Artikel 29c Wetboek van Strafvordering
Lid 1
In alle gevallen waarin de verdachte wordt gehoord of een verhoor bijwoont, stelt de rechterlijk ambtenaar de identiteit van de verdachte vast op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin. De rechterlijk ambtenaar is tevens bevoegd de identiteit van de verdachte vast te stellen op de wijze, bedoeld in artikel 27a, tweede lid, indien over zijn identiteit twijfel bestaat.
Lid 2
De verdachte is verplicht op bevel van een rechterlijk ambtenaar een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden en zijn medewerking te verlenen aan het nemen van zijn vingerafdrukken.
Wordt genoemd in:
Recente uitspraken
Art. 29c Sv is sinds 2018 in 1 uitspraak op wetboek.org gekoppeld, met name door Hoge Raad.
- ECLI:NL:HR:2018:612 — 17-04-2018 Hoge Raad
OM-cassatie. Het niet voldoen aan de verplichting om medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken, hem opgelegd krachtens het WvSv, art. 447e Sr. O.g.v. art. 55c.2 en 3 Sv komt – onder de in die bepaling gestelde voorwaarden – aan de ambtenaren a.b.i. in…
Bron: Rechtspraak.nl — uitspraken bevatten verwijzingen naar dit artikel.