Afdeling 7. Inkomensvoorzieningen

Artikel 2:39

Lid 1

De jonggehandicapte die recht heeft op arbeidsondersteuning ontvangt op aanvraag inkomensondersteuning met ingang van de dag waarop de aanvraag werd ingediend, doch niet voor de dag waarop recht op arbeidsondersteuning ontstaat.

Lid 2

In afwijking van het eerste lid ontvangt de jonggehandicapte de inkomensondersteuning, bedoeld in het eerste lid, niet eerder dan de dag met ingang waarvan de jonggehandicapte aan de voorwaarde, bedoeld in het derde lid, voldoet.

Lid 3

De jonggehandicapte die recht heeft op arbeidsondersteuning ontvangt inkomensondersteuning als bedoeld in het eerste lid, indien en zolang hij meewerkt aan het opstellen van het participatieplan.

Lid 4

Vervallen.

Lid 5

De voorwaarde, bedoeld in het derde lid, is niet van toepassing op de persoon die een dienstbetrekking heeft als bedoeld in hoofdstuk 2 of 3 van de Wet sociale werkvoorziening of die naar het oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen niet in staat is tot het verrichten van passende arbeid.

Lid 6

De voorwaarde, bedoeld in het derde lid, is niet van toepassing op de jonggehandicapte die studerende is. In afwijking van artikel 1:4, eerste lid, is de eerste zin ook van toepassing op de jonggehandicapte die studiefinanciering in de vorm van het levenlanglerenkrediet ontvangt.

Artikel 2:40

Lid 1

De inkomensondersteuning, bedoeld in artikel 2:39, eerste lid, bedraagt per dag:

  1. voor een jonggehandicapte die werkt met loondispensatie als bedoeld in artikel 2:20: (0,7 * G) – (0,7 * compensatiefactor * I); en

  2. voor andere jonggehandicapten: 0,7 * (G – I).

Lid 2

De compensatiefactor bedraagt: (LW – 0,3) / (0,7 x LW).

Lid 3

Voor zover dit leidt tot een hoger bedrag aan inkomensondersteuning per dag, bedraagt de inkomensondersteuning per dag, in afwijking van het eerste lid, onderdeel a: (I/LW) – I.

Lid 4

In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, en het derde lid bedraagt de inkomensondersteuning, bedoeld in artikel 2:39, eerste lid, per dag, bij een inkomen per dag dat naast een gedispenseerd loon tevens is opgebouwd uit andere inkomensbestanddelen:

  1. (0,7 * G) – (0,7 * ((CF * Ia)+Io)); of

  2. ((Ia/LW) + Io)–I, voor zover dit leidt tot een hoger bedrag aan inkomensondersteuning per dag.

Lid 5

In het eerste tot en met het vierde lid staat:

  1. G voor grondslag;

  2. I voor het inkomen per dag;

  3. LW voor de verminderde arbeidsprestatie, bedoeld in artikel 2:20, eerste lid, uitgedrukt in een percentage;

  4. Ia voor de gedispenseerde inkomensbestanddelen per dag;

  5. Io voor de overige niet gedispenseerde inkomensbestanddelen per dag, waarbij Io = I-Ia; en

  6. CF voor de compensatiefactor, vastgesteld op basis van LW.

Artikel 2:41

Vervallen

Artikel 2:41a

Vervallen

Artikel 2:42

Vervallen

Artikel 2:43

Vervallen

Artikel 2:44

Vervallen

Artikel 2:45

Lid 1

De jonggehandicapte die recht heeft op arbeidsondersteuning en volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is ontvangt een uitkering.

Lid 2

Artikel 2:39 is niet van toepassing op de jonggehandicapte die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.

Artikel 2:46

Lid 1

De uitkering, bedoeld in artikel 2:45, bedraagt per dag 0,75 * (G – I).

Lid 2

Artikel 1a:4, derde lid, is van toepassing.

Artikel 2:46a

Lid 1

Indien de volledige en duurzaam arbeidsongeschikte gedurende een aaneengesloten termijn van twaalf kalendermaanden per dag een inkomen verwerft dat meer bedraagt dan 20% van het maatmaninkomen, roept het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de jonggehandicapte op voor een onderzoek naar het voortbestaan van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid.

Lid 2

Het eerste lid is niet van toepassing op bij ministeriële regeling te bepalen groepen volledig en duurzaam arbeidsongeschikten.