Artikel 1a Successiewet 1956

Lid 1

In afwijking van artikel 5a, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen worden voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen twee ongehuwde personen slechts als partner aangemerkt indien zij gedurende de in het tweede lid genoemde periode:

  1. beiden meerderjarig zijn;

  2. op hetzelfde woonadres staan ingeschreven in de basisregistratie personen of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende registratie buiten Nederland;

  3. ingevolge een notarieel samenlevingscontract een wederzijdse zorgverplichting hebben;

  4. geen bloedverwanten in de rechte lijn zijn, en

  5. niet met een ander aan de in de onderdelen a tot en met d genoemde voorwaarden voldoen.

Lid 2

De in de aanhef van het eerste lid bedoelde periode is:

  1. voor de bepalingen die zien op de heffing van erfbelasting: zes maanden voorafgaand aan het overlijden dat aanleiding is tot de heffing van erfbelasting;

  2. voor de bepalingen die zien op de heffing van schenkbelasting: twee jaar voorafgaand aan de schenking.

Lid 3

De in het eerste lid, onderdeel c, gestelde voorwaarde geldt niet voor personen die tot het tijdstip van het overlijden of de schenking gedurende een onafgebroken periode van ten minste vijf jaren staan ingeschreven op hetzelfde woonadres in de basisregistratie personen of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende registratie buiten Nederland.

Lid 4

Artikel 5a, zevende lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is van overeenkomstige toepassing op de personen, bedoeld in het eerste en derde lid.

Lid 5

Artikel 5a, tweede lid, vierde lid en vijfde lid, derde volzin, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen blijft buiten toepassing voor deze wet en de daarop berustende bepalingen.

Recente uitspraken

Art. 1a SW1956 is sinds 2019 in 5 uitspraken op wetboek.org gekoppeld, met name door Hof Den Haag, Hof Arnhem-Leeuwarden en Rb. Noord-Holland.

  • ECLI:NL:GHDHA:2025:956 — 21-01-2025 Hof Den Haag
    Art. 4:960 BW (oud). Art. 4:1167 (oud) BW. Art. 128 Overgangswet nieuw BW. Art. 4:63 BW. Art. 1a, lid 1, onderdeel d, SW 1956. Art. 32, lid 1, SW 1956. De vader van belanghebbende is in 1995 overleden, de moeder in 2019. Belanghebbende woonde na overlijden vader met zijn moeder…
  • ECLI:NL:GHARL:2021:10444 — 09-11-2021 Hof Arnhem-Leeuwarden
    Einde samenleving. Loopt overeengekomen vergoeding van man aan vrouw van € 5.000,- per maand door na ontbinding samenlevingsovereenkomst? Afwijzing vordering tot vergoeding kosten huishouding.
  • ECLI:NL:GHDHA:2019:172 — 22-01-2019 Hof Den Haag
    Einde samenleving. Beding dat de man de vrouw voor ieder jaar dat de samenleving duurt een bedrag zal betalen. Artikel 3:40 BW. Beding is ongeoorloofd, mede nu de vrouw heeft verklaard dat de strekking was een zodanig hoog bedrag te verbinden aan het beëindigen van de…
  • ECLI:NL:RBZWB:2023:4937 — 13-07-2023 Rb. Zeeland-West-Brabant
    Successiewet. Toepassing partnerfaciliteiten bij overlijden. Fraus legis. Belanghebbende is een geregistreerd partnerschap aangegaan met een (voormalig) patiënt van de huisartsenpraktijk waar zij werkte. Bijna 2,5 maand later is de partner overleden. Belanghebbende is zijn enig…
  • ECLI:NL:RBNHO:2022:3002 — 13-04-2022 Rb. Noord-Holland
    Afwikkeling tussen ex-samenwoners. Uitstel vordering tot verdeling op grond van artikel 3:178 lid 3 BW

Bron: Rechtspraak.nl — uitspraken bevatten verwijzingen naar dit artikel.