft, de schuldeisers worden gehoord of behoorlijk opgeroepen.

Lid 2

Deze oproeping geschiedt schriftelijk door de griffier tegen een door de rechtbank te bepalen dag.

Wordt genoemd in:

Recente uitspraken

Art. 247 Fw is sinds 2001 in 5 uitspraken op wetboek.org gekoppeld, met name door Rb. Amsterdam, Rb. Noord-Holland en Rb. 's-Gravenhage.

  • ECLI:NL:RBNHO:2022:11622 — 22-12-2022 Rb. Noord-Holland
    Intrekking voorlopig verleende surseance van betaling ex artikel 247 Fw
  • ECLI:NL:RBAMS:2017:646 — 02-02-2017 Rb. Amsterdam
    Verzoeken tot intrekking van de (voorlopig) verleende surseance van betaling. Behandeling achter gesloten deuren, niet in raadkamer. Verzoeken worden afgewezen. De situatie op dit moment is niet zodanig anders dan op het moment waarop de (voorlopige) surseance werd verleend dat…
  • ECLI:NL:RBAMS:2017:645 — 02-02-2017 Rb. Amsterdam
    Verzoeken tot intrekking van de (voorlopig) verleende surseance van betaling. Behandeling achter gesloten deuren, niet in raadkamer. Verzoeken worden afgewezen. De situatie op dit moment is niet zodanig anders dan op het moment waarop de (voorlopige) surseance werd verleend dat…
  • ECLI:NL:RBSGR:2011:BR6703 — 05-09-2011 Rb. 's-Gravenhage
    Intrekking van de surseance ex artikel 247 Fw, op grond dat de toestand des boedels schuldenaar weer in staat stelt zijn betalingen te hervatten.
  • ECLI:NL:RBAMS:2001:AB2308 — 17-05-2001 Rb. Amsterdam
    -

Bron: Rechtspraak.nl — uitspraken bevatten verwijzingen naar dit artikel.