Artikel 290 Wetboek van Strafvordering

Lid 1

De voorzitter stelt voorafgaand aan het verhoor de identiteit van de getuige vast op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin. De voorzitter is tevens bevoegd de identiteit van de getuige vast te stellen op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, tweede volzin, indien over zijn identiteit twijfel bestaat. Artikel 29c, tweede lid, is ten aanzien van de getuige van overeenkomstige toepassing.

Lid 2

De voorzitter vraagt de getuige naar zijn beroep en of hij bloed- of aanverwant is van de verdachte en zo ja, in welke graad.

Lid 3

Indien er gegrond vermoeden bestaat dat de getuige in verband met het afleggen van zijn verklaring overlast zal ondervinden of in de uitoefening van zijn beroep zal worden belemmerd, kan de rechtbank bepalen dat het vragen naar een gegeven als bedoeld in het eerste of tweede lid, door de voorzitter achterwege zal worden gelaten. De rechtbank neemt de maatregelen die redelijkerwijs nodig zijn om de onthulling van dit gegeven te voorkomen.

Lid 4

De voorzitter beëdigt daarna de getuige dat hij de gehele waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen. Artikel 216a, tweede lid betreffende de vervanging van de beëdiging door een aanmaning is van overeenkomstige toepassing.

Lid 5

De artikelen 217 tot en met 220 zijn van overeenkomstige toepassing.

Wordt genoemd in:

Recente uitspraken

Art. 290 Sv is sinds 2001 in 21 uitspraken op wetboek.org gekoppeld, met name door Hoge Raad, Rb. Amsterdam en Hof Amsterdam.

  • ECLI:NL:HR:2016:683 — 19-04-2016 Hoge Raad
    1. B.p. gehoord als getuige zonder haar ex art. 290.4.Sv als getuige te beëdigen. 2 Misslag strafmotivering. Ad 1: HR: aangenomen moet worden dat het hof geen, dan wel zeer gering gewicht aan die verklaring heeft toegekend, nu het hof de gedane uitlatingen niet tot het bewijs…
  • ECLI:NL:HR:2014:466 — 04-03-2014 Hoge Raad
    1. Tegelijkertijd horen verdachte in eigen strafzaak en zaak medeverdachte, art. 29.1 en 2, 219, 290.4 Sv. 2. Art. 227.1 Sr, art. 157 Rv, “van welks waarheid de akte moet doen blijken”. Ad 1. Uit het samenstel van genoemde bepalingen moet worden afgeleid dat de uitzonderlijke…
  • ECLI:NL:HR:2012:BX5126 — 09-10-2012 Hoge Raad
    Art. 290.4 Sv. Beëdiging getuigen-deskundigen. Het p.v. van de tz. in h.b. houdt in dat de zaak tegen verdachte gelijktijdig doch niet gevoegd is behandeld met de zaak tegen medeverdachte X en dat de getuigen-deskundigen die zijn opgeroepen en zijn beëdigd in de zaak van X, ook…
  • ECLI:NL:HR:2011:BT6396 — 20-12-2011 Hoge Raad
    Verzuim aanmaning getuige jonger dan 16 jaar ex. artt. 290.4 jo. 216a Sv. Nu het proces-verbaal van de terechtzitting niet inhoudt dat de aldaar gehoorde getuigen X en Y, die toen de leeftijd van zestien jaar nog niet hadden bereikt, overeenkomstig artt. 290.4 Sv jo. 216a.2 Sv…
  • ECLI:NL:HR:2011:BP2740 — 07-06-2011 Hoge Raad
    1. Art. 293.1 Sv; beletten dat door een getuige aan een hem gestelde vraag gevolg wordt gegeven. 2. Derdenwerking van de Salduz-rechtspraak? Ad 1. Het middel steunt op de opvatting dat door de rechter op de voet van art. 293.1 Sv is belet dat door een getuige aan een hem…

Bekijk alle 21 uitspraken »

Bron: Rechtspraak.nl — uitspraken bevatten verwijzingen naar dit artikel.