Art. 3:256 Burgerlijk Wetboek Boek 3

Wanneer een pandrecht is tenietgegaan, is de pandhouder verplicht te verrichten hetgeen zijnerzijds nodig is opdat de pandgever de hem toekomende feitelijke macht over het goed herkrijgt, en desverlangd aan de pandgever een schriftelijk bewijs te verstrekken dat het pandrecht geëindigd is. Is de vordering waarvoor het pandrecht tot zekerheid strekte met een beperkt recht bezwaard, dan rust een overeenkomstige verplichting op de beperkt gerechtigde.

Recente uitspraken

Art. 3:256 BW is sinds 2011 in 2 uitspraken op wetboek.org gekoppeld, met name door Hof Amsterdam en Rb. Midden-Nederland.

  • ECLI:NL:GHAMS:2011:BP5179 — 14-02-2011 Hof Amsterdam
    Uitspraak Ondernemingskamer d.d. 14 februari 2011: Boschhuizen c.s. / Amtrada Holding NV
  • ECLI:NL:RBMNE:2023:3932 — 27-07-2023 Rb. Midden-Nederland
    Kort geding. Partijen zijn privé en zakelijk partners. De samenwerking verloopt zowel privé als zakelijk slecht. Een van de statutair bestuurders wordt voor een periode van 5 maanden geschorst.

Bron: Rechtspraak.nl — uitspraken bevatten verwijzingen naar dit artikel.