Afdeling 6. Plichten in verband met het recht op arbeidsondersteuning
Artikel 2:31
Lid 1
De jonggehandicapte die recht heeft op arbeidsondersteuning is verplicht in voldoende mate te trachten mogelijkheden tot het verrichten van passende arbeid te behouden of te verkrijgen.
Lid 2
Ter naleving van de plicht, bedoeld in het eerste lid, is de jonggehandicapte die recht heeft op arbeidsondersteuning in elk geval verplicht:
zich geneeskundig te laten behandelen of aanwijzingen van een arts op te volgen indien het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het re-integratiebedrijf in opdracht van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen daartoe opdracht geeft en de behandeling of de aanwijzing bijdraagt aan genezing of aan behoud, herstel of bevordering van de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid, en zijn genezing niet te belemmeren;
mee te werken aan het opstellen van het re-integratieplan, bedoeld in artikel 30a, zesde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
te voldoen aan verplichtingen die zijn opgenomen in het re-integratieplan, bedoeld in artikel 30a, zesde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
mee te werken aan activiteiten of werkzaamheden, gericht op inschakeling in de arbeid, die het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen wenselijk acht voor verkrijging van de mogelijkheden tot het verrichten van passende arbeid;
mee te werken aan aanpassing van de arbeidsplaats en aan persoonsgebonden voorzieningen die het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verstrekt voor verkrijging van mogelijkheden tot het verrichten van passende arbeid en zo nodig te trachten die aanpassing en die voorzieningen te verkrijgen.
Lid 3
De verplichtingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn niet van toepassing op de persoon die een dienstbetrekking heeft als bedoeld in hoofdstuk 2 of 3 van de Wet sociale werkvoorziening of die naar het oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen niet in staat is tot het verrichten van passende arbeid.
Lid 4
In het re-integratieplan, bedoeld in artikel 30a, zesde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, kan voor de jonggehandicapte de verplichting worden opgenomen om een aanbod van concrete passende arbeid te accepteren.
Artikel 2:32
Lid 1
De jonggehandicapte die recht heeft op arbeidsondersteuning en zijn resterende verdiencapaciteit niet volledig benut, is verplicht zich als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te laten registreren, indien hem daartoe het recht toekomt op grond van artikel 30b, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen hem dit opdraagt. De verplichting, bedoeld in de eerste zin, is niet van toepassing op de jonggehandicapte die een dienstbetrekking heeft als bedoeld in hoofdstuk 2 of 3 van de Wet sociale werkvoorziening of die naar het oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen niet in staat is tot het verrichten van passende arbeid.
Lid 2
De jonggehandicapte die recht heeft op arbeidsondersteuning en arbeid in dienstbetrekking verricht is verplicht:
zich te onthouden van verwijtbaar gedrag dat aangemerkt kan worden als een dringende reden in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek;
de dienstbetrekking niet door of op zijn verzoek te laten beëindigen zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd;
in voldoende mate te trachten passende arbeid te verkrijgen;
geen eisen te stellen in verband met de door hem te verrichten arbeid die het aanvaarden of verkrijgen van passende arbeid belemmeren.
Lid 3
Het door de jonggehandicapte, bedoeld in het tweede lid, niet voeren van verweer tegen of het instemmen met een beëindiging van de dienstbetrekking door of op verzoek van de werkgever leidt niet tot overtreding van de verplichting, bedoeld in het tweede lid, aanhef en onderdeel a.
Lid 4
In dit hoofdstuk wordt onder passende arbeid verstaan algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de betrokkene met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.
Lid 5
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld op grond waarvan aan jonggehandicapten die recht hebben op arbeidsondersteuning in individuele gevallen tijdelijk ontheffing kan worden verleend van de voorwaarden, bedoeld in het tweede lid, onderdelen c of d.
Artikel 2:33
Lid 1
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de artikelen 2:31 en 2:32, eerste en tweede lid.
Lid 2
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld waarbij bepaalde groepen jonggehandicapten worden vrijgesteld van verplichtingen, hun op grond van artikel 2:31 opgelegd.
Artikel 2:34
De artikelen 2:31 en 2:32, eerste lid, zijn niet van toepassing op de jonggehandicapte die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.
Artikel 2:34a
De artikelen 2:31, eerste lid en tweede lid, onderdelen b en c, en 2:32 zijn niet van toepassing op de jonggehandicapte die studerende is. In afwijking van artikel 1:4, eerste lid, is de eerste zin ook van toepassing op de jonggehandicapte die studiefinanciering in de vorm van het levenlanglerenkrediet ontvangt.
Artikel 2:35
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan controlevoorschriften vaststellen. Deze voorschriften gaan niet verder dan strikt noodzakelijk is voor een juiste uitvoering van dit hoofdstuk.
Artikel 2:36
Vervallen
Artikel 2:37
Vervallen
Artikel 2:38
Opgeroepenen en, indien hun toestand geleide nodig maakt, mede hun geleiders, worden reiskosten, verblijfkosten en tijdverlies vergoed in de gevallen en volgens regels die door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen worden vastgesteld.