Hoofdstuk 8. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 8:1
In gedingen aangevangen voor het van toepassing worden van artikel 4:2, derde lid, bepaalt de rechter op verzoek van een van de partijen of ambtshalve een termijn waarbinnen partijen de gelegenheid wordt geboden hun stellingen en conclusies voor zover nodig aan te passen aan artikel 4:2, derde lid. Stelt de rechter partijen tot een zodanige aanpassing in de gelegenheid, dan staat tegen die beslissing geen rechtsmiddel open; wijst de rechter een daartoe strekkend verzoek af, dan staat een rechtsmiddel daartegen slechts gelijktijdig met de einduitspraak open.
Artikel 8:2
Arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die zijn toegekend voor de inwerkingtreding van de Wet wijziging systematiek herbeoordelingen arbeidsongeschiktheidswetten worden geacht te zijn toegekend voor onbepaalde tijd.
Artikel 8:3
Lid 1
Een beschikking tot vermindering van de aanspraak op een geldelijke beloning voor de verrichte arbeid op grond van artikel 7 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten, aan de jonggehandicapte die op de dag voorafgaand aan de dag waarop dat artikel op grond van artikel 2.10 van de Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, vervalt, de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt dan wel recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van deze wet wordt voor de duur van het tijdvak waarvoor die aanspraak op grond van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten is verminderd aangemerkt als een beschikking tot vermindering van de aanspraak op een geldelijke beloning voor de verrichte arbeid als bedoeld in artikel 3:63.
Lid 2
Een beschikking tot toekenning van een voorziening op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel b, van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten, aan de jonggehandicapte die op de dag voorafgaand aan de dag waarop dat artikel op grond van artikel 2.10 van de Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, vervalt, dag de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt dan wel recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt voor de duur van het tijdvak waarvoor die voorziening op grond van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten is toegekend aangemerkt als een beschikking tot toekenning van een voorziening als bedoeld in artikel 35, eerste lid juncto tweede lid, onderdeel d, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
Artikel 8:4
Vervallen
Artikel 8:5
Lid 1
De artikelen 2:21 en 3:71 vervallen op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Lid 2
Artikel 3:72 vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Artikel 8:6
Vervallen
Artikel 8:6a
Vervallen
Artikel 8:7
De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de tijdvakken van vier weken, genoemd in de artikelen 2:12, derde lid, 3:3, tweede en derde lid, 3:14, derde lid, 3:15, 3:16, eerste lid, 3:17 en 3:21.
Artikel 8:8
Lid 1
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stelt een garantiebedrag vast voor de jonggehandicapte die:
in de maand voor inwerkingtreding van artikel I, onderdelen S, W, Z, AA en BB van de wet van 27 mei 2020 tot wijziging van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten en enkele andere wetten in verband met verdere activering van de participatie van jonggehandicapten en het harmoniseren van de verschillende regimes Wajong (Stb. 2020, 173) inkomen geniet en in de daaropvolgende maand nog steeds inkomen geniet; of
in de maand voor inwerkingtreding van artikel XII, onderdeel R, van de Verzamelwet SZW 2021 een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontving, waarbij sprake was van samenloop met een uitkering als bedoeld in de artikelen 3:50 of 3:51 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, zoals die luidden op de dag voor inwerkingtreding van artikel XII, onderdeel Ja, van de Verzamelwet SZW 2021.
Lid 2
Het garantiebedrag wordt vastgesteld aan de hand van de berekeningswijze behorende bij de inkomensvoorziening of arbeidsongeschiktheidsuitkering waarop de jonggehandicapte op grond van de hoofdstukken 2 en 3, zoals die luidden op de dag voor inwerkingtreding van artikel I, onderdelen S, W, Z, AA en BB, van de in het eerste lid, onderdeel a, genoemde wet of artikel XII, onderdeel R, van de Verzamelwet SZW 2021 recht zou hebben gehad in de maand van inwerkingtreding van:
artikel I, onderdelen S, W, Z, AA en BB, van de in het eerste lid, onderdeel a, genoemde wet, waarbij het inkomen in afwijking van de betreffende artikelen staat voor het gemiddelde inkomen per dag over een bij algemene maatregel van bestuur bepaalde periode, die voor verschillende situaties verschillend kan worden vastgesteld;
artikel XII, onderdeel R, van de Verzamelwet SZW 2021, waarbij voor de toepassing van de artikelen 3:50 of 3:51 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten zoals die luidden op de dag voor inwerkingtreding van artikel XII, onderdeel Ja, van de Verzamelwet SZW 2021, in afwijking van die artikelen, de uitkering wordt gebruikt waarop de jonggehandicapte op grond van die artikelen in de maand voorafgaand aan die inwerkingtreding recht had.
Lid 3
In afwijking van het tweede lid wordt het garantiebedrag voor de jonggehandicapte die in de maand van inwerkingtreding van artikel I, onderdelen S, W, Z, AA en BB van de in het eerste lid, onderdeel a, genoemde wet, recht zou hebben gehad op inkomensondersteuning, bedoeld in artikel 2:39, eerste lid, zoals dat luidde op de dag voor inwerkingtreding van die wet, vastgesteld aan de hand van de berekeningswijze behorende bij de inkomensondersteuning, bedoeld in artikel 2:41, zoals dat artikel luidde op de dag voor inwerkingtreding van die wet, indien die jonggehandicapte sinds januari 2015 onafgebroken inkomen heeft genoten.
