Artikel 2:16 Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten

Lid 1

Het recht op arbeidsondersteuning op grond van dit hoofdstuk eindigt:

  1. twee maanden na de dag dat de jonggehandicapte in staat is meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen;

  2. op de dag dat er op hem een uitsluitingsgrond als bedoeld in artikel 2:11 van toepassing is;

  3. indien het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen daartoe op zijn verzoek besluit; of

  4. indien de jonggehandicapte overlijdt.

Lid 2

In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, eindigt het recht op arbeidsondersteuning van de jonggehandicapte die arbeid verricht, niet, tenzij de jonggehandicapte ten minste 75% van het maatmaninkomen verdient nadat hij vijf jaar arbeid heeft verricht. Arbeid verricht bij wijze van sociale werkvoorziening als bedoeld in hoofdstuk 2 of 3 van de Wet sociale werkvoorziening wordt buiten beschouwing gelaten.

Lid 3

Het recht op arbeidsondersteuning eindigt niet op grond van het eerste lid, onderdeel a, of het tweede lid, indien de jonggehandicapte gebruik maakt van een voorziening als bedoeld in artikel 2:22, tweede lid, onderdeel a, b of d of 2:23, eerste lid.

Lid 4

Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat het tweede lid voor onbeperkte duur toepassing vindt ten aanzien van bij die ministeriële regeling te bepalen groepen jonggehandicapten.