Artikel 1 Successiewet 1956
Lid 1
Krachtens deze wet worden de volgende belastingen geheven:
erfbelasting over de waarde van al wat krachtens erfrecht wordt verkregen door het overlijden van iemand die ten tijde van het overlijden in Nederland woonde;
schenkbelasting over de waarde van al wat krachtens schenking wordt verkregen van iemand die ten tijde van de schenking in Nederland woonde.
Lid 2
Onder verkrijging krachtens erfrecht wordt voor de toepassing van deze wet mede verstaan de verkrijging van vergunningen en aanspraken bij of na het overlijden van de erflater indien die verkrijging rechtstreeks verband houdt met de omstandigheid dat de erflater die of dergelijke vergunningen en aanspraken bezat.
Lid 3
De verkrijging ten gevolge van de vaststelling van een rentevergoeding op grond van:
een uiterste wilsbeschikking ten aanzien van vorderingen en schulden die zijn ontstaan krachtens erfrecht, of
een overeenkomst als bedoeld in artikel 13, vierde lid, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek, wordt voor de toepassing van deze wet geacht alleen krachtens erfrecht door het overlijden te zijn verkregen indien deze binnen de met inachtneming van artikel 45 vastgestelde aangiftetermijn is vastgesteld of overeengekomen.
Lid 4
Indien de rentevergoeding, bedoeld in het derde lid, wordt vastgesteld of overeengekomen na de in dat lid bedoelde termijn, wordt het daaruit voortvloeiende voordeel geacht krachtens schenking te zijn verkregen.
Lid 5
De verkrijging krachtens de uitoefening van een wilsrecht als bedoeld in de artikelen 19, 20, 21 en 22 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek wordt voor de toepassing van deze wet niet aangemerkt als een verkrijging krachtens erfrecht.
Lid 6
Indien ten gevolge van uiterste wilsbeschikkingen die inhoudelijk overeenkomen met het bepaalde in afdeling 1 van titel 3 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek wilsrechten opkomen, worden die voor de toepassing van deze wet op dezelfde wijze behandeld als wilsrechten als bedoeld in de artikelen 19, 20, 21 en 22 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek.
Lid 7
Onder schenking wordt voor de toepassing van deze wet verstaan de gift, bedoeld in artikel 186, tweede lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, voor zover artikel 13 niet van toepassing is, en voorts de voldoening aan een natuurlijke verbintenis als bedoeld in artikel 3 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.
Lid 8
Onder schenking wordt niet begrepen de bevoordeling als gevolg van verwerping door een erfgenaam of legataris, noch de bevoordeling als gevolg van het afzien door de echtgenoot van een wettelijke verdeling van de nalatenschap op de voet van artikel 18 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek.
Lid 9
Een gift onder opschortende voorwaarde wordt voor de toepassing van deze wet geacht tot stand te komen op het moment dat de voorwaarde wordt vervuld.
Dit artikel verwijst naar:
- 20 (BW4)
- 21 (BW4)
- 22 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW4)
- afdeling 1 van titel 3 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW4)
- artikel 13, vierde lid, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW4)
- artikel 18 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW4)
- artikelen 19 (BW4)
- artikel 3 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (BW6)
- artikel 186, tweede lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW7)
- artikel 13 (SW1956)
- artikel 45 (SW1956)
Wordt genoemd in:
Recente uitspraken
Art. 1 SW1956 is sinds 2002 in 19 uitspraken op wetboek.org gekoppeld, met name door Hof Amsterdam, Hof Arnhem-Leeuwarden en Hof Den Haag.
- ECLI:NL:GHARL:2026:4066 — 16-06-2026 Hof Arnhem-Leeuwarden
Erfbelasting. Quasi-wettelijke verdeling. Waarde erfdeel. - ECLI:NL:GHAMS:2025:2357 — 08-07-2025 Hof Amsterdam
Art. 4 AWR: fiscale woonplaats erflater. - ECLI:NL:GHAMS:2025:2356 — 08-07-2025 Hof Amsterdam
Art. 4 AWR: fiscale woonplaats erflater. - ECLI:NL:GHARL:2025:1433 — 11-03-2025 Hof Arnhem-Leeuwarden
Recht van schenking. Stichting Particulier Fonds. Beschikkingsmacht vermogen. - ECLI:NL:GHSHE:2025:540 — 26-02-2025 Hof 's-Hertogenbosch
Aan belanghebbende is een aanslag erfbelasting opgelegd in verband met de verkrijging van een legitieme portie. Belanghebbende is van mening dat de aanslag dient te worden vernietigd omdat op het aanslagbiljet ten onrechte is vermeld dat belanghebbende een legaat heeft…
Bron: Rechtspraak.nl — uitspraken bevatten verwijzingen naar dit artikel.