Art. 3:245 Burgerlijk Wetboek Boek 3
Tot het instellen van rechtsvorderingen tegen derden ter bescherming van het verpande goed is zowel de pandhouder als de pandgever bevoegd, mits hij zorg draagt dat de ander tijdig in het geding wordt geroepen.
Recente uitspraken
Art. 3:245 BW is sinds 2002 in 5 uitspraken op wetboek.org gekoppeld, met name door Hof Den Haag, Hof 's-Hertogenbosch en Hoge Raad.
- ECLI:NL:HR:2002:AE4663 — 28-06-2002 Hoge Raad
- - ECLI:NL:GHDHA:2019:1448 — 18-06-2019 Hof Den Haag
Vordering gemeente op basis van pandrecht. Onrechtmatig handelen beleggingsadviseur jegens de Stichting X. Geldigheid pandrecht en omvang van de door de Stichting geleden schade. 20% eigen schuld van de Stichting. - ECLI:NL:GHSHE:2016:2360 — 14-06-2016 Hof 's-Hertogenbosch
particuliere borgtocht, art. 1:88 lid 1 aanhef en sub d BW, zorgplicht bank jegens andere echtgenoot, art. 3:52 BW, art.3:55 lid 1 BW - ECLI:NL:RBDHA:2025:2510 — 05-02-2025 Rb. Den Haag
Gedaagde heeft een aanzienlijke vordering op één van eisers en heeft in dat verband executoriaal beslag gelegd op roerende goederen. Geen sprake van misbruik van (beslag- en executie)recht als bedoeld in artikel 3:13 BW. Geen grond voor teruggave goederen. Afwijzing vorderingen. - ECLI:NL:RBLEE:2012:BY7057 — 05-12-2012 Rb. Leeuwarden
Vraag of bank als pandhouder gehouden was om tijdens het faillissement van een pandgever de verjaring van de door deze pandgever aan haar verpande vorderingen te stuiten.
Bron: Rechtspraak.nl — uitspraken bevatten verwijzingen naar dit artikel.