Artikel 66 Successiewet 1956

Lid 1

De in de artikelen 11, derde lid, en 16, derde en vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen vermelde termijnen van onderscheidenlijk drie, vijf en twaalf jaren gaan in:

  1. voor de erfbelasting na de dag van inschrijving van de akte van overlijden in de registers van de burgerlijke stand, met dien verstande dat in de gevallen, bedoeld in artikel 45, tweede lid, de termijnen niet eerder beginnen te lopen dan vanaf de dag waarop de termijn van aangifte ingaat en worden verlengd met de tijd dat de termijn van aangifte niet loopt;

  2. voor de schenkbelasting, ingeval geen aangifte is gedaan, na de dag van inschrijving van de akte van overlijden van de schenker of van de begiftigde in de registers van de burgerlijke stand, dan wel ingeval meer dan vier maanden na het einde van het kalenderjaar waarin de schenking heeft plaatsgevonden aangifte is gedaan, na de dag van die aangifte met dien verstande dat ingeval zowel de schenker als de begiftigde een rechtspersoon is, de bevoegdheid tot het vaststellen van een aanslag of navorderingsaanslag twintig jaren na de schenking vervalt;

  3. voor het geval het betreft het vaststellen van een aanslag of conserverende aanslag in verband met een gebeurtenis als bedoeld in artikel 35e, na de dag waarop die gebeurtenis zich heeft voorgedaan.

Lid 2

Betreft het de bevoegdheid tot het vaststellen van een navorderingsaanslag in gevallen waarin een vermindering als bedoeld in artikel 52 is verleend, dan gaat de termijn in na de dag waarop de vermindering is verleend.

Lid 3

Betreft het de bevoegdheid tot het vaststellen van een navorderingsaanslag wegens het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van een vermindering op grond van artikel 53, dan gaat de termijn in na de dag waarop de vermindering is verleend.

Lid 4

Indien voor de erfbelasting de aangifte over een bestanddeel van het voorwerp van die belasting dat in het buitenland wordt gehouden of is opgekomen niet, onjuist of onvolledig is gedaan, vervalt, in afwijking van artikel 16, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de bevoegdheid tot het vaststellen van een navorderingsaanslag niet.

Wordt genoemd in:

Recente uitspraken

Art. 66 SW1956 is sinds 1996 in 12 uitspraken op wetboek.org gekoppeld, met name door Hof Amsterdam, Rb. Zeeland-West-Brabant en Hof Arnhem-Leeuwarden.

  • ECLI:NL:HR:1996:AA1804 — 09-08-1996 Hoge Raad
    -
  • ECLI:NL:GHAMS:2026:2574 — 21-07-2026 Hof Amsterdam
    Navorderingsaanslag erfbelasting met vergrijpboete terecht opgelegd? Is voldaan aan de voortvarendheidseis? Zijn de inspecteur inkomstenbelasting en de inspecteur erfbelasting één bestuursorgaan? Heropening in verband met vragen Hof aan inspecteur. Schending algemene beginselen…
  • ECLI:NL:GHSHE:2020:1996 — 02-07-2020 Hof 's-Hertogenbosch
    Het hof is van oordeel dat de onbeperkte navorderingstermijn van artikel 66, lid 3, Successiewet 1956 niet onverbindend is, omdat er geen strijd met het legaliteitsbeginsel, artikel 1 EP en artikel 63 VWEU is.
  • ECLI:NL:GHARL:2020:4524 — 30-06-2020 Hof Arnhem-Leeuwarden
    Edelweisszaak. Het hof oordeelt dat de in artikel 66 van de Successiewet 1956 opgenomen onbeperkte navorderingsbevoegdheid niet in strijd is met het legaliteitsbeginsel, artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM en artikel 63 VWEU.
  • ECLI:NL:GHARL:2019:9676 — 12-11-2019 Hof Arnhem-Leeuwarden
    Recht van schenking. Navorderingsaanslag. Twaalfjaarstermijn.

Bekijk alle 12 uitspraken »

Bron: Rechtspraak.nl — uitspraken bevatten verwijzingen naar dit artikel.