Artikel 62 Pensioenwet
Lid 1
Indien de pensioenovereenkomst de deelnemer of gewezen deelnemer de mogelijkheid biedt:
in plaats van een bepaald soort pensioen geheel of gedeeltelijk te kiezen voor een ander soort pensioen, dan het pensioen, bedoeld in de artikelen 60, 61 en 61a;
de ingangsdatum van het ouderdomspensioen te vervroegen of uit te stellen;
de hoogte van het ouderdomspensioen te laten variëren als bedoeld in artikel 63; of
tot een keuze anders dan bedoeld in de voorgaande onderdelen;
waarborgt de pensioenuitvoerder dat bij gebruikmaking van de keuzemogelijkheid geen onderscheid gemaakt wordt tussen mannen en vrouwen door vaststelling van een ruilvoet of opbouwkeuzevoet per keuzerecht die voldoet aan het vereiste van collectieve actuariële gelijkwaardigheid.
Lid 2
Bij gebruikmaking van een in het eerste lid bedoelde keuzemogelijkheid is de toestemming vereist van de partner die begunstigde is voor partnerpensioen indien de hoogte daarvan door gebruikmaking van de keuzemogelijkheid wordt verlaagd.
Lid 3
Voorzover het bij de toepassing van het eerste lid pensioenaanspraken betreft die als gevolg van een premievrije voortzetting van die aanspraken worden opgebouwd, is het eerste lid van toepassing indien het recht op die premievrije voortzetting is ontstaan op of na 1 januari 2002.
Lid 4
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het eerste lid.
Dit artikel verwijst naar:
Recente uitspraken
Art. 62 Pensioenwet is sinds 2021 in 1 uitspraak op wetboek.org gekoppeld, met name door Hof Amsterdam.
- ECLI:NL:GHAMS:2021:2607 — 31-08-2021 Hof Amsterdam
Kapitaaluitkering op risicobasis ter dekking van nabestaandenpensioen bij overlijden komt, met terugwerkende kracht tot datum overlijden verzekerde, geheel toe aan eerste echtgenote, omdat op echtscheidingsdatum premievrije aanspraak op bijzonder nabestaandenpensioen hoger is…
Bron: Rechtspraak.nl — uitspraken bevatten verwijzingen naar dit artikel.