Lid 4
De jonggehandicapte, bedoeld in het eerste lid, heeft recht op een inkomensvoorziening of een arbeidsongeschiktheidsuitkering ter hoogte van het garantiebedrag wanneer de inkomensvoorziening of de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel 2:40, 2:46, 3:8 of 3:8b, het garantiebedrag niet te boven gaat.
Lid 5
Het vierde lid is niet langer van toepassing, indien gedurende een aaneengesloten periode van een jaar:
de inkomensvoorziening of de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel 2:40, 2:46, 3:8 of 3:8b hoger is dan het garantiebedrag; of
door de jonggehandicapte geen inkomen is genoten of uitkering als bedoeld in de artikelen 3:50 of 3:51 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, zoals die luidden op de dag voor inwerkingtreding van artikel XII, onderdeel Ja, van de Verzamelwet SZW 2021.
Lid 6
De periode van een jaar, bedoeld in het vijfde lid, kan bij algemene maatregel van bestuur tijdelijk met ten hoogste een jaar worden verlengd voor zover dat nodig is in verband met de gevolgen van de crisis in verband met COVID-19.
Lid 7
Met ingang van de dag waarop het minimumloon wijzigt, wordt het op grond van het tweede of derde lid vastgestelde garantiebedrag, gewijzigd met het percentage van deze wijziging.
Lid 8
In dit artikel en de daarop berustende bepalingen wordt onder inkomen verstaan het
inkomen, bedoeld in artikel 2:6 dan wel artikel 3:48, achtste lid, zoals dat luidde op de dag voor inwerkingtreding van artikel I, onderdeel OO, van de in het eerste lid, onderdeel a, genoemde wet.
Artikel 8:9
Artikel 3:63, zoals dat luidde voor de datum van inwerkingtreding van de wet van 3 december 2009 tot wijziging van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten in verband met het bevorderen van de participatie van jonggehandicapten door werk en arbeidsondersteuning (Stb. 2009, 580), blijft van toepassing op de vermindering van de hoogte van de aanspraak op een geldelijke beloning die voor de dag waarop die wet in werking trad was verstrekt, met dien verstande dat de op grond van artikel 3:63, eerste lid, onderdeel b, verstrekte vermindering geacht wordt te zijn gebaseerd op artikel 2:20, eerste lid, onderdeel a, vanaf de dag waarop de werknemer die de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt recht heeft op arbeidsondersteuning, als bedoeld in hoofdstuk 2, tenzij de werknemer niet aan de overige voorwaarden van artikel 2:20, eerste lid, voldoet.
Artikel 8:10
Lid 1
De jonggehandicapte die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van hoofdstuk 3 heeft geen recht op arbeidsondersteuning op grond van hoofdstuk 2.
Lid 2
Hoofdstuk 4 van de Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen is niet van toepassing op de jonggehandicapte die recht heeft op arbeidsondersteuning op grond van hoofdstuk 2.
Artikel 8:10a
Artikel 2:23 is niet van toepassing op de jonggehandicapte, wiens arbeid als zelfstandige is aangevangen voor de dag van inwerkingtreding van de Wet van 3 december 2009 tot uitbreiding van de mogelijkheid om voorzieningen te verstrekken bij arbeid als zelfstandige (Stb. 2009, 589).
Artikel 8:10b
Lid 1
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stelt vast of de jonggehandicapte met een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft als bedoeld in artikel 3:8a, zoals dat artikel komt te luiden na inwerkingtreding van artikel III, onderdeel O, van de Invoeringswet Participatiewet.
Lid 2
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de beoordeling van het geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Daarbij kan een procedure worden vastgesteld die afwijkt van de procedure bij de beoordeling van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie die de jonggehandicapte na de dag van inwerkingtreding van artikel III, onderdeel B, van de Invoeringswet Participatiewet heeft.
Artikel 8:10c
De jonggehandicapte die op de dag voor inwerkingtreding van artikel III, onderdeel D, van de Invoeringswet Participatiewet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was, als bedoeld in artikel 2:4, eerste lid, zoals dat luidde op die dag, wordt geacht op de dag van inwerkingtreding van artikel III, onderdeel D, van de Invoeringswet Participatiewet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt te zijn, als bedoeld in artikel 2:4, zoals dat is komen te luiden op die dag.
Artikel 8:10d
De artikelen 1a:10, 2:17 en 3:21, zoals deze luidden op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdelen F, H en HH van de wet van 27 mei 2020 tot wijziging van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten en enkele andere wetten in verband met verdere activering van de participatie van jonggehandicapten en het harmoniseren van de verschillende regimes Wajong (Stb. 2020, 173), blijven van toepassing op de personen van wie het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering of arbeidsondersteuning voor of op de dag vijf jaar voor de inwerkingtreding van die wet is geëindigd, dan wel niet toegekend omdat zij niet arbeidsongeschikt waren.
Artikel 8:10e
Artikel 3:22, vierde lid, zoals dat luidde op de dag voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel HHa, van de wet van 27 mei 2020 tot wijziging van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten en enkele andere wetten in verband met verdere activering van de participatie van jonggehandicapten en het harmoniseren van de verschillende regimes Wajong (Stb. 2020, 173), blijft van toepassing op de jonggehandicapte, wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering meer dan vier weken voor dat tijdstip, in verband met artikel 3:19, eerste lid, onderdeel b, is ingetrokken.
Artikel 8:11
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 8:12
Deze wet wordt aangehaald als: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.