Artikel 45 Successiewet 1956
Lid 1
De inspecteur stelt de termijn voor het doen van aangifte voor de erfbelasting zodanig vast dat deze niet eerder verstrijkt dan twintig maanden na het overlijden.
Lid 2
De in het eerste lid bedoelde termijn van twintig maanden loopt niet gedurende de tijd dat de nalatenschap onbeheerd is gelaten en geen vereffenaar is benoemd. Indien verkregen wordt ten gevolge van de vervulling van een voorwaarde, van aanvaarding nadat eerst verwerping had plaatsgehad, van een afstand door een verkrijger onder een ontbindende voorwaarde als bedoeld in artikel 21, tweede lid, ten behoeve van de verwachters, van de uitoefening van een wilsrecht voortspruitende uit ten sterfdage of ten tijde van de verkrijging bestaande of ontstane rechtsverhoudingen, dan wel ten gevolge van de toepassing van artikel 33 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek, gaat de in het eerste lid bedoelde termijn van twintig maanden in op de dag waarop één van die gebeurtenissen plaatsvindt.
Dit artikel verwijst naar:
Recente uitspraken
Art. 45 SW1956 is sinds 2024 in 2 uitspraken op wetboek.org gekoppeld, met name door Hof 's-Hertogenbosch en Rb. Zeeland-West-Brabant.
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1357 — 27-05-2026 Hof 's-Hertogenbosch
Artikel 2, lid 3, Besluit proceskosten bestuursrecht Geen sprake van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 2, lid 3, Besluit proceskosten bestuursrecht die nopen tot afwijken van de forfaitaire proceskostenvergoeding. Het opleggen van een aanslag erfbelasting naar een… - ECLI:NL:RBZWB:2024:8401 — 09-12-2024 Rb. Zeeland-West-Brabant
Aanslag erfbelasting, belastingrente
Bron: Rechtspraak.nl — uitspraken bevatten verwijzingen naar dit artikel.